Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1574

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
AMS - 17 _ 3946
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gehandicaptenparkeerkaart bestuurder

Aanvraag gehandicaptenparkeerkaart bestuurder, contra-expertise, Korosec, rechtbank ziet geen aanleiding benoeming deskundige, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3946

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2018 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. V.J. Oranje),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. Jong-A-Kiem).

Procesverloop

Met het besluit van 15 november 2016, verzonden op 16 november 2016, (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder en passagier afgewezen.

Met het besluit van 12 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft in 2013 een auto-ongeval gehad en ervaart nadien ernstige lichamelijke klachten. Op 16 september 2016 heeft zij een gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurder en voor passagier aangevraagd.

1.2.

De GGD-arts [de persoon 1] heeft eiseres op 4 oktober 2016 gezien op het spreekuur en op 20 oktober 2016 advies uitgebracht. De conclusie van het advies is dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een gehandicaptenparkeervoorziening. Eiseres kan zich volgens de GGD-arts zonder hulp van een ander, met gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten voortbewegen. Daarnaast is eiseres volgens de GGD-arts niet van “deur tot deur” afhankelijk van de ondersteuning door een ander.

1.3.

Nadat eiseres aanvullende stukken heeft overgelegd, namelijk informatie van de neuroloog van 9 april 2015, afspraakbrieven en een rekening voor acupunctuurbehandeling bij [de personen] en taxibonnen, heeft de GGD-arts [de persoon 1] op 10 november 2016 opnieuw advies uitgebracht. In dit advies heeft de GGD-arts het advies van 20 oktober 2016 gehandhaafd.

1.4.

Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft eiseres een contra-expertise van [de man] , AIOS verzekeringsarts bij Argonaut, van 22 maart 2017 overgelegd. Eiseres voldoet volgens de arts wel aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder.

1.5.

Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de GGD opnieuw om advies gevraagd. De conclusie van het advies van GGD-arts [de persoon 1] van 31 maart 2017 is dat er onvoldoende grond is gevonden om het advies van 20 oktober 2016 te wijzigen.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft zijn besluitvorming gebaseerd op de adviezen van de GGD. Uit de adviezen volgt dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder of een gehandicaptenparkeerkaart passagier. Uit het advies van 31 maart 2017 volgt dat het advies van Argonaut en de methode van het onderzoek van de verzekeringsarts onvoldoende onderbouwd en geobjectiveerd zijn.

3. Eiseres stelt in beroep dat zij wel aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart voldoet, wat blijkt uit de overgelegde contra-expertise van Argonaut. Eiseres heeft daarbij medische informatie van de neuroloog van 14 juli 2017 en een brief van de huisarts van 6 november 2017 overgelegd. Met deze informatie, in samenhang met de overige medische stukken, is volgens eiseres de noodzaak voor een gehandicaptenparkeerkaart voldoende onderbouwd.

4. Verweerder heeft naar aanleiding van het beroepschrift de GGD nogmaals om advies gevraagd. De conclusie van de GGD-arts [de persoon 2] in het advies van 16 januari 2018 is dat er geen nieuwe medische feiten zijn gevonden op grond waarvan het advies moet worden herzien. Het is de GGD-arts niet duidelijk op grond waarvan Argonaut de loopafstand als minder dan 100 meter inschat.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres heeft op de zitting gezegd dat zij afziet van de gehandicaptenparkeerkaart passagier, nu de arts van Argonaut zich op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aan de criteria hiervoor voldoet. Het geschil beperkt zich dus tot de vraag of eiseres voldoet aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd op vier adviezen van de GGD door twee verschillende artsen, die beide tot de conclusie komen dat bij eiseres geen sprake is van een loopbeperking waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. Daar staat tegenover dat eiseres een contra-expertise heeft ingebracht van Argonaut, waarin de arts [de man] schrijft dat eiseres locomotorische beperkingen heeft, waardoor zij beperkingen in haar mobiliteit heeft en niet met loophulpmiddelen een afstand van 100 meter aaneengesloten kan lopen.

6.2.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 30 juni 20171 uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen naar aanleiding van het arrest in de zaak Korosec.2 Deze uitspraak is ook van toepassing op advisering door een medisch deskundige zoals de GGD. De te beoordelen stappen zijn:


1. Zorgvuldigheid van de besluitvorming,
2. ‘Equality of arms’, en de
3. Inhoudelijke beoordeling.


Stap 1: Zorgvuldigheid van de besluitvorming

6.3.

De GGD-arts [de persoon 1] heeft eiseres gezien op het spreekuur, het looppatroon geobserveerd, medische informatie (in het GGD-dossier, door eiseres op het spreekuur aangeleverd en opgevraagd bij de huisarts) geraadpleegd en het VIA protocol getoetst. In de aanvullende adviezen heeft de GGD-arts [de persoon 1] de nader door eiseres ingediende medische informatie en de contra-expertise van Argonaut beoordeeld. Naar aanleiding van het beroepschrift heeft een tweede GGD-arts, [de persoon 2] , het dossier opnieuw bestudeerd. Alle door eiseres overgelegde medische stukken zijn in de adviezen van de GGD meegenomen. De opbouw en de conclusies van de adviezen zijn logisch en duidelijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de adviezen van de GGD aan de eis voldoen dat zij op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze zijn opgesteld en zorgvuldig tot stand zijn gekomen.


Stap 2: ‘Equality of arms’

6.4.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘equality of arms’ is van belang of eiseres voldoende ruimte heeft gehad voor betwisting van de medische bevindingen van de GGD-adviezen. De rechtbank stelt vast dat eiseres die ruimte heeft gehad en ook heeft gebruikt door een contra-expertise van Argonaut over te leggen. De GGD-artsen hebben in de bezwaarfase en in beroep hierover een standpunt ingenomen. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting de telefonische reactie van de arts van Argonaut uiteengezet. Omdat eiseres voldoende ruimte heeft gehad om de medische bevindingen in de GGD-adviezen te betwisten, is van een schending van ‘equality of arms’ geen sprake.


Stap 3: Inhoudelijke beoordeling

6.5.

De artsen van de GGD en van Argonaut verschillen van mening over de vraag of eiseres in staat moet worden geacht om met de gebruikelijke loophulpmiddelen zelfstandig een afstand van 100 meter te overbruggen. De GGD-arts [de persoon 1] schrijft in het advies van 31 maart 2017 over de contra-expertise van Argonaut dat de arts [de man] eiseres op het spreekuur heeft gezien, maar dat niet blijkt dat hij aanvullende medische informatie heeft bestudeerd. [de man] heeft aan het rechterbeen van eiseres een niet nader in getal uitgedrukt krachtsverlies geconstateerd, maar niet duidelijk blijkt welke onderzoeksmethode daarbij is gebruikt. Krachtverlies van één been op zich vormt volgens [de persoon 1] geen onderbouwing voor een maximale loopafstand van slechts 100 meter aaneengesloten. Een nadere medische objectivering van deze bevinding is volgens [de persoon 1] kennelijk niet verricht. Ook de GGD‑arts [de persoon 2] schrijft in zijn advies van 16 januari 2018 dat hij de beoordeling van de arts [de man] van Argonaut niet kan onderschrijven, omdat deze geen informatie bij behandelaars heeft ingewonnen. Het is [de persoon 2] daarom niet duidelijk op grond waarvan [de man] de loopafstand als minder dan 100 meter inschat.

De rechtbank volgt de conclusies van de GGD-artsen in reactie op de contra-expertise van Argonaut. Het standpunt van de contra-expert dat eiseres minder dan 100 meter kan lopen, is blijkens zijn rapport gebaseerd op het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur en wordt niet door andere medische gegevens bevestigd. Niet duidelijk is welke onderzoeksmethode is gebruikt en of aanvullende medische informatie is bestudeerd door de contra-expert.

Om deze redenen ziet de rechtbank ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling, ondanks de ingebrachte contra-expertise, geen aanleiding om de medische beoordeling door verweerder voor onjuist te houden.

6.6

Gezien het voorgaande mocht verweerder zijn besluitvorming baseren op de adviezen van de GGD. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een derde onafhankelijke deskundige te benoemen.


Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier
. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:CRVB:2017:2226

2 Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (ECHR) van 8 oktober 2015 in de zaak Korosec tegen Slovenië (ECLI:CE:ECHr:2015:1008JUD007721212)