Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1718

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
13/674195-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 51-jarige man is veroordeeld tot 200 uur taakstraf omdat hij op 13 juni vorig jaar met te veel alcohol op een aanvaring op de Amstel veroorzaakte waarbij een van de opvarenden dodelijk gewond raakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674195-17

Datum uitspraak: 26 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 12 maart 2018 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte is niet verschenen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, mr. F.P. Slewe.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.E. Woudman, en van wat de raadsman van verdachte, mr. F.P. Slewe, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1

dood door schuld door op 13 juni 2017 te Ouderkerk aan de Amstel onder invloed van alcohol en zonder ervaring een vaartuig te besturen en onder die omstandigheden met hoge snelheid een brug te naderen terwijl het vaartuig daar niet onderdoor kon met als gevolg dat [slachtoffer] bekneld is geraakt tussen het vaartuig en de brug en hij daardoor zwaar lichamelijk letsel opliep waaraan hij is overleden;

en/of

het als bestuurder van een schip niet nemen van alle voorzorgsmaatregelen die volgens goed zeemanschap waren geboden, immers heeft verdachte zonder ervaring een vaartuig bestuurd onder invloed van alcohol en onder die omstandigheden met hoge snelheid een brug genaderd, terwijl de boot daar niet onderdoor kon met als gevolg dat [slachtoffer] bekneld is geraakt tussen het schip en de brug en hij daardoor zwaar lichamelijk letsel opliep waaraan hij is overleden;

feit 2:

een varend schip besturen onder invloed van alcohol.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten. Uit het schouwverslag blijkt dat de dood van het slachtoffer te wijten is aan de aanvaring met de brug. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van het ongeval bestuurder was van het schip. Nergens blijkt uit dat het slachtoffer aan verdachte toen en daar aanwijzingen gaf, zodat kan worden aangenomen dat verdachte zelfstandig de boot bestuurde. Gelet op het proces-verbaal van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , was de brug te laag om te passeren. Uit het dossier is niet op te maken dat verdachte zijn snelheid heeft geminderd toen hij de brug naderde. De aanvaring kan zijn gebeurd onder toezicht van het slachtoffer, maar verdachte is, als degene die het vaartuig feitelijk bestuurde, eindverantwoordelijk voor de bewegingen die de boot op dat moment maakt. . Degene die vaart is verantwoordelijk en niet kan worden uitgesloten dat het ongeval is gebeurd doordat verdachte onder invloed was van alcohol. Verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid als schipper niet genomen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn schriftelijke pleitnotitie, kort gezegd, naar voren gebracht dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

De schipper is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van het Binnenvaartpolitiereglement. Uit het dossier blijkt dat het schip onder gezag stond van het slachtoffer en was hij degene die het schip voerde. In de zin van het Binnenvaartpolitiereglement was het slachtoffer op het moment van het ongeluk de schipper van het schip [naam schip] . Ten tijde van het ongeluk bestuurde verdachte het schip, stond het slachtoffer direct links naast hem en bestuurden zij in feite samen de boot. Verdachte bepaalde niet zelfstandig de koers en de snelheid van het schip waardoor hij niet kan worden beschouwd als bestuurder. Hieruit volgt dat verdachte niet de schipper en ook niet de bestuurder was van het schip en dient vrijspraak te volgen.

Verder was verdachte op zijn hoogst licht aangeschoten, was voor een dergelijk schip geen vaarbewijs nodig en is de exacte vaarsnelheid op het moment van het ongeluk niet vastgesteld. Het slachtoffer heeft op het laatste moment nog geprobeerd om de boot in zijn achteruit te zetten en is hiervoor opgestaan. Dat valt verdachte niet te verwijten. Uit al deze feiten en omstandigheden volgt dat verdachte misschien onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld, maar dit kan niet als “grovelijk” dan wel “aanmerkelijk” worden gekwalificeerd, waardoor ook om die reden vrijspraak dient te volgen van dood door schuld en ook van het cumulatief dan wel alternatief ten laste gelegde feit onder 1.

Voorts wordt ten laste gelegd dat verdachte onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen waardoor het slachtoffer is overleden. Deze feitelijke omschrijving stemt onvoldoende overeen met de delictsomschrijving van artikel 1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement. Dit verzuim dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder was van het vaartuig [naam schip] . Verdachte heeft zelf verklaard dat hij tijdens het ongeval de leiding had bij het besturen van de boot. Verdachte stond achter het stuur, kon de gashendel bedienen en kon daarom de feitelijke koers en de feitelijke snelheid van het schip bepalen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij zag dat de brug erg laag was, heeft geroepen dat iedereen moest bukken. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat verdachte niet kan worden aangemerkt als bestuurder nu op grond van zijn verklaring en zijn gedragingen en uit de uiterlijke verschijningsvorm hiervan, is gebleken van het tegendeel.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte ten tijde van het besturen van het vaartuig onder invloed van alcohol verkeerde en dat hij mede daardoor als bestuurder van het vaartuig aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, hetgeen de dood van [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij drie halve liters bier had gedronken en daarnaast is uit het ademanalyseonderzoek gebleken dat het alcoholgehalte van verdachte op dat moment 555 microgram per liter uitgeademde lucht betrof. Uit de door de bootverhuur verstrekte informatiemap blijkt dat duidelijk in het Duits is omschreven dat het varen onder invloed van alcohol het risico van een ongeval verhoogd en niet is toegestaan. Het is bovendien algemeen bekend dat alcohol een negatieve invloed heeft op het reactie-, inschattings- en beoordelingsvermogen van de betreffende persoon. Verdachte is toch het vaartuig gaan besturen. Het is zijn verantwoordelijkheid om het roer niet over te nemen na het nuttigen van alcohol. Dat het slachtoffer wellicht ook alcohol zou hebben gedronken doet daar niet aan af. Vervolgens heeft verdachte kennelijk niet ingeschat dat de brug te laag was om onderdoor te kunnen varen. Het valt niet uit te sluiten dat verdachte deze inschattingsfout heeft gemaakt omdat hij onder invloed van alcohol verkeerde. Daar komt bij dat niet is gebleken dat verdachte bij het naderen van de betreffende brug snelheid heeft geminderd als ook dat hij geen ervaring had met het besturen van een vaartuig. Verdachte had in ieder geval de kans op levensgevaar kunnen en moeten beperken door tijdig zijn snelheid te verminderen, en door vervolgens te wachten totdat de brug voor hem werd geopend.

Verdachte is in de hoedanigheid van bestuurder van het vaartuig verplicht alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap zijn geboden om te voorkomen dat het leven van personen in gevaar zou worden gebracht, hetgeen verdachte heeft nagelaten. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte ter zake het onder feit 1 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In de tenlastelegging is weliswaar niet specifiek opgenomen welke gevolgen voorkomen dienden te worden, maar uit de tekst daarvan blijkt voldoende dat voorzorgsmaatregelen moesten worden genomen om te voorkomen dat het leven van personen in gevaar wordt gebracht.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 13 juni 2017 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen en Ouder-Amstel, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig als bestuurder van een vaartuig, [naam schip] , varend op de Amstel

-terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank en

-geen, althans onvoldoende ervaring had om een vaartuig te besturen

bij het naderen van de aldaar gelegen brug over de Amstel de snelheid van het vaartuig niet, althans onvoldoende heeft verminderd en heeft hij het vaartuig niet tijdig stilgelegd en heeft hij zich er niet van vergewist of de doorvaarhoogte van die brug voldoende was om onder door te varen en is hij vervolgens onder die brug doorgevaren, waarbij de bovenzijde van het vaartuig in botsing is gekomen met die brug en waardoor [slachtoffer] die naast verdachte op het vaartuig stond, met zijn bovenlichaam bekneld is geraakt tussen het vaartuig en die brug, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest die [slachtoffer] zodanig zwaar lichamelijk letsel, te weten een geheel of gedeeltelijk ingedrukte borstkas en een of meer afgescheurde bloedvaten in het hart- en longgebied, heeft bekomen dat die [slachtoffer] aan het ontstane bloedverlies is overleden

en

op 13 juni 2017 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen en Ouder-Amstel, als bestuurder van een vaartuig, [naam schip] , varend op de Amstel niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap en die door de omstandigheden waarin het schip zich bevond waren geboden, immers heeft hij, verdachte,

-terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank verkeerde en

-geen, althans onvoldoende ervaring had om een vaartuig te besturen

bij het naderen van de aldaar gelegen brug over de Amstel de snelheid van het vaartuig niet, althans onvoldoende verminderd en het vaartuig niet tijdig stilgelegd en zich er niet van vergewist of de doorvaarhoogte van die brug voldoende was om onder door te varen en is hij vervolgens onder die brug doorgevaren, waarbij de bovenzijde van het vaartuig in botsing is gekomen met die brug en waardoor [slachtoffer] die naast verdachte op het vaartuig stond, met zijn bovenlichaam bekneld is geraakt is tussen het vaartuig en die brug, waardoor die [slachtoffer] zodanig zwaar lichamelijk letsel, te weten een geheel of gedeeltelijk ingedrukte borstkas en een of meer afgescheurde bloedvaten in het hart- en longgebied, heeft bekomen dat die [slachtoffer] aan het ontstane bloedverlies is overleden;

ten aanzien van feit 2:

op 13 juni 2017 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen en Ouder-Amstel op een scheepvaartweg, te weten de Amstel, een varend vaartuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a van de Scheepvaartverkeerswet, 555 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf

5.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 en feit 2 moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

In het kader van de strafmaat heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2016:5622) en heeft daarmee de rechtbank erop gewezen dat kan worden volstaan met een taakstraf van 100 uur.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur. Hierbij zijn de volgende omstandigheden meegewogen.

De rechtbank stelt voorop dat op 13 juni 2017 een vreselijk ongeval heeft plaatsgevonden met fatale afloop voor het slachtoffer. Verdachte heeft onder invloed van alcohol voor het eerst een boot bestuurd en heeft onder die omstandigheden bij het naderen van een brug onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen en aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Door een verkeerde inschatting, door alcoholgebruik, onvoldoende ervaring en het niet verminderen van de snelheid, is de boot tegen de brug gebotst en is het slachtoffer tussen de boot en de brug bekneld geraakt. Het slachtoffer is aan zijn verwondingen overleden. Deze onvoorzichtigheid van verdachte heeft maximale gevolgen met zich gebracht en veroorzaakt groot leed bij de nabestaanden van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van voornoemde duur passend en geboden is. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank niet juist en verwijtbaar gehandeld. Bij de bepaling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank echter ook rekening met de aanzienlijke emotionele gevolgen van het feit voor verdachte. Verdachte zal het verlies van zijn vriend zijn leven lang mee moeten dragen. Verdachte heeft weliswaar een verkeerde inschatting gemaakt, maar heeft de gevolgen hiervan nooit gewild. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement en de artikelen 4, 27 en 31 van de Scheepvaartverkeerswet.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn

en

overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 4 van de Scheepvaartverkeerswet;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. R.H.G. Odink en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Leenstra en mr. A.E. van der Burg, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2018.