Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1905

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
AMS 17/4247
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt het Uwv niet in zijn stelling dat voor de vraag in welke lidstaat iemand werkt alleen gekeken moet worden naar waar iemand zijn werkzaamheden fysiek verricht. Dit standpunt valt niet uit de Verordening of de jurisprudentie af te leiden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2018 in de zaak tussen

[de vrouw] , te [woonplaats] (België), eiseres, hierna: [de vrouw]

( [gemachtigde] ),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, hierna: het Uwv

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Met het besluit van 24 maart 2017 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aan [de vrouw] toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 1 april 2016 tot en met 28 februari 2017 ingetrokken en de betaalde uitkering van haar teruggevorderd.

Met het besluit van 8 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [de vrouw] ongegrond verklaard.

[de vrouw] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 27 november 2017.

[de vrouw] was op de zitting aanwezig, samen met haar gemachtigde en haar echtgenoot [de man] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De aanleiding tot deze procedure

1. [de vrouw] en [de man] wonen in België vlak over de Nederlandse grens. Tot 1 april 2016 was [de vrouw] voor 32 uur werkzaam voor [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) te Eindhoven. Op 1 maart 2016 heeft [de vrouw] in Nederland een WW-uitkering aangevraagd. Op haar aanvraag heeft ze aangegeven dat zij voor 32 uur werkloos is geworden en dat zij voor 8 uur nog werkzaam is in Nederland als grensarbeider in het bedrijf van [de man] .

2. Met het besluit van 15 maart 2016 heeft het Uwv aan [de vrouw] per 1 april 2016 een WW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft daarbij aangegeven dat als er niets in de situatie van [de vrouw] verandert, zij recht heeft op een WW-uitkering tot en met 31 maart 2018.

3. In het kader van een onderzoek naar fraude in de groep grensarbeiders die in het buitenland wonen, maar nog gedeeltelijk in Nederland werken, heeft het Uwv onderzoek gedaan naar [de vrouw] . De resultaten van dit onderzoek zijn door een themaonderzoeker van de afdeling Handhaving van het Uwv vastgelegd in een verslag van 28 februari 2017.

4. Uit het onderzoeksverslag blijkt onder meer dat [de vrouw] sinds 1 april 2006 werkzaam is bij [bedrijf 2] , het bedrijf van haar echtgenoot [de man] . Het bedrijf staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op het [adres] te Geldrop (Nederland), maar heeft als correspondentieadres het woonadres van [de vrouw] en [de man] te [woonplaats] (België). [de vrouw] is het enige personeelslid van het bedrijf en verzorgt de gehele boekhouding. [de vrouw] heeft tijdens het onderzoek verklaard dat zij deze werkzaamheden verricht vanuit haar huis in België en dat zij voor haar werk niet in Nederland komt. Omdat alles digitaal gebeurt, ziet zij ook geen noodzaak om haar werk in Geldrop te doen. Verder heeft ze aangegeven dat zij er altijd vanuit is gegaan dat zij in Nederland werkt omdat [bedrijf 2] een Nederlands bedrijf is, de klanten in Nederland zitten, het bedrijf in Nederland belastingaangifte doet en het bedrijf vanuit Nederland is opgestart.

De besluiten van het Uwv

5. Met het primaire besluit heeft het Uwv de WW-uitkering van [de vrouw] met terugwerkende kracht per 1 april 2016 ingetrokken en de ontvangen bedragen aan WW-uitkering van haar teruggevorderd. Het Uwv heeft daarbij meegedeeld dat [de vrouw] nog een brief ontvangt over het bedrag dat zij moet terugbetalen en hoe en wanneer zij moet terugbetalen. Het Uwv heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat [de vrouw] bij haar WW-aanvraag heeft aangeven dat zij in Nederland werkt voor [de man] , maar dat uit onderzoek is gebleken dat zij in België werkt en voor dat werk al 11 jaren niet meer in Nederland komt. Omdat zij in België woont, had zij volgens internationale regels haar WW-uitkering in België moeten aanvragen. Tegen dit besluit heeft [de vrouw] bezwaar gemaakt.

6. Met het besteden besluit heeft het Uwv het bezwaar van [de vrouw] ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [de vrouw] in bezwaar heeft aangevoerd dat zij voor haar werk bij [bedrijf 2] minimaal een keer per week naar Nederland komt. Daarmee komt zij terug op haar eerdere verklaring. Met haar bezwaarschrift heeft [de vrouw] bewijsstukken meegestuurd, te weten; facturen van de eerste vier maanden van 2017 verzonden naar het vestigingsadres van het bedrijf in Nederland, afleverbonnen van de eerste vier maanden van 2017, pakbonnen van geleverde goederen waaruit blijkt dat de geleverde goederen worden geleverd op het vestigingsadres in Nederland en een opgestelde kilometerregistratie. Het Uwv is echter van mening dat deze stukken niet bewijzen dat zij voor haar werk bij [bedrijf 2] minimaal een keer per week in Nederland komt. [de vrouw] heeft haar gewijzigde verklaring daarmee onvoldoende onderbouwd. Voor het Uwv staat vast dat [de vrouw] voor [bedrijf 2] niet in Nederland werkt, maar in België. Het is niet relevant of de werkgever in Nederland gevestigd is en waar die werkgever belastingaangifte doet. [de vrouw] deed en doet haar werkzaamheden vanuit haar huis in België. Dit maakt dat zij per 1 april 2016 wel gedeeltelijk werkloos is. Omdat zij de overgebleven werkzaamheden voor [bedrijf 2] echter niet in Nederland verricht, is er volgens het Uwv geen recht op een WW-uitkering vanuit Nederland.

7. Op 20 juli 2017 heeft het Uwv (naar de rechtbank begrijpt) nogmaals een besluit genomen waarbij de WW-uitkering van [de vrouw] vanaf 1 april 2016 wordt herzien en een bedrag van € 14.776,33 van haar wordt teruggevorderd. Met een apart besluit van 20 juli 2017 heeft het Uwv aan [de vrouw] een boete opgelegd van € 5.467,-, te weten 50% van het benadelingsbedrag.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak gaat om de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van [de vrouw] met terugwerkende kracht heeft herzien en de ontvangen bedragen aan WW-uitkering van haar heeft teruggevorderd. Het gaat in deze zaak dus niet om de vraag of het Uwv al dan niet terecht een boete heeft opgelegd aan [de vrouw] .

9. Artikel 65, eerste lid, van de Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (de Verordening) luidt:

De gedeeltelijke of door onvoorziene omstandigheden werkloos geraakte werkloze die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde, moet zich ter beschikking van zijn werkgever of van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de bevoegde lidstaat stellen. Hij heeft recht op uitkering volgens de wetgeving van de bevoegde lidstaat alsof hij in die lidstaat woonde. Deze uitkering wordt door het orgaan van de bevoegde lidstaat verleend.

Het tweede lid luidt:

De volledig werkloze, die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde en in die lidstaat blijft wonen of ernaar terugkeert, stelt zich ter beschikking van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat waar hij woont. Onverminderd de toepassing van artikel 64 mag een volledig werkloze zich daarnaast ter beschikking stellen van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat waar hij zijn laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, heeft verricht.

Een werkloze die geen grensarbeider is en die niet terugkeert naar de lidstaat van zijn woonplaats, stelt zich ter beschikking van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat aan de wetgeving waarvan hij het laatst onderworpen was.

10. Uit de hiervoor weergegeven coördinatiebepalingen volgt dat de volledig werkloze grensarbeider zich moet wenden tot het uitvoeringsorgaan van de lidstaat waar hij woont. Dit volgt ook uit het arrest in de zaak Jeltes e.a. (kenmerk C-443/11) van 11 april 2013, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HvJEU:2013: BZ8003. Op grond van het tweede lid van artikel 65 van de Verordening kan [de vrouw] , ook als zij als volledig werkloos moet worden aangemerkt, gebruik maken van de diensten van arbeidsbemiddeling in Nederland, zodat rekening is gehouden met de mogelijkheid dat haar kansen op re-integratie in het beroepsleven in Nederland groter zijn dan in België. Gelet op het arrest Jeltes, – en met name rechtsoverweging 32 van dat arrest – betekent dat echter niet dat [de vrouw] op grond van artikel 65, tweede lid, van de Verordening ook aanspraak kan maken op een werkloosheidsuitkering van Nederland. Dit is alleen anders als [de vrouw] per 1 april 2016 moet worden aangemerkt als gedeeltelijk werkloos in de zin van artikel 65, eerste lid, van de Verordening. In dat geval is het Nederlandse orgaan bevoegd een werkloosheidsuitkering te verstrekken.

11. [de vrouw] voert aan dat zij als gedeeltelijk werkloos moet worden aangemerkt omdat zij naast haar ontslag bij VDB Advocaten nog 8 uur per week werkt voor het in Nederland gevestigde bedrijf [bedrijf 2] . [de vrouw] stelt in dit verband dat zij voor dit werk minimaal eens per week in Nederland komt. In beroep heeft [de vrouw] deze stelling met verschillende verklaringen van klanten van [bedrijf 2] onderbouwd. Het Uwv betwist niet dat [de vrouw] gedeeltelijk werkloos is omdat ze nog een dienstverband heeft. Het Uwv is van mening dat [de vrouw] per 1 april 2016 volledig werkloos is geworden in Nederland. Het Uwv heeft zich in dit verband op de zitting op het standpunt gesteld dat niet van belang is waar [bedrijf 2] gevestigd is, maar dat bepalend is waar [de vrouw] feitelijk haar werkzaamheden verricht. Het Uwv houdt [de vrouw] in dit verband aan haar eerdere verklaring dat zij haar werkzaamheden voor [bedrijf 2] vanuit haar woonadres in België verricht.

12. De rechtbank volgt het Uwv niet in zijn stelling dat voor de vraag in welke lidstaat iemand werkt alleen gekeken moet worden naar waar iemand zijn werkzaamheden fysiek verricht. Dit standpunt valt niet uit de Verordening of de jurisprudentie af te leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de vestigingsplaats van een bedrijf op zichzelf ook niet voldoende om werken in een lidstaat aan te nemen. In het geval van [de vrouw] geldt echter dat [bedrijf 2] niet alleen in Nederland gevestigd is, maar ook dat de klanten van het bedrijf in Nederland zitten en het bedrijf in Nederland belastingaangifte doet. Daar komt bij dat [de vrouw] op de zitting heeft uitgelegd dat zij voor haar werk inlogt op een werkdomein in Nederland. Niet valt in te zien waarom in de huidige digitale tijd het inloggen op een werkdomein in een lidstaat onder de genoemde omstandigheden niet kan worden aangemerkt als werken vanuit die lidstaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de vrouw] per 1 april 2016 als gedeeltelijk werkloos in de zin van artikel 65, eerste lid, van de Verordening moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zij wel recht heeft op een WW-uitkering uit Nederland over de periode dat zij gedeeltelijk werkloos was en dat de WW-uitkering ten onrechte is ingetrokken. Het beroep is dan ook gegrond. Dit betekent dat ook de terugvordering geen stand kan houden en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Aangezien het gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit ook kleeft aan het primaire besluit, zal de rechtbank, zelf voorziend, het primaire besluit herroepen.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan [de vrouw] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door [de vrouw] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

15. [de vrouw] heeft verder een beroep gedaan op vergoeding van verletkosten en reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting op 27 november 2017. De verletkosten van [de vrouw] ter hoogte van € 115,36 komen op grond het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Op grond artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit komen ook reiskosten van een partij (dus alleen de reiskosten van [de vrouw] ) voor vergoeding in aanmerking. Voor de reiskosten geldt het tarief van artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. De hoogte van dit tarief is gelijk aan de hoogte van de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse. De rechtbank stelt de vergoeding voor reiskosten vast op 2x een enkele reis ten bedrage van € 22,59 = € 45,18.

16. Op grond van artikel 8:36 van de Awb komen de kosten van een getuige die door een partij zelf is ingeschakeld voor rekening van de partij zelf. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van de getuige te betrekken bij de proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt;

  • -

    draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [de vrouw] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [de vrouw] tot een bedrag van € 1.162,54.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dit moet u doen binnen zes weken nadat de uitspraak is verzonden.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.