Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1874

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
13-751065-18 RK 18-661
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verweer ten aanzien van artikel 12 Overleveringswet.

De rechtbank stelt vast dat op grond van de verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman niet fysiek aanwezig was tijdens de terechtzitting en dus niet ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd.

Anders dan artikel 12 OLW, gebruikt artikel 4 bis Kaderbesluit niet het begrip ‘ter terechtzitting’, maar het begrip ‘op het proces’. Het begrip ‘ter terechtzitting’ moet kaderbesluitconform worden uitgelegd. Volgens het Hof van Justitie moet onder het begrip ‘proces (dat tot de beslissing heeft geleid)’ worden verstaan de ‘procedure (die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, onherroepelijk is veroordeeld)’ (zie laatstelijk HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 64).

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is, want uit de gegevens blijkt dat:

- de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces (dat wil zeggen de voorgenomen procedure)

- de opgeëiste persoon zijn raadsman schriftelijk heeft gemachtigd

- de raadsman weliswaar heeft afgezien van zijn aanwezigheid op de zittingen,

- maar de raadsman de opgeëiste persoon daadwerkelijk – zij het schriftelijk – in de procedure (dus ‘op het proces’) heeft verdedigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751065-18

RK nummer: 18/661

Datum uitspraak: 29 maart 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 januari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2017 door the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division, Polen, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedatum] 1987,

niet ingeschreven in de Basisregistratie personen, laatst bekende adres:
[adres] , [plaats] ,

gedetineerd in het [adres detentie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.T. Pittau, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een ‘cumulative judgement’, gewezen door the Regional Court in Bydgoszcz, gedateerd 29 juni 2017, III K 32/17.

Dit samengesteld vonnis behelst:

1 een samengesteld vonnis van the Regional Court in Bydgoszcz van 20 mei 2016,
III K 54/16en dit laatste samengestelde vonnis behelst op zijn beurt:
a) een vonnis van the Local Court in Żnin van 31 juli 2012, II K 140/12

b) een vonnis van the Regional Court in Bydgoszcz van 29 november 2013, III K 32/12
c) een vonnis van the Regional Court in Bydgoszcz van 20 juni 2015, III K 139/14.

2. een vonnis van the Local Court in Żnin van 31 maart 2016, II K 48/16

3. een vonnis van the Local Court in Żnin van 18 mei 2016, II K 110/16

4. een vonnis van the Local Court in Żnin van 2 augustus 2011, II K 136/11.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf jaren, drie maanden en twintig dagen.

Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd samengesteld vonnis van the Regional Court in Bydgoszcz, gedateerd 29 juni 2017, III K 32/17.

Dit samengesteld vonnis betreft de zeven feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het EAB vermeldt het volgende:

III K 32/17:
‘The person did not appear in person for the hearing on 29 June 2017 where Regional Court in Bydgoszcz rendered the cumulative judgement dated 29 June 2017 in the case with the file number III K 32/17.

de oproeping/dagvaarding om op 25 mei 2017 te verschijnen is op 2 mei 2017 betekend aan de moeder van de opgeëiste persoon (adult member of the household). Voorts vermeldt het EAB dat ‘a public defender appointed for him by the Court was properly informed of the hearing date’.


Op 31 mei 2017 heeft de moeder van de opgeëiste persoon de oproeping opgehaald voor de ‘hearing’ op 29 juni 2017.


The public defender was verhinderd en heeft verzocht schriftelijk (a written request) for cumulation of the imprisonment penalties (met een beroep op the rule of concurrence of sentences). Noch de opgeëiste persoon, noch de raadsman verscheen vervolgens op deze zitting.


Op 29 juni 2017 is een afschrift van het cumulative judgement naar het adres van de opgeëiste persoon gezonden, maar dit werd tot twee keer toe niet opgehaald, waarna het is teruggezonden naar the Regional Court.

En overigens bevat het EAB de volgende informatie:

III K 54/15 ( de rechtbank leest : III K 54/16)

Op 26 april 2016 heeft de opgeëiste persoon persoonlijk de dagvaarding/oproeping opgehaald voor de zitting op 20 mei 2016. Hij verscheen echter niet op de zitting.

II K 140/12:
de opgeëiste persoon was aanwezig op de zitting van 31 juli 2012. Diezelfde dag is uitspraak gedaan en is de opgeëiste persoon veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf.

III K 32/12:
de opgeëiste persoon was aanwezig op de zitting van 29 november 2013, diezelfde dag is uitspraak gedaan en is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

III K 139/14:
de opgeëiste persoon was aanwezig op de zitting van 29 juni 2015, de volgende dag is uitspraak gedaan en is de opgeëiste persoon veroordeeld tot twee vrijheidsstraffen, van respectievelijk één jaar en zes maanden en drie jaar en zes maanden.

II K 48/16:
Op 9 maart 2016 heeft de opgeëiste persoon persoonlijk de oproeping/dagvaarding afgehaald voor de zitting op 31 maart 2016. Op de zitting verscheen hij niet. Vergeefs is twee keer getracht het vonnis te betekenen. Dit kwam retour. Hij heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

II K 110/16:
De opgeëiste persoon heeft op 26 april 2016 de oproeping persoonlijk afgehaald. Hij kwam niet op de zitting van 17 mei 2016 en er is vergeefs getracht het vonnis van 18 mei 2016 aan hem te betekenen.

II K 136/11:

De opgeëiste persoon was aanwezig op de zitting van 2 augustus 2011.

Nagekomen informatie

Uit de informatie van the District Court in Bydgoszcz van 12 maart 2018 blijkt het volgende.


Ten aanzien van de zaak bekend onder registratienummer III K 32/17: er is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 juni 2017. Het vonnis is op 6 juli 2017 onherroepelijk geworden.
De opgeëiste persoon heeft een raadsman van eigen keuze gemachtigd. Deze raadsman heeft een schriftelijke machtiging, getekend door de opgeëiste persoon, overgelegd. Onbekend is of de opgeëiste persoon voorafgaand aan de procedure contact had met zijn raadsman.
De raadsman is niet aanwezig geweest op de zittingen van 25 mei 2017 en 29 juni 2017, maar was op correcte wijze opgeroepen. Gebleken is dat deze raadsman de oproepingen voor beide zittingen steeds in persoon heeft ontvangen.
De raadsman heeft een schriftelijke verklaring gedateerd 27 juni 2017 ingediend, waarbij hij verzocht heeft om buiten zijn aanwezigheid een cumulatief vonnis te wijzen.

Standpunt raadsman
De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW.
Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon zijn aanwezigheidsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Hij ontkent een raadsman te hebben gemachtigd en ontkent dat hij van de zittingen in de zaak III K 32/17 (cumulatief vonnis) op de hoogte is geweest. In elk geval staat vast dat een (eventueel) gemachtigd raadsman niet ter zitting het woord heeft gevoerd.

Een verzetgarantie of een garantie op een behandeling in hoger beroep is niet verstrekt.

Standpunt officier van justitie
De overlevering kan worden toegestaan. Uit de laatste informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit (brief van 12 maart 2018) blijkt dat de raadsman door de opgeëiste persoon zelf is gemachtigd en dat deze raadsman op de hoogte is geweest van de zittingen in de zaak III K 32/17. De zaak is in een schriftelijke procedure afgedaan De weigeringsgrond van artikel 12 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 4bis, eerste lid en onder b van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt als volgt:

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het EAB voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het EAB is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

(…)


b) de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op dat proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd.

Artikel 12, aanhef, onder b OLW luidt als volgt:

Overlevering wordt niet toegestaan indien het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het EAB is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van [de] uitvaardigende lidstaat:

(…)


b: de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting ontkend dat hij een raadsman heeft gemachtigd om namens hem zijn verdediging te voeren. Deze enkele ontkenning is echter onvoldoende om het vertrouwen aan te tasten dat de rechtbank stelt in de informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB en in de aanvullende informatie heeft verstrekt. De rechtbank gaat dan ook aan deze verklaring van de opgeëiste persoon voorbij.

De rechtbank stelt vast dat op grond van de verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman niet fysiek aanwezig was tijdens de terechtzitting en dus niet ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd.

Anders dan artikel 12 OLW, gebruikt artikel 4 bis Kaderbesluit niet het begrip ‘ter terechtzitting’, maar het begrip ‘op het proces’. Het begrip ‘ter terechtzitting’ moet kaderbesluitconform worden uitgelegd. Volgens het Hof van Justitie moet onder het begrip ‘proces (dat tot de beslissing heeft geleid)’ worden verstaan de ‘procedure (die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, onherroepelijk is veroordeeld)’ (zie laatstelijk HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 64).

De rechtbank stelt vast dat bedoelde weigeringsgrond niet aan de orde is, want uit de gegevens blijkt dat:

  • -

    de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces (dat wil zeggen de voorgenomen procedure)

  • -

    de opgeëiste persoon zijn raadsman schriftelijk heeft gemachtigd

  • -

    de raadsman weliswaar heeft afgezien van zijn aanwezigheid op de zittingen,

  • -

    maar de raadsman de opgeëiste persoon daadwerkelijk – zij het schriftelijk – in de procedure (dus ‘op het proces’) heeft verdedigd.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

III K 139/14, tweede feit:
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.

Het feit valt op deze lijst onder nummer 27, te weten: verkrachting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

III K 54/16 (cumulative judgement):

II K 140/12:
a) opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen
III K 32/12:

b) overtreding van artikel 11 Wegenverkeerswet 1994.

III K 139/14, eerste feit:
medeplegen van mishandeling en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen

II K 48/16:
2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen

II K 110/16:
3. zware mishandeling,

II K 136/11:
4. eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 267, 277, 282, 300, 302, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht, 11 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en N. Rozemond, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.