Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1682

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/13/622070 / HA RK 17-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1018a Rv. Verzoek tot het houden van een preprocessuele comparitie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2018/51
NJF 2018/424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/622070 / HA RK 17-16

Beschikking van 29 maart 2018

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

DE CONSUMENTENBOND,

gevestigd te Den Haag,

verzoekster,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

verweerster,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

LG ELECTRONICS INC.,

gevestigd te Seoul (Republiek Korea),

belanghebbende,

niet verschenen,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

TOSHIBA CORPORATION,

gevestigd te Tokyo (Japan),

advocaat mr. G.D.G.M.G. Béquet te Amsterdam,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

PANASONIC CORPORATION,

gevestigd te Osaka (Japan),

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SAMSUNG SDI CO. LTD.,

gevestigd te Giheung-gu (Yongin-si) (Republiek Korea),

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

TECHNICOLOR S.A.,

gevestigd te Issy-les-Moulieaux (Frankrijk),

7. de vennootschap naar buitenlands recht

CPTF OPTRONICS CO. LTD.,

gevestigd te Fuzhou (Volksrepubliek China),

8. de vennootschap naar buitenlands recht

MT PICTURE DISPLAY CO. LTD.,

gevestigd te Osaka (Japan),

belanghebbenden,

niet verschenen.

Belanghebbenden worden hierna Philips, LG, Toshiba, Panasonic, Samsung, Technicolor, CPTF en MTPD worden genoemd (en gezamenlijk Philips c.s.).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van deze rechtbank van 13 juli 2017, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van Philips, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2017;

  • -

    het e-mailbericht van mr. Béquet (Toshiba) van 17 oktober 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 18 oktober 2017 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte uitlaten na comparitie met bijlagen van de Consumentenbond, ingekomen ter griffie op 2 november 2017,

  • -

    de antwoordakte na mondelinge behandeling met bijlagen van Philips, ingekomen ter griffie op 15 november 2017.

1.2.

Het verzoekschrift was aanvankelijk ook ingediend door de stichting Stichting Beeldbuisclaim. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Maliepaard het verzoek namens Stichting Beeldbuisclaim ingetrokken.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn van de uitgestelde beschikkingsdatum op de hoogte gesteld.

2 De feiten

2.1.

Op 5 december 2012 heeft de Europese Commissie bekend gemaakt aan LG, Samsung, Technicolor, Toshiba, Panasonic, MTPD en Philips boetes te hebben opgelegd wegens schending van het Europese mededingingsrecht. Volgens de Europese Commissie hadden de elektronicabedrijven prijsafspraken gemaakt binnen de markt voor ‘cathrode ray tubes’ (‘CRT’), de beeldbuizen die een onderdeel vormden voor oude kleurentelevisies en computerschermen. Tevens waren volgens de Europese Commissie onderling afspraken gemaakt over het verdelen van klanten en het beperken van de beeldbuizenproductie. De door de Europese Commissie vastgestelde inbreuken op het mededingingsrecht worden hierna ook aangeduid met het ‘beeldbuizenkartel’.

2.2.

De statutaire doelstelling van de Consumentenbond luidt als volgt:

De bond stelt zich ten doel als onafhankelijke organisatie, zonder binding met enige politieke of levensbeschouwelijke stroming of organisatie, de belangen van de consumenten in het algemeen en van de leden van de bond in het bijzonder in Nederland – en voor zover mogelijk en zo nodig daarbuiten – te behartigen.

Teneinde de belangen van consumenten te beschermen, kan de bond zelf, dan wel één of meer door de bond op te richten rechtspersonen, onder meer overgaan tot het instellen van een (rechts)vordering(en) als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 Burgerlijk Wetboek, artikel 6:240 Burgerlijk Wetboek (…).

De bond streeft daarbij naar een volwaardige economische en sociale positie van de consument ten opzichte van het totstandkomen, distribueren en consumeren van particuliere en collectieve goederen en diensten.

De bond houdt bij dit alles onder andere rekening met maatschappelijke gevolgen in ruime zin van particuliere en collectieve consumptie.

2.3.

Op de website van de Consumentenbond is (sinds 30 oktober 2017), voor zover van belang, de volgende informatie te vinden over de “actie Beeldbuisclaim” en de kosten voor consumenten om deel te nemen:

Beeldbuisclaim

Beeldbuisproducenten hebben volgens het Europese Hof van Justitie verboden prijsafspraken gemaakt. Consumenten betaalden daardoor tussen 1996 en 2006 teveel voor hun televisies en computer monitoren met een beeldbuis. Samen met Consumentenclaim eisen wij een eerlijke schadevergoeding. Wil je ook geld terug en meedoen?

(…)

Veelgestelde vragen Beeldbuisclaim

(…)

Wat zijn de kosten om aan deze claim mee te doen?

Deelname aan de Beeldbuisclaim is op basis van no cure, no pay. Als er geen bedrag aan je wordt uitgekeerd dan hoef je niets te betalen. Krijg je wel een vergoeding, dan is het vergoedingspercentage 15% inclusief btw.

Waarom is de minimum vergoeding van €25 komen te vervallen?

De minimum vergoeding was nodig om bij een succesvolle claim de afhandelingskosten af te dekken. Dit zijn de kosten die wij moeten maken voor de behandeling, controle en uitbetaling van je claim. Omdat wij verwachten dat deze afhandelingskosten betaald gaan worden door de aansprakelijke partij, de beeldbuisproducenten, hebben wij besloten om het minimumbedrag te laten vervallen.

Als je eerder al een opdrachtbevestiging met ons bent aangegaan waarin dit minimumbedrag nog staat, dan is dit niet van toepassing. De vergoeding die je bij een succesvolle claim aan ons verschuldigd bent, bestaat uitsluitend uit het no-cure-no-paypercentage van 15%.

(…)

Vervolgens wordt men – via een link (“Vraag compensatie”) doorverwezen naar de website van ConsumentenClaim om zich aan te melden. Op die website is de volgende informatie te vinden:

Aanmelden voor de Beeldbuisclaim

De Consumentenbond en ConsumentenClaim hebben hun krachten gebundeld en strijden nu samen voor een eerlijke schadevergoeding voor consumenten die teveel hebben betaald voor hun televisie door verboden prijsafspraken tussen producenten van beeldbuizen.

Heb je tussen 1996 en 2006 een televisie of computermonitor met een beeldbuis gekocht en wil je ook in aanmerking komen voor een vergoeding? Dan kun je je hier aanmelden. Aanmelden voor de claim is gratis. Bij een eventuele vergoeding ontvangt de Consumentenbond daarvan 15% voor zijn inspanningen. Als er geen bedrag aan je wordt uitgekeerd dan ben je de Consumentenbond niets verschuldigd.

(…).

3. Het verzoek

3.1.

Het verzoek strekt tot het bepalen van een preprocessuele comparitie op grond van artikel 1018a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.2.

De Consumentenbond heeft het verzoek als volgt toegelicht. Tot op heden heeft alleen overleg plaatsgevonden met Philips over een mogelijke schadevergoeding. De overige belanghebbenden zijn wel uitgenodigd om in overleg te treden, maar hebben bij monde van hun advocaat laten weten dat zij vooralsnog hiertoe geen reden zien (Toshiba, LG en Technicolor) of hebben niets van zich laten horen (Samsung, Panasonic, CPTF en MTPD). De Consumentenbond is voornemens een collectieve procedure aanhangig te maken op grond van artikel 3:305a BW, door óf alle karteldeelnemers te dagvaarden en een verklaring voor recht te vorderen dat alle karteldeelnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van het beeldbuizenkartel geleden schade óf slechts één of enkele karteldeelnemer(s) te dagvaarden en te vorderen dat zij hoofdelijk aansprakelijk is (zijn) voor de door hen veroorzaakte schade waaronder de schade die is veroorzaakt bij consumenten die hun beeldbuis hebben gekocht bij een andere producent. Een mogelijke wijze waarop uiteindelijk schadevergoeding voor de eindgebruikers kan worden gerealiseerd, is door middel van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7:907 BW. De Consumentenbond streeft ernaar om met alle karteldeelnemers gezamenlijk een schikking te treffen die de schade vergoedt voor een zo groot mogelijke groep eindgebruikers die schade heeft geleden.

3.3.

De Consumentenbond geeft de voorkeur aan het houden van een preprocessuele comparitie alvorens een eventuele collectieve procedure te entameren vanwege de mogelijkheid om enerzijds te onderzoeken in hoeverre een collectieve schikking tot de mogelijkheden behoort en anderzijds door de mogelijkheden om een dergelijke comparitie te gebruiken als regiezitting waarin processuele afspraken worden gemaakt over de te voeren procedure indien mocht blijken dat deze onvermijdelijk is geworden. De Consumentenbond meent dat een collectieve regeling voor de hand ligt, aangezien de aansprakelijkheid voor de overtreding van het mededingingsrecht als zodanig niet wordt betwist. Doordat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) het besluit van de Europese Commissie heeft bekrachtigd, staat vast dat de karteldeelnemers onrechtmatig hebben gehandeld jegens de eindgebruikers van de beeldbuizen, zodat vaststelling van de aansprakelijkheid als zodanig waarschijnlijk geen discussie zal opleveren. Voor de karteldeelnemers is goed in te schatten welke schade zij hebben veroorzaakt en welk deel van die schade zij onderling naar rato daarvan zouden moeten dragen. Zij moeten tevens in staat zijn op basis van de hen bekende gegevens over de prijsontwikkeling een reële inschatting te maken van de schade die de eindgebruikers hebben geleden. De totstandkoming van een collectieve regeling wordt dan ook, ondanks de weigerachtige houding van de karteldeelnemers tot op heden, niet als onhaalbaar gezien. Steun voor haar standpunt dat een collectieve regeling een reële en voor alle partijen acceptabele mogelijkheid is, vindt de Consumentenbond in de wijze waarop in de Verenigde Staten eenzelfde claim tegen dezelfde producenten op grond van dezelfde kartelafspraken wordt afgehandeld. Als gevolg van in de Verenigde Staten aangespannen procedures hebben de beeldbuisfabrikanten een speciaal fonds opgezet waarnaar zij ieder een bedrag hebben overgemaakt en waaruit schadevergoedingen kunnen worden betaald aan individuele afnemers.

3.4.

In een regiezitting kan overleg worden gepleegd en getracht worden afspraken te maken over bijvoorbeeld de wijze waarop partijen om moeten gaan met het feit dat de karteldeelnemers uit verschillende landen afkomstig zijn. De Consumentenbond staat voor de keuze alleen Philips of ook de andere karteldeelnemers te dagvaarden. Zij wenst in dit stadium nog enige flexibiliteit te behouden en zich aldus het recht voor te behouden om niet alle partijen te dagvaarden. Indien blijkt dat het in rechte betrekken van een of meer karteldeelnemers de procedure ten zeerste zal vertragen en vele extra werkzaamheden met zich zal brengen, wenst de Consumentenbond zich het recht voor te behouden om er uiteindelijk voor te kiezen om enkel de Nederlandse en/of Europese partijen te dagvaarden, aldus steeds de Consumentenbond.

3.5.

Philips verzet zich tegen het houden van een preprocessuele comparitie. Zij heeft daartoe – voor zover thans nog van belang – een aantal (formele) gronden aangevoerd:

(i) ConsumentenClaim B.V. is de drijvende kracht achter het verzoek en daardoor is niet voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 7:907 lid 3, onderdeel f BW en artikel 3:305a lid 2 BW;

(ii) het is onwaarschijnlijk dat alle betrokken partijen zullen verschijnen, in welk geval het houden van een preprocessuele comparitie geen zin heeft.

4 De beoordeling

4.1.

Belanghebbenden zijn bij brieven van respectievelijk 13 maart en 12 mei 2017 opgeroepen voor de (pro-forma) zittingen van respectievelijk 13 april en 15 juni 2017. Met deze brieven is eveneens een exemplaar van het verzoekschrift (vergezeld van een vertaling in het Engels, en in het Frans voor Technicolor) aan belanghebbenden toegezonden.

De oproepingsbrief aan LG (belanghebbende sub 2) van 13 maart 2017 is door de rechtbank retour ontvangen en op 30 maart 2017 nogmaals aan LG verzonden. De oproepingsbrieven van 30 maart en 12 mei 2017 zijn door LG op 26 april en 15 mei 2017 ontvangen (door LG is voor ontvangst is getekend).

De oproepingsbrieven van 13 maart 2017 en 12 mei 2017 aan Panasonic (belanghebbende sub 4), Samsung (belanghebbende sub 5), en MTPD (belanghebbende sub 8) zijn op 15 maart respectievelijk 15 mei 2017 ontvangen (door Panasonic, Samsung en MTPD is voor ontvangst getekend).

De oproepingsbrieven van 13 maart 2017 en 12 mei 2017 aan Technicolor (belanghebbende sub 6) zijn op 14 maart respectievelijk 15 mei 2017 ontvangen (door Technicolor is voor ontvangst getekend).

De oproepingsbrieven van 13 maart en 12 mei 2017 aan CPTF (belanghebbende sub 7) zijn op 16 maart en 16 mei 2017 ontvangen (door CPTF is voor ontvangst is getekend).

Vervolgens is de tussenbeschikking van 13 juli 2017 nog op diezelfde dag aan partijen verzonden.

De tussenbeschikking aan CPTF is door de rechtbank onbestelbaar retour ontvangen.

LG, Panasonic, Samsung, Technicolor en MT hebben de tussenbeschikking geruime tijd voor de mondelinge behandeling ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of alle belanghebbenden in overeenstemming met de voor het land van vestiging van de respectievelijke belanghebbenden geldende (verdragsrechtelijke) regels zijn opgeroepen. Immers, voor het geval dit niet het geval is (zoals Philips betoogt), geldt dat alle belanghebbenden in ieder geval kennis hebben genomen, althans hebben kunnen nemen, van de oproepingsbrieven en het verzoek, en dat zij desondanks niet zijn verschenen op de mondelinge behandeling.

4.2.

Artikel 1018a Rv luidt als volgt:

1. Indien een veelheid aan personen door een gebeurtenis of gelijksoortige gebeurtenissen is benadeeld, kan, voordat een zaak aanhangig is, de rechtbank, teneinde een overeenkomst, bedoeld in artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, te beproeven, op verzoek van een stichting of vereniging, bedoeld in artikel 907, derde lid, onderdeel f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en van de persoon of personen die voor deze gebeurtenis of gebeurtenissen verantwoordelijk worden gehouden, dan wel op verzoek van een van hen, een verschijning ter zitting van deze partijen bevelen.

2. Het verzoekschrift vermeldt:

a. de naam en woonplaats van de verzoeker of verzoekers;

b. de naam en woonplaats van de in het eerste lid bedoelde partijen waarvan verschijning wordt verzocht;

c. een omschrijving van de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop het verzoek betrekking heeft;

d. een omschrijving van het geschil of de geschillen die partijen verdeeld houdt;

e. een omschrijving van het verzoek.

3. Indien de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij de plaats, de dag en het uur waarop de verschijning zal plaatsvinden. Verzoekers en andere partijen, die daartoe zijn opgeroepen, zijn verplicht te verschijnen. Indien een verzoeker of partij als bedoeld in de tweede zin niet verschijnt, kan zij worden veroordeeld tot vergoeding van de vergeefs aangewende kosten van degenen die wel zijn verschenen.

4. Bij een verschijning ter zitting kan besproken worden hoe verzoekers en de opgeroepen partijen de totstandkoming van een in het eerste lid bedoelde overeenkomst zullen trachten te bereiken. Ook kan een andere wijze van beëindiging van geschillen ter zake van de in het eerste lid bedoelde gebeurtenis of gebeurtenissen worden besproken. Artikel 191, tweede lid, tweede en derde zin, is van toepassing.

representativiteit

4.3.

In artikel 7:907 lid 3 BW is bepaald dat de rechter een verzoek tot algemeen verbindendverklaring van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid onder meer afwijst, indien de stichting of vereniging die de overeenkomst heeft gesloten niet voldoende representatief is ter zake van de belangen van degenen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten (onderdeel f). In artikel 3:305a lid 2 BW is – voor zover van belang – bepaald dat een rechtspersoon die een rechtsvordering wil instellen op grond van lid 1 van dit artikel niet ontvankelijk is, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende zijn gewaarborgd.

4.4.

Het staat buiten twijfel dat de Consumentenbond voldoet aan het representativiteitsvereiste van artikel 7:907 lid 3, onderdeel f BW en dat zij kwalificeert als organisatie die een rechtsvordering kan instellen op grond van artikel 3:305a lid 1 BW. Dit betekent dat zij dus ook een verzoek kan indienen tot het houden van een preprocessuele comparitie op grond van artikel 1018a Rv. Philips stelt zich – naar de rechtbank begrijpt – evenwel op het standpunt dat in dit geval de Consumentenbond niet daadwerkelijk de organisatie is achter dit verzoek. Volgens Philips heeft de Consumentenbond maar een zeer beperkte rol in de actie Beeldbuisclaim die aan dit verzoek ten grondslag ligt en kan zij niet verhinderen dat ConsumentenClaim B.V. en Stichting Beeldbuisclaim in strijd met de Claimcode de doelstelling nastreven met de claim tegen Philips c.s. aanzienlijke winst te behalen zonder dat de consument daar uiteindelijk van kan profiteren.

4.5.

De Claimcode is een door de Commissie Claimcode in 2011 opgesteld document waarin principes zijn uitgewerkt waaraan organisaties die optreden op grond van artikel 3:305a BW moeten voldoen. De Claimcode biedt een vorm van zelfregulering door betrokken marktpartijen, bedoeld om wildgroei van rechtspersonen die optreden overeenkomstig artikel 3:305a BW te voorkomen en ervoor te zorgen dat het de belangen van de gedupeerden zijn die worden gewaarborgd en niet de (commerciële) belangen van de oprichters van deze rechtspersonen. Principe II van de Claimcode luidt als volgt:

De stichting handelt in het collectieve belang van de (rechts)personen ten behoeve van wie zij krachtens haar statutaire doelstelling optreedt. Uit de statutaire doelstelling, de feitelijke werkzaamheid en governance blijkt dat de stichting en de aan de stichting rechtsreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk hebben bij de uitoefening va de stichtingsactiviteiten.

In de uitwerking van dit principe staat, voor zover van belang, het volgende:

1. Uit de governance van de stichting blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon, geheel of gedeeltelijk, over het vermogen en inkomsten van de stichting kan beschikken als ware het zijn, of haar eigen vermogen en inkomsten.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Consumentenbond met de (gewijzigde) tekst op haar website (zie hiervoor onder 2.3) de zorg dat ConsumentenClaim B.V. een winstoogmerk zou hebben met de actie Beeldbuisclaim en dat de Consumentenbond dat zou faciliteren, in voldoende mate weggenomen.

4.7.

Het betoog van Philips dat de Consumentenbond slechts een zeer beperkte rol heeft in de actie Beeldbuisclaim kan voor het overige onbesproken blijven. De rechtbank moet erop kunnen vertrouwen – en dat geldt ook voor Philips – dat een organisatie als de Consumentenbond als eisende organisatie in een collectieve actie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de belangen van de personen die zij stelt te vertegenwoordigen te behartigen en dat zij dat ook op behoorlijke wijze zal doen, ook wanneer zij, zoals hier, voor een bepaalde actie samenwerkt met een andere organisatie.

houden van een preprocessuele comparitie heeft geen zin

4.8.

De Consumentenbond lijkt met haar verzoek er vanuit te gaan dat de rechtbank in alle gevallen waarin een partij daartoe verzoekt, een preprocessuele comparitie zal en moet bevelen. Daarin wordt zij niet gevolgd. In artikel 1018a Rv is immers bepaald dat de rechtbank een preprocessuele comparitie kan bevelen en dit impliceert dat de rechtbank zal (moeten) toetsen of het zinvol is om een dergelijke comparitie te houden, voordat zij tot het bevelen daarvan overgaat.

4.9.

Zoals ook uit de wetsgeschiedenis volgt, kan een preprocessuele comparitie mogelijk verschillende doelen dienen, waaronder (i) het faciliteren van de totstandkoming van een collectieve schikking en, als deze uitblijft, (ii) het voorbereiden en/of structureren van een eventuele collectieve actie (TK 2011-2012, 33 126, nr. 3, blz. 25). Philips stelt dat het bereiken van een collectieve schikking tijdens een preprocessuele comparitie niet mogelijk zal zijn, onder meer omdat de kans dat alle betrokken partijen (lees: de niet-verschenen belanghebbenden) daadwerkelijk zullen verschijnen nihil is. De Consumentenbond meent dat dit geen reden mag zijn om geen preprocessuele comparitie te bevelen.

4.10.

Strikt genomen heeft de Consumentenbond gelijk. Een preprocessuele comparitie kan ook worden verzocht door slechts één partij, in dit geval de Consumentenbond, die stelt op te treden voor de benadeelde partijen, de mogelijke eisende partij derhalve in een eventuele procedure. De wetgever heeft het andersluidende advies van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) niet gevolgd (de Rvdr “acht het niet zinvol dat ook door slechts één van de partijen een dergelijke comparitie kan worden verzocht”, TK 2011-2012, 33 126, nr. 3, blz. 27) . Ook het enkele feit dat partijen mogelijk niet zullen verschijnen hoeft op zich geen reden te zijn om niet toch een preprocessuele comparitie te bevelen. De rechtbank is echter van oordeel dat een preprocessuele comparitie slechts dan moet worden bevolen als er enig zicht op is dat die bijeenkomst van partijen zinvol zal (kunnen) zijn. Met Philips is de rechtbank van oordeel dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de niet-verschenen belanghebbenden wel zullen verschijnen als zij worden opgeroepen voor een pre-processuele comparitie, nu zij geen gehoor hebben gegeven aan de oproep voor de mondelinge behandeling van dit verzoek. Dit geldt te meer omdat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat (vrijwel) al deze belanghebbenden advocaten in Nederland hebben die hen bijstaan in (andere) procedures die verband houden met het beeldbuizenkartel, zodat aangenomen mag worden dat zij een weloverwogen keuze hebben gemaakt niet te verschijnen.

4.11.

Ook de wetgever heeft overwogen dat “een preprocessuele comparitie (…) alleen zin [heeft] indien alle betrokken partijen verschijnen” (TK 2011-2012, 33 126, nr. 3, blz. 26). Met deze gedachte voor ogen is in lid 3 van artikel 1018a Rv bepaald dat de niet-verschenen partijen veroordeeld kunnen worden in de (reële) kosten die de wel verschenen partijen hebben gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zou het naïef zijn te veronderstellen dat deze (kennelijk) “onwillige” (buitenlandse) partijen die (volgens de Europese Commissie) betrokken zijn geweest in een wereldwijd kartel, waarmee grote financiële belangen zijn gemoeid, onder leiding van een Nederlandse rechter met – alleen – de Nederlandse Consumentenbond een schikking zouden willen aangaan en dat, zoals Philips ook heeft aangevoerd, in dit geval de kans dan ook gering is dat het bepaalde in lid 3 van artikel 1018a Rv de thans niet verschenen buitenlandse partijen over de streep zal trekken. Dit geldt te meer omdat Philips zich op het standpunt stelt dat het beeldbuizenkartel niet tot hogere prijzen heeft geleid en dus niet tot schade voor consumenten en door de Consumentenbond nog geen begin van contouren van een mogelijke schikking zijn geschetst. In die zin voldoet het verzoek van de Consumentenbond ook niet aan de vereisten die de wet daaraan stelt. De rechter moet – zoals ook de wetgever onder ogen heeft gezien – immers over voldoende informatie beschikken om partijen van dienst te kunnen zijn en daarom dienen partijen (in dit geval alleen verzoekster, de Consumentenbond) onder meer te omschrijven wat de geschilpunten zijn en op welke punten de rechterlijke tussenkomst wordt verzocht (artikel 1018a lid 2 onder d Rv en TK 2011-2012, 33 126, nr. 3, blz. 26-27). In het verzoekschrift van de Consumentenbond staan louter algemeenheden, zodat aan dit vereiste niet is voldaan.

4.12.

Het feit dat niet is voldaan aan het vereiste van een voldoende omschrijving van geschilpunten en op welke punten rechterlijke tussenkomst wordt verzocht, staat er ook aan in de weg om in dit stadium een preprocessuele comparitie te bevelen die als regiezitting (een comparitie “ter voorbereiding en/of structurering van een eventuele collectieve actie”) zou kunnen worden benut. Om een zinvolle regiezitting te kunnen leiden, zal de rechter over meer informatie moeten beschikken dan hetgeen nu in het verzoekschrift staat vermeld. De Consumentenbond heeft in haar verzoekschrift slechts de (wettelijke) mogelijkheden geschetst die haar ter beschikking staan om een mogelijke claim tegen Philips c.s. te gelde te (proberen te) maken, maar niet uitgewerkt op welke (geschil)punten het houden van een regiezitting zou kunnen bijdragen aan een effectieve vorm van procederen. De Consumentenbond heeft nog geen begin gemaakt met het opstellen van een agenda voor een dergelijke regiezitting.

4.13.

Dit alles betekent dat het verzoek zal worden afgewezen.

4.14.

De rechtbank ziet aanleiding de Consumentenbond, als verzocht, te veroordelen in de kosten van de procedure. Deze worden aan de zijde van Philips tot op heden begroot op:

- griffierecht

618,00

- salaris advocaat

1.130,00

(2,5 punten × tarief € 452,00)

- totaal

1.748,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt de Consumentenbond in de proceskosten aan de zijde van Philips, tot op heden begroot op € 1.748,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.