Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1757

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
13.752.210-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen.

Gedeeltelijke weigering o.b.v. artikel 12 OLW nu vragen van het IRC hieromtrent niet genoegzaam zijn beantwoord.

Niet is gebleken van een verband tussen de aan het EAB ten grondslag liggende vonnissen en de recente, zorgelijke ontwikkeling in Polen.

Geen sprake is van een reëel gevaar van een flagrante schending van de aan de opgeëiste persoon toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest.

Geen aanleiding de procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van door het Ierse High Court te stellen prejudiciële vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752.210-17

RK nummer: 17/8323

Datum uitspraak: 27 maart 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 december 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2017 door Sąd Okręgowy w Lublinie (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. Landsman, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft op voormelde datum het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit informatie te verkrijgen over de vraag of de opgeëiste persoon in hoger beroep zijn verdedigingsrechten conform artikel 12 OLW heeft kunnen uitoefenen.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de zitting van 13 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn verlengd waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van

  1. een vonnis van the District Court in Łuków van 12 augustus 2014, met kenmerk:
    II K 1194/13 en

  2. een vonnis van the District Court in Łuków van 21 maart 2016 met kenmerk:

II K 527/15.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van

  1. zes maanden en

  2. twee jaren,

door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Van deze straf resteert volgens het EAB nog:

  1. zes maanden en

  2. één jaar, elf maanden en 28 dagen.

De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Vonnis 1, kenmerk: II K 1194/13

De raadsman heeft verzocht om aanhouding van de behandeling nu uit het EAB noch de aanvullingen sluitend volgt wat het vonnis van 21 augustus 2014 (II K 1194/13), dan wel de omzettingsbeslissing van 31 januari 2017, exact inhoudt. Er is daarom nadere informatie vereist, om uit te sluiten dat de aard noch de maat van de aanvankelijk uitsproken straf is gewijzigd.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het EAB, onderdeel F, duidelijk volgt dat de oorspronkelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk is opgeschort met een proeftijd van drie jaar en dat bij de omzettingsbeslissing van 31 januari 2017 is beslist dat voornoemde straf ten uitvoer moet worden gelegd. Van onduidelijkheid omtrent de aard of de hoogte van de straf is dan ook geen sprake. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af.

4.2

Vonnis 2, kenmerk: II K 527/15

Uit onderdeel D2 van het EAB volgt dat ten aanzien van vonnis 2 (II K 527/15) door de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld en dat dit heeft geleid tot een beslissing van 30 augustus 2016 van the Provincial Court in Lublin, XI Appeal Division, met kenmerk: XI Ka 458/16, waarbij het vonnis in eerste aanleg is bekrachtigd (upheld).

Op 15 februari 2018 is de behandeling aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit informatie te verkrijgen over de vraag of de opgeëiste persoon bij deze procedure in hoger beroep zijn verdedigingsrechten ingevolge artikel 12 OLW heeft kunnen uitoefenen. Hierover waren door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 2 februari 2018 al de volgende vragen gesteld:

I would like you to provide me with the following information.

1) With regard to the judgment issued by the court of Lublin on the 30th of August 2016 (ref. XI Ka 458/16): did the court at issue made a final ruling on the guilt of the person concerned and imposed a penalty on him, such as a custodial sentence, following an assessment, in fact and in law of the incriminating and exculpatory evidence, including, where appropriate, the taking account of the individual situation of the person concerned? In other words, has the Provincial Court of Lublin in this verdict finally ruled on the guilt of the person concerned and has a penalty been imposed on him, following a re-examination in fact and in law, of the merits of the case?

2) If yes, could you please fill in and return the form attached to this email for the trials resulting in the aforementioned judgment of the Court of Lublin.

Omdat een reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit uitbleef, is op 16 februari 2018 door het IRC de volgende vraag gesteld:

I would like you to provide me with the following information.

1) With regard to the judgment issued by the court of Lublin on the 30th of August 2016 (ref. XI Ka 458/16) could you please fill in and return the form attached to this email for the trials resulting in the aforementioned judgment of the Court of Lublin.

Op 6 maart 2018 is door de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere het volgende geantwoord:

In accordance with the files of the case of Regional Court in Łukόw (…) in the case II K 527/15 the appeal from the judgment to the court of higher instance was lodged by [opgeëiste persoon] on 26.04.2016. The appeal was admitted and the files of the case were sent to the court of appeal. On 13.06.2016 the court of higher instance (court of appeal) sent the notification on scheduling the date of the appeal hearing for 30.08.2016. This notification was received by [opgeëiste persoon] on 21.06.2016. But he did not appear for the date of the court hearing, his presence was not mandatory. The court of higher instance, after the examination of the appeal lodged by the above mentioned person, adjudged that “the appealed judgment is upheld” This judicial decision cannot be appealed from. Given the above judgment of the court of first instance that is of Regional Court in Łukόw which was issued in the case II K 527/15, became final and is subject to execution. Therefore the condition of Section D item a and d of the European Arrest Warrant with reference number IV Kop 178/17 has been met as [opgeëiste persoon] knew about the scheduled date of the court hearing as a result of which the judicial decision was passed which he received and he lodged the appeal in statutory time and he also knew of the scheduled date of the appeal hearing for which he did not appear.

4.3

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Op basis van de in het EAB aanwezige informatie en de nagezonden informatie kan niet worden vastgesteld dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Het is onduidelijk wat de notificatie en de ontvangst daarvan heeft ingehouden. Het door het IRC meegezonden kruisjesformulier is niet ingevuld en de geschreven tekst in de aanvulling van 6 maart 2018 is onvoldoende duidelijk, aldus de raadsman.

4.4

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon, die zelf hoger beroep heeft ingesteld, op 21 juni 2016 de oproep voor de procedure in hoger beroep in ontvangst heeft genomen; “on 13.06.2016 the court of higher instance (court of appeal) sent the notification on scheduling the date of the appeal hearing for 30.08.2016. This notification was received by [opgeëiste persoon] on 21.06.2016.” De weigeringsgrond van artikel 12 geldt daarom ook niet ten aanzien van vonnis 2, aldus de officier van justitie.

4.5

Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de door het IRC gestelde vragen over de gang van zaken in hoger beroep, waarbij tot twee keer toe uitdrukkelijk is verzocht om het meegestuurde (kruisjes)formulier zoals bedoeld in sectie D van het EAB in te vullen, door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet genoegzaam zijn beantwoord, mede in aanmerking genomen dat voornoemd formulier niet ingevuld is teruggestuurd. Dat een oproep voor de zitting in hoger beroep door de opgeëiste persoon was received, is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer voldoende om te kunnen vaststellen dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Nu is gebleken dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling in hoger beroep, terwijl onvoldoende informatie is verkregen om te kunnen beoordelen of zich één van de in artikel 12 sub a tot en met d OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, dient de overlevering voor vonnis 2 (II K 527/15) te worden geweigerd op grond van dit artikel.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit met betrekking tot vonnis 1 (II K 1194/13) niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen

6 Dreigende schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven en onder verwijzing naar overgelegde producties, betoogd dat – gezien de huidige situatie in Polen – niet kan worden volgehouden dat het vertrouwen in het Poolse rechtssysteem, in de Poolse democratie, zoals de rechtbank recent heeft bevonden onaangetast is. Een meerderheid van het Europese Parlement heeft het vertrouwen in Polen bovendien opgezegd. Het rechtssysteem in Polen voldoet op dit moment niet (meer) aan de eisen van een rechtstaat. Of de zogenaamde artikel 7-procedure het gewenste effect zal hebben, ligt niet in de lijn der verwachting en kan niet worden afgewacht. Het risico dat inwilliging van het overleveringsverzoek tot een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon zal leiden is evident en daarom onacceptabel. Overleveringen naar Polen moeten, tot nader order, tot doorgevoerde verbeteringen zijn geëffectueerd, worden uitgesteld, opgeschort of geweigerd. Er dient, in de woorden van de raadsman, een signaal te worden afgegeven door de rechtbank. Subsidiair moet de behandeling van onderhavig overleveringsverzoek worden aangehouden in afwachting van vragen die vandaag door het Ierse High Court zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) en die voortkomen uit de zorgelijke situatie in Polen, aldus de raadsman.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zou moeten aansluiten bij haar uitspraak van 18 januari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:222), waarin is geoordeeld dat bij de huidige stand van zaken niet kan worden geoordeeld dat overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen tot een schending van de grondrechten van die persoon, in het bijzonder artikel 47 Handvest, zal leiden. In die zaak betrof het bovendien een zogenaamd vervolgings-EAB, terwijl onderhavig EAB ziet op de tenuitvoerlegging van in het verleden opgelegde straffen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen. De ernst hiervan wordt onder andere geïllustreerd door de zogeheten artikel 7-procedure die binnen EU-verband is gestart en door de nieuwe aanbeveling inzake de rechtsstaat die de Europese Commissie tot Polen heeft gericht. De rechtbank heeft daarbij kennis genomen van de uitspraak van het Ierse High Court van 12 maart 2018 waarin is beslist om in een overleveringszaak - ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek in Polen - prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU over de gevolgen van de recente Poolse wetswijzigingen voor de overlevering aan Polen. Onderhavig overleveringsverzoek ziet, anders dan deze beslissing, op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, die reeds zijn opgelegd bij voornoemde vonnissen uit 2014 en 2016. Niet is gebleken van een verband tussen deze vonnissen en de recente, zorgelijke ontwikkeling in Polen. De rechtbank overweegt dat onder deze omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat bij overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen sprake is van een reëel gevaar van een flagrante schending van de aan hem toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest. In het licht van dit oordeel zal de rechtbank het verweer verwerpen. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding de procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van door het Ierse High Court te stellen prejudiciële vragen.

8 Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot vonnis 2 (II K 527/15) in het licht van artikel 12 OLW, wordt de overlevering hiervoor geweigerd.

Ten aanzien van vonnis 1 (II K 1194/13) is vastgesteld dat is voldaan aan de eisen van artikel 2 OLW, terwijl ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. De overlevering dient ten aanzien van dit vonnis te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

10 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het vonnis van the District Court in Łuków van 21 maart 2016 met kenmerk:

II K 527/15 (vonnis 1).

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy w Lublinie (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, zoals opgelegd bij het vonnis van the District Court in Łuków van 12 augustus 2014, met kenmerk: II K 1194/13 (vonnis 2).

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum voorzitter,

mrs. C. Klomp en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 27 maart 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.