Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1628

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
AWB 17/3998
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:362, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van een dakterras en het maken van een dakopbouw. Eiser heeft centrale verwarmingsinstallaties op het dak geplaatst en om de installaties en de trapopgang een dakopbouw geplaatst. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen sprake was van aantoonbare redenen waardoor inpandige plaatsing niet mogelijk was. Daarom was er geen ruimte voor een binnenplanse afwijking van de maximale bouwhoogte. Verweerder heeft ook redelijkerwijs kunnen weigeren om de vergunning o.g.v. artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3998

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[persoon] , te Amsterdam, eiser,

(gemachtigde: mr. L.G. Meijer),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.L. Brinks).

Procesverloop

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het pand [adres] . Dat pand bestaat uit twee woningen: één in het souterrain, op de begane grond en op de eerste verdieping en één op de tweede en derde verdieping. Eiser verhuurt deze woningen.

2. Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum aan eiser een vergunning verleend voor het maken van een dakterras op het gebouw [adres] en hiermee af te wijken van de bepalingen in het bestemmingsplan. De vergunde situatie bestond uit het plaatsen van een terras op het achterste deel van het platte dak, het maken van een scheepsluik om de toegang tot het dakterras mogelijk te maken en het plaatsen van een hekwerk.

3. Eiser heeft in afwijking van de vergunning een groter dakterras en een grotere dakopbouw geplaatst. De dakopbouw betreft een ombouw om een cv-installatie, een boiler en de toegang tot het dakterras. De installaties zijn centrale installaties ten behoeve van beide woningen in het pand. Eiser heeft op 27 juli 2016 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de grotere dakopbouw en het grotere dakterras.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat het maken van een dakopbouw in strijd is met de bouw- en gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan en met de redelijke eisen van welstand. Volgens verweerder zijn er geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. Verweerder heeft geen medewerking willen verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, vierde lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens verweerder is de laatst vergunde situatie voor een dakterras en de toegang daartoe planologisch het maximaal haalbare op deze locatie. Een verdere vergroting of verandering is volgens verweerder een aantasting van het daklandschap.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 23 mei 2017. Verweerder heeft zich daarbij aanvullend op het standpunt gesteld dat niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Wabo in samenhang met artikel 3.4.4. van de planregels vrijstelling voor de overschrijding van de maximale bouwhoogte kan worden verleend, omdat niet gebleken is dat de installaties om aantoonbare redenen niet inpandig kunnen worden geplaatst.

6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Volgens eiser is het besluit niet op zorgvuldige wijze genomen. Verweerder had op grond van artikel 3.4.4. van de planregels vrijstelling dienen te verlenen voor het overschrijden van de bouwhoogte en er is geen sprake van strijd met de redelijke eisen van welstand. Verder heeft verweerder volgens eiser zijn belangen niet, dan wel onvoldoende meegewogen.

Wat vindt de rechtbank?

Strijd met het bestemmingsplan

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, omdat met de dakopbouw de maximale bouwhoogte van het pand wordt overschreden. Op deze locatie geldt het bestemmingsplan “ [naam] ” (het bestemmingsplan). De locatie is op de plankaart aangewezen als bestemd voor “Gemengd”. Het pand is aangemerkt als een orde 2 pand. Uit artikel 3.2.6., onder b, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan (de planregels) volgt dat de maximale bouwhoogte van orde 2 panden ten hoogste de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande bouwhoogte is. Dat door plaatsing van de dakopbouw de bouwhoogte hoger is dan de bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, staat niet ter discussie. Verder staat vast dat de aanvraag in strijd is met artikel 3.2.7., onder c, van de planregels, waarin staat dat dakterrassen niet zijn toegestaan.

8.1.

In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Wabo is – samengevat – bepaald dat een activiteit die in strijd is met een bestemmingsplan kan worden vergund wanneer die activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en daar in het bestemmingsplan regels voor zijn opgenomen. Dat is hier het geval. In artikel 3.4.4. van de planregels is bepaald dat verweerder bevoegd is om vrijstelling te verlenen van de maximale bouwhoogte. Daarin staat dat verweerder vrijstelling mag verlenen voor het overschrijden van de bouwhoogte voor centrale verwarmingsinstallaties als deze om aantoonbare redenen niet (geheel) inpandig kunnen worden gerealiseerd. Deze installaties dienen zo klein als technisch mogelijk te zijn en zoveel mogelijk uit het zicht te worden geplaatst. Bij de beoordeling van elk verzoek om vrijstelling zal rekening worden gehouden met de bouwhoogte van de omringende bebouwing.

8.2.

Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betreft het beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De rechter moet het gebruik van die bevoegdheid terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

8.3.

De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aan te tonen dat de cv-installatie om aantoonbare redenen niet (geheel) inpandig kan worden gerealiseerd.

8.4.

Eiser heeft aangevoerd dat de plaatsing van de beide installaties (de cv-installatie en de boiler) op het dak een aanzienlijke ruimtebesparing betekent ten opzichte van inpandige plaatsing van deze installaties per woning. Per woning dient dan een ruimte van meerdere vierkante meters te worden gecreëerd, waarin telkens twee installaties moeten worden geplaatst. Daarbij moeten telkens ook rookgasafvoeren naar het dak en boven het dak uit worden geplaatst. Brandrisico’s zijn door de plaatsing van de installaties op het dak inpandig zo goed als uitgesloten, terwijl die risico’s bij twee inpandige installaties per verdieping (de rechtbank begrijpt: woning) zeer veel groter zijn.

8.5.

Eiser heeft ter zitting gesteld dat het weliswaar technisch mogelijk is om voor iedere woning een eigen installatie te hebben, maar dat dat veel ruimte kost en niet de veiligste oplossing is. Bovendien is één installatie energiezuiniger. Een technisch adviesbureau heeft geadviseerd om één installatie te plaatsen. Eiser stelt dat er vóór het plaatsen van de opbouw met de installaties al een andere installatie op het dak stond. Die installatie was niet kleiner dan de huidige dakopbouw. Daarom heeft eiser eerder geen vergunning aangevraagd. Tot slot voert eiser aan dat het afbreken van de installaties en het plaatsen van individuele installaties kapitaalvernietiging oplevert.

8.6.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde redenen om de installatie op het dak te plaatsen niet zijn aan te merken als aantoonbare redenen waarom de installaties niet inpandig gerealiseerd kunnen worden.

8.7.

Eiser heeft kennelijk gekozen voor centrale installaties uit het oogpunt van kostenbesparing, ruimtebesparing en brandveiligheid. Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar begrijpelijk dat deze oplossing voor eiser wenselijk is, maar daarmee heeft hij niet aangetoond dat inpandige realisatie van de installaties niet mogelijk is. De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen van artikel 3.4.4. van de planregels valt op te maken dat deze bepaling is bedoeld voor uitzonderingsgevallen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet worden gesproken van een uitzonderingsgeval zoals bedoeld in de planregels. Niet valt in te zien dat de woningen van eiser in oppervlakte zodanig afwijken van andere woningen dat een inpandige plaatsing van de installaties niet mogelijk is.

8.8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen sprake was van aantoonbare redenen waardoor inpandige plaatsing niet mogelijk was. Verweerder was gelet daarop niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2 van de Wabo, in samenhang met artikel 3.4.4. van de planregels een omgevingsvergunning voor de dakopbouw te verlenen.

9.1.

In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo is – samengevat – bepaald dat een activiteit die in strijd is met een bestemmingsplan kan worden vergund in de gevallen zoals aangewezen in het Besluit omgevingsrecht (Bor) wanneer die activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Bor kan verweerder van het bestemmingsplan afwijken om een dakopbouw mogelijk te maken.

9.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder van die mogelijkheid gebruik had moeten maken. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn financiële belang. Als de dakopbouw en installaties verwijderd moeten worden, levert dat kapitaalvernietiging op. Verder stelt eiser dat ook het woongenot van de huurders wordt aangetast, omdat inpandige realisatie ten koste gaat van de ruimte op alle verdiepingen. De verstoring van het daklandschap had volgens eiser minder zwaar moeten wegen dan zijn belang, omdat de dakopbouw niet zichtbaar is vanaf de straat.

9.3.

Volgens verweerder is de laatst vergunde situatie planologisch het maximaal haalbare op deze locatie. Elke vergroting of verandering is een aantasting van het daklandschap. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat behoud van de bestaande situatie bij orde 2 panden het beleid is en dat iedere wijziging daarom een aantasting is van het daklandschap. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat het niet onevenredig is om van eiser te vragen de installaties inpandig te realiseren. Verweerder stelt dat het gaat om een grote ombouw die niet noodzakelijk is. Verweerder vindt dat het financiële belang van eiser minder zwaar weegt dan het voorkomen van de aantasting van het daklandschap, omdat eiser op eigen risico zonder een vergunning is overgegaan tot plaatsen van de installaties op het dak en het bouwen van een dakopbouw.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat eiser, door in afwijking van de oude vergunning een grotere dakopbouw en een groter dakterras te plaatsen, zelf het risico heeft genomen dat hiervoor geen omgevingsvergunning verleend zou worden. Mede gelet daarop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het belang van behoud van het daklandschap zwaarder kunnen laten wegen dan het financiële belang van eiser.

9.5

Gelet daarop heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren om in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo.

Strijd met redelijke eisen van welstand

10. Aangezien verweerder de omgevingsvergunning al op grond van artikel 2.10 van de Wabo heeft moeten weigeren omdat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, komt de rechtbank niet toe aan de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat de aanvraag in strijd is met redelijke eisen van welstand.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, mr. A.W.C.M. van Emmerik en

mr. H.J. Schaberg, leden, in aanwezigheid van mr. S. van Douwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.