Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:191

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
13/654078-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige man uit Amsterdam moet 18 maanden de cel in voor het medeplegen van een ramkraak van brillenwinkel Pearle en een poging tot inbraak in supermarkt Dirk van den Broek, beide in Amsterdam-Noord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654078-17 (Promis)

Datum uitspraak: 18 januari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex [naam justitieel complex] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Staal, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.J. Verbeek, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een filiaal van Pearle opticiens (vestiging: [vestiging] ) heeft weggenomen een grote hoeveelheid (ongeveer 65), in elk geval een of meer (merk) zonnebril(len), geheel of ten dele toebehorend aan Pearle opticiens (vestiging: [vestiging] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot voornoemd filiaal heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen zonnebril(len) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van de voorpui van voornoemd filiaal, immers is/zijn hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) eenmaal of meermalen met een auto op voornoemd(e) voorpui/filiaal ingereden;

2.

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een filiaal van supermarkt Dirk van den Broek (vestiging [vestiging] ) weg te nemen sigaretten en/of een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorend aan voornoemde supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn

mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die supermarkt te verschaffen en/of die/dat weg te nemen sigaretten en/of goed(eren) van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak op en/of verbreking van een (ruit van een) toegangsdeur en/of een rolluik van/behorende bij voornoemd filiaal, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde supermarkt is toegegaan, waarna hij, verdachte, en zijn mededader(s), althans een of meer van hen:

  • -

    eenmaal of meermalen met een moker, in elk geval een voorwerp op voornoemd(e) (ruit van een) deur heeft/hebben geslagen en/of geramd en/of

  • -

    eenmaal of meermalen tegen voornoemde ruit/deur heeft/hebben getrapt en/of geschopt (ten gevolge waarvan een gat is ontstaan in de toegangsdeur van voornoemd filiaal) en/of

  • -

    eenmaal of meermalen geweld heeft/hebben uitgeoefend op een rolluik in voornoemd filiaal en/of tegen voornoemd rolluik heeft/hebben getrapt en/of geschopt;

3.

Primair:

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (Nissan Qashqai, kenteken [kenteken] ), geheel of ten dele toebehorend aan [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die auto heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een slot van voornoemde auto;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juni 2017 tot en met 2 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een auto (Nissan Qashqai, kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed betrof.

3 Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is sprake van onjuist politieoptreden waardoor het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Een verbalisant van de politie heeft, passend bij het scenario dat verdachte betrokken is bij de ramkraak op de Pearle Opticiens , op dossierpagina 32 geverbaliseerd: “Tevens hoorde ik [naam 3] zeggen dat een persoon een donkere broek droeg met rode strepen”. Gelet op het nadere verhoor van [naam 3] opgenomen op dossierpagina 157 is deze verbalisering in strijd met de waarheid, omdat zij daar heeft verklaard: “Ik sprak met een agent en zei hem dat ze donkere kleding aanhadden. De agent vroeg mij toen: “Met rode strepen op de pijp zegt u?” Ik dacht toen, dat heb ik toch niet gezegd? En ik heb de agent geantwoord dat ik geen idee had. Ik heb donkere kleding gezien, sportkleding, maar die streep kan ik mij niet specifiek herinneren.”

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie erkent dat de politie vormen heeft verzuimd in het voorbereidend onderzoek, maar stelt zich op het standpunt dat met deze vaststelling kan worden volstaan nu het verzuim met het geven van openheid van zaken door het Openbaar Ministerie is hersteld. Daarbij komt dat het niet nodig is om het betreffende proces-verbaal te gebruiken als bewijs.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert, met de verdediging en de officier van justitie, dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De betreffende verbalisant heeft de verklaring van de getuige niet juist weergegeven door details aan het signalement van de dader toe te voegen die de getuige niet heeft gegeven, doch waaraan de op dat moment reeds aangehouden verdachte wel voldeed.

In artikel 359a Sv is bepaald dat de rechtbank na vaststelling van een onherstelbaar vormverzuim (onder meer) kan bepalen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. Die beslissing dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van deze factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer dient door de rechtbank een met redenen omklede beslissing te worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is het verweer van de raadsman met betrekking tot die factoren onvoldoende concreet onderbouwd en voldoet het daarom niet aan de eisen die artikel 359a Sv stelt, zodat hetgeen is aangevoerd omtrent de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie onbesproken kan worden gelaten. Het verweer van de verdediging wordt gelet hierop verworpen. Ook ambtshalve komt de rechtbank niet tot de conclusie dat er redenen zijn waarom de officier van justitie niet-ontvankelijk zou zijn in zijn vervolging. Hoewel de onjuiste verbalisering ernstig is te noemen, zou niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie een te ver strekkend gevolg van dit verzuim zijn. De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte van het onder 3 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het gezien de korte tijd tussen de diefstal van de auto en het optreden als bestuurder daarvan door verdachte voor de hand ligt dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van deze auto, maar dat niet kan worden uitgesloten dat de auto door een ander is gestolen en dat verdachte hem alleen gebruikt of overgenomen heeft.

Het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie bewezen. Uit het dossier blijkt dat verdachte de dader was van de onder feit 1 ten laste gelegde ramkraak op de Pearle opticien op 2 juli 2017. Omdat die ramkraak veel overeenkomsten heeft met de poging tot diefstal bij de Dirk van den Broek op 16 juni 2017, kan de bewezenverklaring van de ramkraak in de vorm van schakelbewijs bijdragen aan het bewijs dat verdachte ook één van de daders was van de poging tot diefstal bij de Dirk van den Broek . Tot slot kan worden bewezen dat verdachte wist dat de auto waarin hij reed gestolen was, zodat ook de heling van de auto bewezen kan worden verklaard.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Voor feit 1 is onvoldoende bewijs aanwezig. De enkele aanwezigheid van verdachte in de nabijheid van de plaats delict bewijst niet dat verdachte als bestuurder van een auto tegen de gevel van de Pearle is gereden of daarbij anderszins betrokken was. Het dossier bevat evenmin voldoende bewijs om vast te stellen dat verdachte de bestuurder van de bij de poging tot inbraak bij de Dirk van den Broek betrokken Nissan Qashqai was. Het feit dat de telefoon van verdachte in die omgeving een zendmast heeft aangestraald is daartoe onvoldoende. Een telefoon is immers een makkelijk overdraagbaar goed. Daarnaast is weliswaar geverbaliseerd dat de kleding van de bestuurder gelijkend is aan de kleding van verdachte, maar dit betekent niet dat het dezelfde kleding is. In het geval de rechtbank tot een ander oordeel komt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte gelet op de beperkte rol van de bestuurder niet kan worden beschouwd als medepleger. Ten slotte is er onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring van de diefstal of heling van de auto. Het is, temeer nu er medeverdachten zijn, niet onomstotelijk vast te stellen dat verdachte de diefstal van de auto heeft gepleegd. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto uit enig misdrijf afkomstig was.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten. De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2 (poging tot diefstal met braak Dirk van den Broek 16 juni 2017)

De rechtbank acht, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als bestuurder van Nissan Qashqai betrokken was bij de poging tot diefstal met braak en overweegt hiertoe als volgt.

Op de camerabeelden van de Dirk van den Broek is te zien dat de bestuurder van de Nissan Qashqai een donkerkleurige trainingsbroek voorzien van rode strepen over de lengte aan de zijkant draagt. Verder draagt deze persoon een donkerkleurige jas waarvan de bovenzijde en de mouwen blauw van kleur zijn en is een grijskleurige capuchon zichtbaar. Deze kledingstukken vertonen een grote gelijkenis met de kleding die verdachte tijdens zijn aanhouding (in verband met de andere zaak) op 2 juli 2017 heeft gedragen. Zo is de donkere trainingsbroek van verdachte ook voorzien van rode strepen aan de zijkant en is zijn vest voorzien van een lichtkleurige capuchon. Bovendien werd op 2 juli 2017 nabij de plaats van aanhouding in de bosjes waaruit verdachte tevoorschijn kwam een zwarte jas met blauwe bovenzijde en blauwe mouwen aangetroffen. Van de bemonstering van deze jas is een DNA-profiel verkregen dat is vergeleken met DNA-profielen uit de Nederlandse DNA-databank. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte deze jas heeft gedragen.

Daarnaast blijkt uit de historische verkeersgegevens dat de telefoon van verdachte op 16 juni 2017 tussen 4:15 en 4:34 uur, dus vlak vóór- en nadat de poging tot diefstal rond 4:24 uur plaatsvond, een zendmast aanstraalt in de directe omgeving van de Dirk van den Broek . In zijn algemeenheid kan er van worden uitgegaan dat een telefoon niet door een ander dan de eigenaar bij zich wordt gedragen. De rechtbank heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden die maken dat in dit geval behoort te worden getwijfeld of verdachte degene is geweest die zijn telefoon voorhanden had. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte op die momenten in de directe omgeving van de Dirk van den Broek was. Verdachte heeft voor deze aanwezigheid geen verklaring gegeven.

Gelet op deze grote gelijkenis tussen de door de bestuurder gedragen opvallende combinatie van kledingstukken en de door verdachte gedragen combinatie van kledingstukken, in samenhang met de aanwezigheid van verdachte ten tijde van het delict in de directe omgeving van de plaats delict, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de bestuurder van de betreffende auto was.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden aangemerkt als medepleger. Verdachte vervoerde in de Nissan Qasqhai de gereedschappen die zijn gebruikt bij de inbraak. Terwijl de mededaders de winkel binnengaan, wacht verdachte in de auto op de rijbaan voor de winkel. Op de camerabeelden is verder te zien dat verdachte op enig moment uit de auto stapt, richting zijn mededaders in de supermarkt loopt en weer terug naar de auto loopt. Hij positioneert de auto goed door een stukje achteruit te rijden. De medeverdachten leggen uiteindelijk de gereedschappen terug in de auto. Verdachte rijdt weg en de mededaders rennen weg in tegengestelde richting van de auto. Verdachte heeft, naast het aan- en afvoeren van de inbrekerswerktuigen, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, op de uitkijk gestaan, en getracht de opsporing te bemoeilijken door met de inbrekerswerktuigen in een andere richting te rijden dan de richting waar zijn medeverdachten heenrenden. De rechtbank ziet hierin aanwijzingen voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden niet relevant wie de ten laste gelegde feitelijke handelingen (het slaan met een moker op de toegangsdeur, het schoppen en trappen tegen de toegangsdeur en het uitoefenen van geweld op het rolluik) heeft gepleegd. Het voorgaande levert een totaalbeeld op van een samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Allen hebben een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het onder feit 2 ten laste gelegde delict.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal door middel van braak, in vereniging met anderen.

Ten aanzien van feit 1 (ramkraak Pearle opticien 2 juli 2017)

Verdachte is ’s nachts rond 05:00 uur, kort na de melding van de ramkraak, aangehouden in de buurt van de achtergelaten Nissan Qashqai die voor de ramkraak is gebruikt. Verdachte kwam volgens verbalisanten uit de bosjes gerend en vertelde dat hij aan het hardlopen was. In de bosjes troffen verbalisanten vervolgens een jas aan, waar DNA van verdachte op bleek te zitten. De telefoon van verdachte heeft tussen 4:28 uur en 4:37 uur een zendmast nabij de Pearle opticien aangestraald.

Het voorgaande brengt een behoorlijke verdenking van betrokkenheid bij de ramkraak van verdachte met zich, maar is volgens de rechtbank nog niet voldoende om bewezen te verklaren dat verdachte die ramkraak heeft gepleegd. De rechtbank is echter van oordeel dat met behulp van schakelbewijs wél voldoende bewijs voorhanden is. De rechtbank licht dat hieronder toe.

Als de feitelijke gang van zaken ten aanzien van twee aparte strafbare feiten heel erg op elkaar lijkt, kan de betrokkenheid van een verdachte bij het ene feit worden gebruikt als bewijs voor het andere feit. Dit wordt schakelbewijs genoemd. Hiervoor is vereist dat er belangrijke overeenkomsten zijn op essentiële punten. In dat geval maakt de gelijke modus operandi (de handelwijze) het zeer waarschijnlijk dat het ene feit (in dit geval feit 1) op eenzelfde manier heeft plaatsgevonden als het andere feit (in dit geval feit 2).

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de feitelijke gang van zaken ten aanzien van feit 1 en feit 2 dusdanig met elkaar overeenstemt, dat het bewijs dat verdachte één van de daders is van feit 1 mede volgt uit het bewijs voor feit 2. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. In beide gevallen is gebruik gemaakt van dezelfde Nissan Qashqai en in beide gevallen is er een link te leggen met een trainingsbroek met rode strepen en een donkere jas met blauwe accenten. Daarnaast is er in beide gevallen sprake van (mimimaal) drie daders, waarbij twee daders zich niet door middel van de Nissan Qasqhai verplaatsen. Ook wordt er in beide gevallen grof geweld gebruikt om binnen te komen. Tot slot zijn de plaatsen delict dicht bij elkaar gelegen, hebben de inbraken tussen 4 uur en 5 uur ’s ochtends plaatsgevonden, en hebben de inbraken in een tijdsbestek van ongeveer twee weken plaatsgevonden.

Nu de kenmerken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zoveel overeenkomsten vertonen, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met braak door met een auto op de pui van de winkel in te rijden.

Ten aanzien van feit 3 (diefstal auto)

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de verdediging, ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een auto in vereniging met anderen en overweegt hiertoe als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie kan het aantreffen van een persoon in het bezit van een gestolen goed, betrekkelijk korte tijd nadat dit goed is gestolen, terwijl een aannemelijke verklaring daarvoor ontbreekt, leiden tot wettig en overtuigend bewijs dat deze persoon zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van dat goed. Verdachte en zijn medeverdachten hebben op 16 juni 2017 omstreeks 4:25 uur een gestolen auto gebruikt voor het plegen van een poging tot inbraak in een supermarkt. Uit het dossier blijkt dat, ondanks dat het exacte tijdstip van de diefstal van de auto aan de [straatnaam] te [plaats] niet kan worden vastgesteld, de poging tot inbraak binnen een redelijk korte termijn na de diefstal van de auto heeft plaatsgevonden. De auto was immers op 15 juni 2017 omstreeks 23:30 uur door de aangever geparkeerd. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de auto nog geen vijf uur later gebruikt bij de poging tot inbraak bij de Dirk van den Broek . Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. De rechtbank acht gelet op het zeer korte tijdbestek tussen de diefstal van de auto en het moment van de poging tot inbraak, het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte voor het voorhanden hebben van die auto en de uitvoerige mate van samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal samen met zijn medeverdachten heeft gepleegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 2 juli 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een filiaal van Pearle opticiens (vestiging: [vestiging] ) heeft weggenomen een grote hoeveelheid (ongeveer 65), merk zonnebrillen, toebehorend aan Pearle opticiens (vestiging: [vestiging] ), waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot voornoemd filiaal hebben verschaft door middel van braak op de voorpui van voornoemd filiaal, immers zijn hij, verdachte, en zijn mededaders meermalen met een auto op voornoemde voorpui ingereden;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 16 juni 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een filiaal van supermarkt Dirk van den Broek (vestiging [vestiging] ) weg te nemen sigaretten, toebehorend aan voornoemde supermarkt en zich daarbij de toegang tot die supermarkt te verschaffen en die weg te nemen sigaretten onder hun bereik te brengen door middel van braak op een toegangsdeur en een rolluik van voornoemd filiaal, opzettelijk met zijn mededaders, naar voornoemde supermarkt is toegegaan, waarna hij, verdachte, en zijn mededaders:

  • -

    meermalen met een moker, op voornoemde deur hebben geslagen en

  • -

    meermalen tegen voornoemde deur hebben getrapt en geschopt ten gevolge waarvan een gat is ontstaan in de toegangsdeur van voornoemd filiaal en

  • -

    meermalen geweld hebben uitgeoefend op een rolluik in voornoemd filiaal;

ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde:

op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Nissan Qashqai, kenteken [kenteken] ), toebehorend aan [naam 1] en/of [naam 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan zijn onder 3 besproken verweer ex artikel 359a Sv subsidiair de conclusie verbonden dat dit tot strafvermindering dient te leiden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich midden in de nacht samen met anderen schuldig gemaakt aan een brute ramkraak op een winkel van Pearle Opticiens . De winkel was gelegen op de begane grond van een appartementencomplex. Bij deze ramkraak is gebruik gemaakt van een personenauto, die door verdachte en zijn medeverdachten kort daarvoor was gestolen om bij de ramkraak te kunnen gebruiken. Voorts heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak bij supermarkt Dirk van den Broek , gelegen tussen woningen.

Dit soort inbraken levert grote schade op aan de winkelpanden, terwijl ook de weggenomen goederen een hoge economische waarde vertegenwoordigden. Bovendien zorgen dergelijke inbraken bij winkeliers en omwonenden voor gevoelens van onveiligheid en onmacht. Het is voor hen immers nauwelijks mogelijk zich tegen deze vorm van criminaliteit te beveiligen. Ook in de maatschappij in bredere zin wekken deze brutale inbraken gevoelens van onrust en onveiligheid op. Tot slot geldt ook voor de eigenaar van de gestolen auto dat hij door het handelen van verdachte en zijn mededaders is gedupeerd. Ook hier was het handelen van verdachte slechts ingegeven door financieel gewin zonder dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen.

Verdachte heeft de feiten begaan ondanks de omstandigheid dat hij reeds meerdere malen ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld tot onder meer gevangenisstraffen, zoals blijkt uit zijn strafblad. Gelet hierop en in aanmerking genomen de ernst van de feiten acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden passend.

Anders dan door de raadsman bepleit, leidt het eerder genoemde onherstelbare vormverzuim in de verbalisering van een getuigenverklaring niet tot strafvermindering. De rechtbank betrekt daarbij dat het daadwerkelijk door verdachte geleden nadeel onvoldoende is onderbouwd. Ook zonder rekening te houden met het aangevulde signalement bestond er voldoende aanleiding om tot aanhouding van verdachte over te gaan. Los daarvan was ter terechtzitting duidelijk dat en in hoeverre de verbalisering van de verklaring van de getuige onjuist is geweest, zodat in die zin geen sprake is van een oneerlijk proces. De rechtbank is van oordeel dat het vormverzuim niet tot voordeel voor verdachte aangaande de op te leggen straf dient te leiden. De rechtbank volstaat dan ook bij de enkele constatering van sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Aangezien de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij haar eigen oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, is, hoewel de rechtbank meer bewezen acht dan de officier van justitie, de op te leggen straf lager dan door de officier van justitie is gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijk voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op het grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van de mobiele telefoon, merk Samsung (goednummer 5411520).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. H.E. Spruit en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 januari 2018.