Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1671

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
13/751212-17
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak uitlevering Servie: De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien voornoemde passages uit het CPT-rapport, de raadsman en de opgeëiste persoon een begin van de “strong presumption” van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk hebben gemaakt. Voor een verdere beoordeling is echter noodzakelijk dat bij de Servische autoriteiten navraag wordt gedaan of de opgeëiste persoon, en onder welke omstandigheden, daadwerkelijk van 20 september 2010 tot 20 april 2011 gedetineerd was in de Belgrade District Prison.

De rechtbank concludeert dan ook dat het onderzoek niet volledig is en acht zichzelf op dit moment onvoldoende voorgelicht om een uitspraak te kunnen doen. De vragen betreffen vooralsnog de plaats van detentie en de beschikbare personal space (in een meerpersoonscel). Niet uitgesloten is dat de rechtbank na ontvangst van de antwoorden nog aanvullende vragen wenst te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751212-17

RK nummer: 17/2846

Uitspraak: 22 maart 2018

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering op grond van artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 28 april 2017, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie (thans: Minister van Justitie en Veiligheid) ontvangen verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres
[adres] .

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang.

De rechtbank heeft op 15 augustus 2017 de opgeëiste persoon en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.M. Hof en door een tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.

Het onderzoek is voortgezet op de openbare zitting van 22 februari 2018 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. Polman en door een tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst tot 8 maart 2018. Op 8 maart 2018 heeft zij het onderzoek gesloten en bepaald dat op 22 maart 2018 uitspraak zal worden gedaan. Met toestemming van de rechtbank zijn noch de raadsman, noch de opgeëiste persoon bij de sluiting van het onderzoek op 8 maart 2018 aanwezig geweest.

2 Beoordeling.

2.1.

Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Servische nationaliteit heeft.

2.2.

Grondslag en inhoud van het uitleveringsverzoek

De Servische autoriteiten hebben bij brief van 31 maart 2017 van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van de Servische Republiek aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek tot uitlevering met het oog op tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf gedaan en daartoe de volgens de Wet en het toepasselijke Verdrag vereiste stukken overgelegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief van 11 april 2017 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan het Internationaal Rechtshulp Centrum in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon door het High Court in Belgrado bij vonnis van 20 april 2011 (onherroepelijk geworden op 2 november 2011) opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 2 maanden voor de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast. Deze feiten zijn omschreven in voornoemd vonnis van 20 april 2011. Een door de griffier gewaarmerkte kopie is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

2.3.

Het bevel tot aanhouding
De rechtbank heeft zich ervan vergewist of het door het High Court in Belgrado gewezen vonnis van 20 april 2011 voldoet aan de vereisten van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, (Trb.65, 9).

Dit is het geval, het bevel betreft een authentiek afschrift, zoals ook bevestigd is door de officier van justitie, en het is opgemaakt in de vorm, voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij.

2.4.

Strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar zowel Servisch recht als naar Nederlands recht strafbaar. Voor deze feiten kan eveneens in beide landen een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste één jaar worden opgelegd.

3 Standpunten

3.1.

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de uitlevering vanwege een reeds voltooide schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geweigerd dient te worden. Hiertoe is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon heeft van 20 september 2010 tot 20 april 2011 vastgezeten in Servië in de Belgrade District Prison. Na een zorgwekkend rapport uit 2007 van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) is in februari 2011 door het CPT een vervolgbezoek gebracht aan de Belgrade District Prison. Het CPT heeft over dit bezoek op 14 juni 20121 een rapport uitgebracht.

Daaruit volgt dat de in Servië aangetroffen detentieomstandigheden de toets van artikel 3 van het EVRM niet doorstaan, onder andere omdat gedetineerden slechts beschikten over een personal space die kleiner is dan het vereiste minimum van 3 m². Daarmee bestaat volgens het CPT een ‘strong presumption’ dat de gedetineerden onder onmenselijke of vernederende detentie-omstandigheden verblijven in de Belgrade District Prison.

Nu de opgeëiste persoon tijdens het bezoek van het CPT verbleef in de Belgrade District Prison, heeft ook hij geleden onder de genoemde slechte detentie-omstandigheden.

Daar komt bij, aldus de raadsman, dat de opgeëiste persoon in detentie is gemarteld en als gevolg daarvan lijdt aan een posttraumatische stressstoornis De martelingen waarvan de opgeëiste persoon aangeeft dat hij deze heeft ondergaan komen overeen met door het CPT geconstateerde martelingen in de Belgrade District Prison.

De opgeëiste persoon heeft ter onderbouwing van zijn verweer de volgende stukken overgelegd:

  • -

    Een brief van 18 februari 2018 van S. Hengst, psychiater bij Stichting Centrum 45 waarin staat dat de posttraumatische stressklachten een gevolg zijn van langdurige martelingen (forse mishandelingen, bedreigingen, vernederingen en verwaarlozing) tijdens detentie in Servië;

  • -

    Verslag van 15 mei 2017 van het diagnostische onderzoek van de psychologen R. Boers en E. Nieuwenhuis waarin staat dat bij de opgeëiste persoon een posttraumatische stressstoornis en een paniekstoornis is geconstateerd;

  • -

    Een brief van 3 augustus 2017 van M.C. Hoofwijk, psycholoog bij Stichting Centrum 45 waarin is beschreven dat de posttraumatische stressklachten hun oorsprong hebben in traumatische ervaringen die de opgeëiste persoon heeft meegemaakt tijdens zijn detentie in Servië;

  • -

    Verslag van 6 juni 2017 van het diagnostische onderzoek verricht door het Psychotrauma diagnose centrum, waarin meerdere traumatische gebeurtenissen en de martelingen zijn beschreven.

De raadsman concludeert dan ook dat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM en de uitlevering om die reden moet worden geweigerd.

3.2.

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de uitlevering toelaatbaar te verklaren. Er zijn geen weigeringsgronden. De feiten zijn dubbel strafbaar.

Er is geen sprake van een dreigende of voltooide schending van artikel 3 van het EVRM.

3.3.

Oordeel rechtbank: heropening onderzoek voor het vragen van aanvullende informatie aan de Servische autoriteiten

Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 12 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2323) en 21 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:463) moet bij uitleveringsverzoeken die op een uitleveringsverdrag zijn gebaseerd, uitgegaan worden van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon het EVRM en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) zal respecteren.

De bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie en Veiligheid brengt mee dat alleen de minister bevoegd is om te oordelen over dreigende mensenrechtenschendingen, zoals bijvoorbeeld schendingen van artikel 3 van het EVRM.

Als echter vast komt te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd sprake is van een voltooide mensenrechtenschending, dan moet de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaren.

Het oordeel dat sprake is van een voltooide mensenrechtenschending is feitelijk en moet worden gestaafd met bescheiden die de opgeëiste persoon zelf betreffen.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) hanteert als minimummaatstaf bij de toetsing aan artikel 3 van het EVRM een persoonlijke ruimte danwel ‘floor space’ (vloeroppervlakte) van 3 m² per gedetineerde in geval van een meerpersoonscel.

Als vast komt te staan dat in een detentie-instelling minder dan 3 m² persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel ter beschikking staat, bestaat op grond van het arrest van de Grote Kamer van het EHRM van 20 oktober 2016 (nummer 7334/13, Muršić v. Croatia, par. 124) een ‘strong presumption’ (sterk vermoeden) dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden heeft verbleven.

Verder heeft het EHRM in paragraaf 132 van datzelfde arrest overwogen dat dit vermoeden

enkel kan worden weerlegd wanneer de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn. Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:

  1. short, occasional and minor reductions of personal space’;

  2. ‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’;

  3. ‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’.

De rechtbank stelt vast dat in het rapport van het CPT van 14 juni 2012 het volgende is vermeld over de persoonlijke ruimte van gedetineerden:

34. At the time of the visit, the prison population stood at around 11,500 (compared to 9,000 at the time of the 2007 visit) for a maximum capacity of 6,500 calculated applying the standard of 4 m² of living space per prisoner.

Overcrowding was observed in all the establishments visited. The situation was of particular

concern at Belgrade District Prison, which at the time of the visit accommodated 1,656 inmates for a capacity of some 800.

(…)

41. Some refurbishment had taken place in the main building of Belgrade District Prison since the CPT's 2007 visit. Offices in the detention areas had been turned into cells, with fully partitioned sanitary annexes. These cells were properly furnished and benefited from adequate artificial lighting. In addition, the shower rooms in all the blocks had been recently renovated, as well as the prison kitchen. Having said that, the rest of the accommodation areas continued to provide unacceptable conditions of detention, especially in the blocks on the ground floor (admission, remand, solitary confinement and disciplinary cells). The prison continued to display structural deficiencies described in the reports on the two previous visits..

These conditions were aggravated by the increased overcrowding; for example, it was not uncommon for four inmates to share a cell measuring 9 m², eight inmates to be accommodated in a cell of 21 m², and 14 inmates in a cell of 35 m².

In addition, a few inmates did not have a bed and had to sleep on a mattress on the floor.

The toilets inside the cells on the ground floor (except for the very few new cells) were still

not partitioned, and most of them were in a poor state of repair. Bedding was not always provided, except for mattresses. Further, personal hygiene items and products to clean the cells were rarely available, including to indigent prisoners. (…)

43. These overall unacceptable material conditions were exacerbated by the fact that remand

prisoners remained confined for some 23 hours a day inside their cells, in some cases for several years. As noted in the report on the 2007 visit, such a situation could well be considered as amounting in itself to inhuman and degrading treatment.(…)

53. All remand prisoners at Belgrade District Prison could have battery-operated TV and radio sets in their cells. However, there were no common/recreation rooms and the indoor gym visited in 2007 had been converted into a court room. No work, education or vocational training opportunities were provided. The only out-of-cell activity available to remand prisoners was outdoor exercise, for up to one hour per day during the week and half an hour on weekends. One of the yards at Belgrade District Prison had been provided with some sport equipment, and prisoners were allowed to practice jogging in the yards. That said, the yards were still not equipped with any shelter against inclement weather. To sum up, remand prisoners routinely spent 23 hours per day inside their cells, with nothing else to occupy themselves other than watching television, listening to the radio or reading.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien voornoemde passages uit het CPT-rapport, de raadsman en de opgeëiste persoon een begin van de “strong presumption” van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk hebben gemaakt. Voor een verdere beoordeling is echter noodzakelijk dat bij de Servische autoriteiten navraag wordt gedaan of de opgeëiste persoon, en onder welke omstandigheden, daadwerkelijk van 20 september 2010 tot 20 april 2011 gedetineerd was in de Belgrade District Prison. De verklaring van de opgeëiste persoon hieromtrent acht de rechtbank namelijk van onvoldoende gewicht om dit gegeven als vaststaand aan te nemen. De rechtbank concludeert dan ook dat het onderzoek niet volledig is en acht zichzelf op dit moment onvoldoende voorgelicht om een uitspraak te kunnen doen. De vragen betreffen vooralsnog de plaats van detentie en de beschikbare personal space (in een meerpersoonscel). Niet uitgesloten is dat de rechtbank na ontvangst van de antwoorden nog aanvullende vragen wenst te stellen. De rechtbank stelt de officier van justitie in de gelegenheid, middels het Ministerie van Justitie en Veiligheid, om de Servische autoriteiten de volgende vragen voor te leggen:

1. In welke detentie instelling heeft de opgeëiste persoon van 20 september 2010 tot 20 april 2011 gedetineerd gezeten?

2. Hoeveel m² personal space (in een meerpersoonscel) heeft de opgeëiste persoon in die periode tot zijn beschikking gehad?

3. Wanneer het antwoord op vraag 2 is dat de opgeëiste persoon over minder dan 3 m² personal space in een meerpersoonscel beschikte, in hoeverre was er dan sprake van short, occasional and minor reductions of personal space, danwel sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities?

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing:

4 Beslissing.

HEROPENT EN SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie, middels het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in de gelegenheid te stellen voorgaande vragen aan de Servische autoriteiten te stellen.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Engelse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2018.

1 Report to the Government of Serbia on the visit to Serbia carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 1 to 11 February 2011