Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1701

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4734
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek tot registreren geboorteakte in de basisregistratie personen afgewezen / artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen / Ghana / rechtsgeldigheid geboorteakte / niet in geschil dat de geboorteakte is afgegeven door de daartoe bevoegde Ghanese autoriteiten / in beginsel uitgaan van de juistheid van de inhoud van de geboorteakte / verweerder heeft de juistheid van de inhoud van de geboorteakte niet onderzocht / beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.S. Bodha),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Ruijter).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om een geboorteakte in de basisregistratie personen (brp) te registreren afgewezen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en besluitvorming verweerder

1. Eiser, van Ghanese nationaliteit, staat ingeschreven in de brp als [eiser] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in Ghana. Deze gegevens zijn in de brp geregistreerd op basis van een Ghanees paspoort dat is afgegeven door de Ghanese ambassade in [plaatsnaam] (Spanje) op 21 augustus 2008. In verband met een aanvraag van eiser om de Nederlandse nationaliteit heeft eiser verweerder verzocht om een geboorteakte, die het resultaat is van een geboorteregistratie op 3 maart 2008 in Ghana (hierna: de geboorteakte), te registreren in de brp (hierna: het verzoek). Eiser heeft een op 5 februari 2016 gedateerd afschrift van die geboorteakte overgelegd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd, waarin het verzoek is afgewezen. Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, in samenhang met het verweerschrift en de toelichting op de zitting komt er op neer dat het niet aannemelijk is dat de geboorteakte rechtsgeldig is. Verweerder wijst er daarbij op dat de geboorteakte het resultaat is van een zeer late geboorteregistratie, namelijk op [datum] , 36 jaar na de geboorte van eiser. De geboorteakte is wel afgegeven door de bevoegde Ghanese autoriteiten en de daarin opgenomen naam, geboortedatum, geboorteplaats en -land wijken niet af van de persoonsgegevens die eiser heeft opgegeven bij binnenkomst in Nederland. Er is echter reden om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de geboorteakte, omdat naar Ghanees recht alleen de eerste geboorteregistratie rechtsgeldig is en latere geboorteregistraties niet als rechtsgeldig aangemerkt worden. Volgens verweerder moet er al eerder een geboorteregistratie in het Ghanese geboorteregister hebben plaatsgevonden. Eiser heeft namelijk zelf aangegeven dat hij al eerder, in 2001, een paspoort in bezit heeft gehad, dat hij is verloren. Bij een aanvraag om een paspoort in Ghana wordt ook een geboorte geregistreerd in het Ghanese geboorteregister. Hieruit volgt dat er in het geval van eiser een geboorteregistratie uit 2001 moet zijn. Gelet hierop is de geboorteregistratie op [datum] niet de eerste geboorteregistratie van eiser in het Ghanese geboorteregister en kan de geboorteakte niet als brondocument voor de bijhouding van de brp worden geaccepteerd.

Oordeel rechtbank

3.1.

Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een ‘lager’ document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van de inschrijving in redelijkheid geen ‘hoger’ document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren.1 Een geboorteakte is gelet op artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp een ‘hoger’ document dan een paspoort, waarmee eiser met de overlegging van de geboorteakte, mits rechtsgeldig, dus voldoet aan deze plicht.

3.2.

De Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft zich op 20 augustus 20142 uitgelaten over de rechtsgeldigheid van een geboorteakte in een vergelijkbare zaak. De Afdeling acht in die uitspraak als doorslaggevend uitgangspunt voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de geboorteakte, of al dan niet kan worden aangenomen dat de geboorteakte authentiek is, in die zin dat deze door de bevoegde Ghanese instantie is afgegeven. Verweerder heeft in de zaak van eiser bevestigd dat van een zodanige authenticiteit van de geboorteakte en het afschrift daarvan kan worden uitgegaan. Voor een authentieke akte geldt blijkens voornoemde uitspraak van de Afdeling dat er in beginsel van uit wordt gegaan dat de inhoud daarvan juist is, totdat in voldoende mate aannemelijk is geworden dat dit niet het geval is. Wordt dit niet aannemelijk, dan moet de akte als brondocument worden geaccepteerd. De rechtbank leidt hieruit af dat, nu sprake is van een authentieke geboorteakte, niet relevant is of deze al dan niet het resultaat is van een tweede geboorteregistratie in Ghana, maar dat deze slechts als rechtsongeldig geweigerd kan worden op basis van de inhoud, als aannemelijk is dat die inhoud onjuist is. Verweerder heeft dat laatste niet aannemelijk gemaakt. De inspanningen van verweerder zijn hier niet op gericht geweest, omdat verweerder uit is gegaan van een ander toetsingskader.

Beslissing rechtbank

4.1.

Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de eis is neergelegd dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep van eiser is gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar van eiser te nemen waarin alsnog genoegzaam wordt aangetoond dat de gegevens in de geboorteakte onjuist zijn of waarin de rechtsgeldigheid van de akte wordt geaccepteerd en deze als brondocument wordt geregistreerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat, voor zover de gegevens die in de geboorteakte staan al zijn opgenomen in de brp, van de juistheid van deze gegevens moet worden uitgegaan, tenzij onomstotelijk komt vast te staan dat deze onjuist zijn.3

4.2.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 126.

2 ECLI:NL:RVS:2014:3087, rechtsoverwegingen 4., 4.1. en 4.2.

3 Zie rechtsoverweging 4.2. van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014.