Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1808

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
13/684213-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bedreiging, mishandeling, deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684213-17

Datum uitspraak: 14 maart 2018 (mondeling uitspraak)

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2018, waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Ketting, naar voren hebben gebracht.

Tevens is als deskundige van het NIFP aanwezig en gehoord R.S. Turk, psycholoog.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat:

  1. hij op 30 april 2017 in Amsterdam [persoon] heeft mishandeld door haar aan haar haren vast te pakken en/of vast te houden en/of te trekken en/of te rukken en/of met een mes in/tegen rechterzijde van de romp en/of onder de rechterborst te prikken en/of te snijden;

  2. hij op 30 april 2017 in Amsterdam [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door haar opzettelijk dreigend een mes te tonen en/of voor te houden en/of een mes tegen de rechterzijde van de romp van voornoemde [persoon] heeft gedrukt en/of vastgehouden en/of daarbij dreigend heeft gezegd dat hij voornoemde [persoon] zou steken;

  3. hij in de periode van 29 april 2017 tot en met 30 april 2017 in Amsterdam [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting door onder meer dreigend tegen haar te zeggen: “Of jij sterft nu alleen of je sterft door mijn fucking mes in je heupen, hoor je mij”, “Ik ben in staat om jou dingen aan te doen ja maar dat zie ik wel als ik bij je ben geen excuus kom je nooit van me af. Ik sloop jou en al je vrienden” en “Ik neuk jou en [naam] en wie dan ook hoer ik blijf hier de buren mogen het horen als de smeris komt maak ik het nog erger hoer hoor je mij”;

  4. hij op 1 juni 2016 in Amsterdam geprobeerd heeft [persoon] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar met haar hoofd tegen een dashboardkastje en/of een dashboard te slaan en/of te duwen, tegen haar lichaam te schoppen en/of te trappen, op grond/straat te laten vallen en door haar over de grond/straat te slepen en/of te sleuren. Dit is subsidiair ten last gelegd als de mishandeling van [persoon] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

[persoon] (hierna: aangeefster) heeft op 30 april 2017 aangifte gedaan van de ten laste gelegde feiten 1 en 2. Deze aangifte wordt ondersteund door foto’s. De verbalisant constateert dat het lijkt alsof er met een mes is gesneden, in elk geval dat haar een mes is voorgehouden.

Wat betreft feit 3, de bedreiging, bekent verdachte dat hij in zijn boosheid die teksten heeft geschreven. In samenhang met de rest van het dossier komen die teksten bedreigend over.

Feit 4 speelt zich af in juni 2016. Het lijkt alsof het letsel is ontstaan door de aandoening van aangeefster, maar het is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Er wordt een blauwe plek gezien en er is een hersenschudding bij aangeefster geconstateerd en bij binnenkomst in het ziekenhuis zit zij onder het bloed. Daarnaast bevat het dossier nog de verklaring van de dochter van aangeefster, de aangifte zelf en de verklaring van verdachte over het ontstaan van de situatie en het wegtrekken van zijn been waardoor aangeefster is gevallen.

3.2

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak voor alle ten laste gelegde feiten bepleit, met uitzondering van feit 3 (de bedreiging).

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 is er volgens haar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte vertelt een ander verhaal dan aangeefster. Daarnaast ondersteunen de foto’s de aangifte niet, zijn er geen getuigen geweest en is er geen letselverklaring.

Ten aanzien van feit 4 is er geen opzet geweest op zware mishandeling. Verdachte heeft zijn been weggetrokken en aangeefster is gevallen. Aangeefster en verdachte hebben beiden een ander verhaal en de verklaring van de dochter van aangeefster is niet geheel betrouwbaar. Zo heeft zij bijvoorbeeld verklaard dat haar moeder nog nooit is flauwgevallen, terwijl artsen hebben aangegeven dat aangeefster bekend is met wegrakingen. Tot slot heeft geen enkele arts iets verklaard over kneuzingen of letsel dat bij de verklaring van aangeefster zou passen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak voor feit 1, feit 2 en feit 4 primair

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 4 primair. Zij overweegt daartoe als volgt.

De mishandeling en bedreiging op 30 april 2017 (feiten 1 en 2)
Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 30 april door verdachte is bedreigd met een keukenmes. Hij zou dit mes ook tegen de rechterzijde van haar romp hebben gehouden en aan haar haren hebben getrokken. Wanneer zij aangifte doet bij de politie, schrijft de politieagent op dat hij ziet dat aangeefster een plek aan de rechterkant van haar gezicht aanwijst waar geen haar meer zit. De plek is ongeveer 2 centimeter bij 2 centimeter. Ook zijn er een dag later foto’s gemaakt van de plek waar aangeefster verklaarde een pluk haar te missen en van de plek waar zij een kleine verwonding onder haar rechterborst zou hebben, omdat het mes haar daar geraakt zou hebben. Verdachte heeft verklaard dat er ruzie was om een telefoon, maar dat hij geen mes had en dat hij ook niet aan de haren van aangeefster heeft getrokken.

De rechtbank vindt dat op basis van de in het dossier aanwezige foto’s niet kan worden geconcludeerd dat er een pluk haar uit het hoofd van aangeefster is getrokken en dat zij onder haar rechterborst een steekwondje heeft. Hoewel de politieagent aan de rechterkant van het gezicht van aangeefster een plek heeft waargenomen waar geen haar zit, hoeft dit niet te betekenen dat dit is veroorzaakt op de wijze zoals aangeefster heeft geschetst. Omdat er geen andere bewijsmiddelen voor de verklaring van aangeefster over de mishandeling en bedreiging zijn, komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring.

De poging tot zware mishandeling op 1 juni 2016 (feit 4 primair)
Volgens aangeefster heeft verdachte haar op 1 juni 2016 geprobeerd zwaar te mishandelen door haar onder meer met haar hoofd tegen het dashboardkastje te slaan, haar te schoppen, haar op straat te laten vallen en haar over straat te slepen. Dit gebeurde nadat zij in de auto ruzie hadden gekregen. Aangeefster kreeg het hierna zo benauwd dat zij uiteindelijk in het ziekenhuis is opgenomen op de intensive care. Zij lijdt namelijk aan ernstige astma.

Verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat er inderdaad ruzie was en dat aangeefster een astmatische aanval kreeg. Hierdoor is verdachte gekalmeerd en heeft hij geprobeerd aangeefster zo snel mogelijk naar het ziekenhuis te brengen. Verdachte heeft bekend dat hij, toen aangeefster tegen hem aan leunde, zijn been heeft weggetrokken waardoor zij is gevallen.

De rechtbank vindt dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat die als ondersteuning kunnen dienen voor de verklaring van aangeefster op de hiervoor genoemde punten. De dochter van aangeefster heeft verklaard dat zij in het ziekenhuis een kneuzing in het gezicht van haar moeder zag. De aanwezigheid van deze kneuzing blijkt echter niet uit de medische verklaringen van de intensive care-afdeling en de longafdeling van het ziekenhuis, en een letselverklaring ontbreekt.

Het op de grond laten vallen van aangeefster door zijn been weg te trekken – hetgeen verdachte heeft bekend – kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling.

3.3.2

Veroordeling voor feit 3 en feit 4 subsidiair

De rechtbank zal verdachte veroordelen voor de feiten 3 en 4 subsidiair en neemt daartoe het volgende in overweging.

De bedreiging (feit 3)
Verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 29 april 2017 tot en met 30 april 2017 bedreigende teksten en ingesproken berichten via Whatsapp naar aangeefster heeft gestuurd. Verbalisant [verbalisant] heeft de berichten uitgeluisterd en uitgeschreven. Hierbij heeft hij de stem van verdachte herkend, omdat hij hem eerder op de dag als verdachte had gehoord.

De mishandeling (feit 4 subsidiair)
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat aangeefster tegen zijn been aan het rijden was en dat hij toen zijn been wegtrok. Aangeefster is toen op de grond gevallen. In het ziekenhuis blijkt enkele dagen later dat zij een contusio cerebi, oftewel een hersenschudding, heeft.

Verdachte heeft tijdens de terechtzitting ook verklaard dat het hem, toen hij zijn been wegtrok, niet kon schelen als aangeefster daardoor op de grond zou vallen. Hiermee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster door het wegtrekken van zijn been op de grond zou vallen en hierdoor pijn of letsel zou oplopen, zoals ook is gebeurd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 3

in de periode van 29 april 2017 tot en met 30 april 2017 te Amsterdam [persoon] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met verkrachting, door voornoemde [persoon] telefonisch en via Whats app berichten dreigend de woorden toe te voegen:

- "Ik hoop dat je kankerhoerenkind er is, ik neuk hem in ze kont, hoor je mij hoertje, ik neuk hem in ze kont, vandaag ik rijd jou open" en
- "Dan ga ik alles even goed regelen vandaag met je. Maar geloof me, ja, je kan mij niet weghouden bij de deur" en
- "Dat ga ik ook even uit je halen" en
- "Ik kan niks meer zeggen. Bijkomen en dan kom ik bij je oorlog vandaag schat, oorlog. Ik zweer je hoertje wat ik met jou ga doen" en
- "Ik ben zo kalm het is gewoon eng. Je gaat wat meemaken vandaag nog hoor je me" en
- "Dood hoor je me hij wordt je dood" en
- "Jij gaat lijden" en
- "Of jij sterft nu alleen of je sterft door mijn fucking mes in je heupen. Hoor je mij" en
- "Alles komt hoertje als jij nu niet alleen dood gaat hoop ik dat je stikt ik hoop dat je benauwd bent ja kom ik zo meteen even met je rellen" en
- "Als jij vandaag niet sterft he alleen dan kom ik vandaag zorgen dat je sterft, hoor je mij teef" en
- "Echt hoer dood ga jij ik zweer het op alles wat me lief is, vieze smerige hoer vieze smerige kankerhoer je gaat dood" en
- "Ik zweer het op alles vieze hoer dat je bent, op je knieën vandaag en excuses vragen" en
- "Ik neuk jou en [naam] en wie dan ook hoer ik blijf hier de buren mogen het horen als de smeris komt maak ik het nog erger hoer hoor je me" en
- "Je gaat het echt afleren geloof mij. Vandaag ga ik wraak nemen op alles" en
- "Ik trap vannacht je deur in als ik terug ben" en
- "Ik zweer het op alles wat me lief is jongen. Als jij niet in mij gezicht komt staan en met fucking tranen in je ogen om vergiffenis vraagt rel ik jou" en
- "Ik ben in staat om jou dingen aan te doen ja maar dat zie ik wel als ik bij je ben geen excuus kom je nooit van me af. Ik sloop jou en al je vrienden";

Feit 4

op 1 juni 2016 te Amsterdam zijn levensgezel [persoon] heeft mishandeld door voornoemde [persoon] op de grond te laten vallen.

5 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen gevorderd waarvan 96 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft tevens gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen overeenkomstig het rapport van Reclassering Inforsa van 13 maart 2018.

7.2

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft een lagere straf bepleit dan door de officier van justitie is gevorderd. Zij is het wel eens met het opleggen van bijzondere voorwaarden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een bedreiging. Dit zijn twee kwalijke feiten waardoor aangeefster angst is aangejaagd en zij letsel heeft opgelopen.

Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft het psychologisch Pro Justitia rapport van 20 oktober 2017, opgemaakt door R.S. Turk, bestudeerd. Daaruit blijkt onder meer dat verdachte een 42-jarige man is met een waarschijnlijk laaggemiddelde intelligentie die lijdt aan een depressieve stoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis en polymiddelenafhankelijkheid. De stoornissen hangen sterk met elkaar samen en houden zichzelf ook in stand. De borderline persoonlijkheidsstoornis leidt tot een vorm van emotieregulatie die depressiviteit in de hand werkt. Verdachte zoekt naar roesmiddelen om het bestaan dragelijker te maken, maar dat maakt hem niet sterker. De middelenafhankelijkheid verslechtert de stemming en verlaagt de draagkracht. Een en ander maakt dat betrokkene krenkbaar en kwetsbaar is. Hij kan woedend worden als hij het idee heeft niet serieus te worden genomen. Wanneer bewezen wordt geacht dat verdachte zijn vriendin heeft mishandeld, wordt geadviseerd hem op grond van deze stoornissen als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het tenlastegelegde. De stoornissen maken dat verdachte impulsief kan reageren en zo woedend kan worden dat hij niet meer weet wat hij doet. Er is sprake van een verhoogd recidiverisico, maar dit is te verlagen door verdachte te behandelen voor zijn stoornissen. Een integrale aanpak in de vorm van een dubbel-diagnose-traject verdient de voorkeur. Dit traject is gericht op mensen die naast middelenafhankelijkheid te maken hebben met psychische of psychiatrische problemen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Inforsa van 13 maart 2018, opgemaakt door M. Staphorst. Hieruit blijkt dat verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis onder toezicht staat van de reclassering. Dit toezicht verloopt redelijk: verdachte stelt zich begeleidbaar op, is goed bereikbaar en houdt zich over het algemeen aan de gemaakte afspraken. Daarnaast is verdachte aangemeld voor ambulante behandeling bij het Fact van Inforsa. De verwachting is dat deze behandeling op korte termijn zal worden gestart. Hierbij zal ook aandacht zijn voor praktische problemen die verdachte heeft, zoals de schuldenproblematiek. Tot slot is verdachte aangenomen voor een opname bij de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) in Zuidlaren. In de kliniek zal worden gewerkt aan zowel de persoonlijkheidsproblematiek als de verslavingsproblematiek van verdachte.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij veel baat heeft bij de begeleiding van Inforsa en dat hij gemotiveerd is voor een behandeling. Ook gebruikt hij minder drugs en alcohol en is hij van plan om hier helemaal mee te stoppen. Hij heeft sinds juli 2017 geen contact meer met aangeefster. Het enige wat hem niet lekker zit, is een opname in een gedwongen kader. Verdachte is het namelijk niet eens met de diagnose die de deskundige heeft gesteld.

De straf
De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de reclassering over en concludeert dat verdachte baat heeft bij begeleiding en behandeling door de reclassering. Het is in het belang van verdachte dat hij blijft werken aan zichzelf en zijn problematiek en dat hij hierbij alle hulp krijgt die kan worden geboden. De rechtbank zal daarom een grotendeels voorwaardelijke straf aan verdachte opleggen, waarbij het voorwaardelijke gedeelte met name dient als steun voor verdachte om de behandeling en begeleiding voort te zetten. Op grond van de overige aangedragen persoonlijke omstandigheden en de genoemde rapporten wordt verdachte daarom veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 27 (zevenentwintig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De rechtbank zal daaraan koppelen de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsrapport van Reclassering Inforsa van 13 maart 2018, te weten een meldplicht bij Reclassering Inforsa, een behandelverplichting bij Fact, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een opname bij de Forensische Psychiatrische Afdeling in Zuidlaren of een soortgelijke instelling, een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 3 en 4, subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 3

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en verkrachting meermalen gepleegd

Feit 4

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 27 (zevenentwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  1. zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich melden bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] . Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Inforsa bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Inforsa gedurende deze perioden nodig acht;

  2. wordt verplicht zich te laten behandelen voor zijn psychiatrische en verslavingsproblematiek bij het Fact van Reclassering Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het zorgaanbod is beschikbaar op het moment dat de proeftijd zal starten. Binnen het ambulant behandeltraject kan een kortdurende klinische opname plaatsvinden ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek. Veroordeelde wordt hiertoe verplicht voor de duur van maximaal zeven weken als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  3. wordt verplicht om, indien dit door de kliniek of de toezichthouder wordt geïndiceerd, in een begeleid wonen of in de maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  4. wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen bij de Forensische Psychiatrische Afdeling te Zuidlaren of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. Het zorgaanbod is drie maanden na het starten van de proeftijd beschikbaar;

  5. wordt verboden contact te (laten) leggen met [persoon] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  6. wordt verboden om zich op [adres 3] , [plaats 2] te bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2018.

[...]