Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1794

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
13/679009-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 WVW 1994. Het enkele niet waarnemen van een overstekende voetvanger door de bestuurder van een personenauto is een ernstige verkeersfout, maar onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6. Bewezen artikel 5 en 163 lid 6 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/679009-17

Datum uitspraak: 27 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.H.L. Kneepkens naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij op 12 februari 2016 te Amsterdam, op de kruising van de Burgemeester Roëllstraat met de Burgemeester Rendorpstraat een verkeersongeval heeft veroorzaakt door als bestuurder van een personenauto tegen voetganger [slachtoffer] te rijden. Voornoemde [slachtoffer] is daardoor ernstig gewond geraakt. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij toen en daar gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Onder 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek.

De integrale tekst van de tenlastelegging is als bijlage bij dit vonnis gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 12 februari 2016 omstreeks 13.10 uur heeft op de kruising van de Burgemeester Roëllstraat met de Burgemeester Rendorpstraat te Amsterdam een ongeval plaatsgevonden, waarbij een personenauto en een voetganger waren betrokken. Verdachte was de bestuurder van de personenauto. Hij kwam uit de richting van de Slotermeerlaan en reed in de richting van de Rijksweg A10. De voetganger kwam uit de richting van de Burgemeester Hogguerstraat en stak schuin het kruisingsvlak van voornoemde kruising over in de richting van de tramhalte. Verdachte wordt onder meer verweten dat hij bij groen licht, maar met een te hoge snelheid en onder invloed van softdrugs, voornoemde kruising is opgereden en niet heeft gezien dat de voetganger al rennend voornoemde kruising schuin wilde oversteken. Hierdoor is een aanrijding ontstaan tussen de door verdachte bestuurde auto en de voetganger. Als gevolg van dit ongeval heeft de voetganger, [slachtoffer] , meerdere botbeuken en een gescheurde milt opgelopen.

De rechtbank dient te beoordelen of dit ongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer [slachtoffer] aan de schuld - in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 - van verdachte te wijten is. Subsidiair is aan de orde de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Daarnaast is aan de orde de vraag of de verdachte op 12 februari 2016 om 15.42 uur heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere, in artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen. Hij heeft de voetganger die de kruising van rechts naar links wilde oversteken niet gezien. Hoewel verdachte groen licht had, heeft hij gelet op de situatie ter plaatse te hard gereden. Daar komt bij dat verdachte een paar uur voor het ongeval heeft geblowd. Het slachtoffer was er aanvankelijk slecht aan toe. Hij heeft 15 dagen in het ziekenhuis gelegen, waarvan 6 dagen in coma. Een maand na het ongeval, tijdens zijn verhoor, ging het beter maar hij herinnert zich niets meer van het ongeval. Gelet op de voorhanden zijnde stukken over het letsel kan zwaar lichamelijk letsel niet worden bewezen, maar wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering van de normale bezigheden is ontstaan. Verdachte heeft na het verkeersongeval niet zijn medewerking verleend aan het bloedonderzoek. De consequenties daarvan zijn aan hem uitgelegd door een hulpofficier van justitie en een arts en door te weigeren heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, dat verdachte van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 ten laste dient te worden vrijgesproken.

Het is niet aan de schuld van de verdachte te wijten dat een ongeval heeft plaatsgevonden. Er was voor verdachte geen sprake van een verkeerssituatie die noopte tot extra voorzichtigheid en/of oplettendheid omdat hij zich niet op een rijbaan bevond waar rekening moest worden gehouden met afslaand verkeer van of naar rechts. Zijn weg was vrij en zijn verkeerslicht was groen. Het gedrag van het slachtoffer heeft in grote mate bijgedragen een het ontstaan van het ongeval. Het slachtoffer heeft het risico genomen om het voor hem geldende rode licht te negeren en al rennend en niet over het zebrapad, de kruising diagonaal over te steken. Voor verdachte kwam het slachtoffer vanuit het niets de weg oprennen. Hij heeft de voetganger niet op de stoep kunnen zien door een rij bussen en auto’s op de rechter rijbaan. Er bestaat geen causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeluk, zodat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte betwist dat hij onder invloed was van THC ten tijde van het ongeluk en dat hij niet meer tot behoorlijk besturen in staat kon worden geacht. Er is ook geen enkel bewijs voor bijkomende omstandigheden als glazig kijken, niet reageren op ander verkeer of een langzaam of verminderd reactievermogen. Verdachte heeft niet tijdig kunnen remmen, omdat de voetganger vanuit het niets kwam. Er kan niet worden bewezen dat verdachte met een snelheid heeft gereden die hoger was dan de geldende maximumsnelheid dan wel die hoger lag dan wat veilig was voor het verkeer ter plaatse.

In deze zaak is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, een ongeluk. Er is geen sprake geweest van een gedraging die gevaarzettend gedrag in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert.

Van een weigering van het bloedonderzoek (feit 2) is geen sprake. Verdachte heeft angst voor prikken en hij heeft vandaag ter zitting verklaard dat hij een daartoe strekkende verklaring van zijn huisarts naar de politie heeft gebracht. Verdachte stelt zich bovendien op het standpunt dat hij expliciet om een urinetest heeft verzocht en dat hem dit is geweigerd, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Feit 1

Op 12 februari 2016 heeft op de kruising van de Burgemeester Roëllstraat met de Burgemeester Rendorpstraat te Amsterdam een ongeval plaatsgevonden, waarbij een personenauto en een voetganger waren betrokken. Verdachte was de bestuurder van de personenauto. Hij kwam uit de richting van de Slotermeerlaan en reed in de richting van de Rijksweg A10. De voetganger kwam uit de richting van de Burgemeester Hogguerstraat en stak, gezien vanuit verdachtes rijrichting van rechts naar links, schuin het kruisingsvlak van voornoemde kruising over2.

Zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van aanrijding misdrijf en wat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard bestaat de Burgemeester Roëllstraat voor voornoemde kruising uit drie rijbanen. Een baan is voor linksaf en twee banen zijn voor rechtdoor, waarbij de rechter rijbaan ook geldt voor verkeer dat naar rechts wil afstaan. Verdachte reed op de middelste rijbaan en had net als de rechter rijbaan groen licht. Verdachte had vrij baan en kon doorrijden. Op de rechter rijbaan stond een rij bussen en een lesauto. Door die bussen had verdachte niet continue zicht op de voetgangersoversteekplaats en het daardoor geldende verkeerslicht en kon verdachte niet goed zien of er iemand van rechts naar links wilde oversteken. De bussen en lesauto benamen hem daartoe het zicht. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij de kruising wilde oprijden 50 kilometer per uur reed3. Toen hij het kruispunt naderde leek het wel alsof er een bal op zijn auto werd gegooid. Verdachte zag niemand die probeerde over te steken. Toen de botsing gebeurde, probeerde hij wat uit te wijken naar links en heeft hij vol zijn rem ingetrapt4. Ter terechtzitting van 13 maart 2018 heeft verdachte verklaard dat het in een split seconde is gebeurd dat hij de jongen heeft geraakt. Verdachte was ten tijde van het ongeval een beginnen bestuurder. Hij heeft zijn rijbewijs sinds 15 december 2015.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018 verklaard dat hij enkele uren voor het verkeersongeval een paar trekjes van een joint heeft gerookt. Op 12 februari 2016 te Amsterdam vermoedde hulpofficier van justitie J.A. van der Velde dat verdachte onder invloed van een andere, in artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank, verkeerde. De verbalisant heeft verdachte gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet. De verdachte verleende daartoe geen toestemming. Om 15.42 uur heeft de verbalisant, in zijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, waarbij de verdachte is meegedeeld dat een weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel, omdat hij bang was om geprikt te worden5. Ook nadat een in het politiebureau aanwezige arts de procedure aan verdachte heeft uitgelegd, volhardde verdachte bij zijn weigering6.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke verkeersvoorschriften niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 19947.

Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de enkele omstandigheid dat een verdachte een verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien - hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte zijn rijgedrag daarom moet hebben kunnen afstemmen - niet kan volgen dat hij zich 'aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen' als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 19948.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak zowel onder 1 primair als subsidiair is ten laste gelegd dat sprake is van een strafrechtelijk verwijtbare verkeersgedraging.

Van een bestuurder van een auto mag in beginsel worden verwacht dat hij in staat is om de auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien. Als verdachte daar niet toe in staat is, is dat verwijtbaar, tenzij bijzondere omstandigheden daaraan in de weg staan. Van zulke omstandigheden is niet gebleken. Daarvoor is in elk geval niet voldoende dat de voetganger op die plaats en op dat moment de kruising niet mocht oversteken. De bestuurder van een auto moet er altijd rekening mee houden dat andere weggebruikers, onder wie voetgangers, zich niet aan de verkeers- of gedragsregels houden en daarop moet hij kunnen anticiperen. Zeker als bij het naderen van een kruising het zicht op eventueel overstekende voetgangers wordt belemmerd door overig verkeer in de vorm van voorgesorteerde voertuigen.

Dat verdachte zich er niet (voldoende) van heeft vergewist dat op voornoemde kruising een voetganger wilde oversteken, omdat verdachte groen licht had, is door hem ook niet betwist.

Hoewel verdachte en zijn vriendin hebben verklaard dat verdachte enkele uren voor het verkeersongeval heeft geblowd, ontbreekt het bewijs dat verdachte onder invloed van een zodanige stof heeft gereden. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat verdachte met een snelheid heeft gereden die hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid.

Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het enkele niet waarnemen van een voetganger weliswaar als een ernstige verkeersfout kan worden aangemerkt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn, maar deze verkeersfout acht de rechtbank onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden gemaakt is niet gebleken en daarom zal verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde overtreding.

3.4.3.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat geen sprake is geweest van een weigering van het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Zoals blijkt uit het proces-verbaal rijden onder invloed en het proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2016 was er voldoende reden voor een verdenking in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en kon het bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek aan verdachte worden gegeven. De verdachte is vervolgens herhaaldelijk, ook in het bijzijn van een arts, op de consequenties van zijn weigering gewezen. De angst voor prikken is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer een voldoende reden om te weigeren, te meer nu verdachte bij de politie en ook ter zitting niet ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven om welke bijzondere geneeskundige redenen hij een bloedonderzoek onwenselijk achtte. Een urineonderzoek komt pas aan de orde in het geval een bloedonderzoek vanwege een geneeskundige reden niet kan worden verricht. Voor zover daar al sprake van was is het verzoek om een urineonderzoek gedaan op een moment dat niet meer aan zo’n onderzoek kon worden voldaan.

Een verklaring van de huisarts had duidelijkheid kunnen verschaffen over de reden tot het weigeren van het bloedonderzoek, maar die verklaring ontbreekt in het dossier en de rechtbank ziet na afweging van alle belangen, waaronder die van de voortgang van het onderzoek, geen aanleiding om het onderzoek ter zitting daarvoor aan te houden te meer nu verdachte ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij wil dat de zaak wordt afgedaan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

1. subsidiair

op 12 februari 2016 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Burgemeester Roëllstraat zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Burgemeester Roëllstraat, komende uit de richting van de Slotermeerlaan en gaande in de richting van de Rijksweg A10,

terwijl verdachte beginnend bestuurder was en

verdachte heeft, gekomen bij de kruising van de Burgemeester Roëllstraat met de Burgemeester Rendorpstraat, gereden met een snelheid die hoger was voor een veilig verkeer ter plaatse,

verdachte is bij groen licht de kruising over de linker rijstrook voor het rechtdoor gaande verkeer opgereden en heeft zich hierbij niet voldoende vergewist dat voornoemde kruising vrij was van enig kruisend verkeer,

verdachte heeft vervolgens niet afgeremd en is niet uitgeweken voor een voetganger, zijnde [slachtoffer] , die doende was voornoemde kruising, gezien verdachtes rijrichting van rechts naar links, over te steken,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden.

2.

op 12 februari 2016 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto, te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid van genoemde wet bedoelde stof dan wel

alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen en een ontzegging van bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee ernstige verkeersovertredingen, zoals hiervoor bewezen is verklaard

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt gevaarlijk gedrag in het verkeer en de op te leggen straf dient dan ook met name gerelateerd te zijn aan de mate van gevaarzetting en niet zozeer aan de ernst van de gevolgen. Daarnaast heeft de verdachte na het verkeersongeval geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Door aldus te handelen heeft de verdachte de controle gefrustreerd op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 12 februari 2018 geen first offender is als het gaat om verkeersovertredingen. Daarentegen heeft verdachte ter zitting laten blijken dat hij erg geschrokken is van het verkeersongeval en dat zijn rijgedrag hierdoor is beïnvloed. Als zelfstandig ondernemer brengt verdachte postpakketten weg voor Post.nl en heeft hij zijn rijbewijs nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het overtreden van de artikelen 5 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994 is een lagere straf op zijn plaats dan door de officier van justitie gevorderd. Alles overwegende acht de rechtbank na te noemen strafoplegging passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 2

Overtreding van artikel 163 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Feit 1 subsidiair

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Feit 2

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2018.

[bijlage]

1 [bijlage]

2 [bijlage]

3 [bijlage]

4 [bijlage]

5 [bijlage]

6 [bijlage]

7 [bijlage]

8 [bijlage]