Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1561

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4083
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2998, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het oprichten van 30 nieuwbouwappartementen in Amsterdam Noord (kavel). Crisis- en herstelwet. Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan? De rechtbank is met het college van oordeel van niet. Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat de woningen niet eerder in gebruik mogen worden gegeven dan wanneer de parkeergarage op kavel gerealiseerd is en daarbij parkeerplaatsen geoormerkt beschikbaar moeten zijn voor de gebruikers van dit gebouw. Daarnaast is conform het bestemmingsplan als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat na voltooiing van de laatste woning een parkeeronderzoek zal moeten plaatsvinden. Er zijn geen andere weigeringsgronden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het college heeft de omgevingsvergunning dan ook terecht verleend. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4083

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Wegter Applicatie- & Beschermtechniek B.V.,

de besloten vennootschap Wegter Vastgoed en Beleggingen B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam, eiseressen, hierna tezamen: Wegter

(gemachtigde: mr. H. Elmas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.R. Slot).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

De Alliantie Ontwikkeling B.V., gevestigd te Hilversum, vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als Wegter, het college en De Alliantie.

Procesverloop

Met een besluit van 2 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft het college aan De Alliantie een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 30 koopwoningen met bijbehorende voorzieningen en een bedrijfsruimte/bijeenkomstfunctie aan [adres 1] , oneven en [adres 2] te Amsterdam ( [kavel] ).

Wegter heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 februari 2018. De zaak is daar gelijktijdig behandeld met vijf andere beroepszaken van Wegter tegen vijf andere omgevingsvergunningen, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummers AMS 17/133, AMS 17/684, AMS 17/1184, AMS 17/1759 en AMS 17/1922. Wegter is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, [de persoon 1] en bijgestaan door [de man] ( [beroep] van M+P raadgevende ingenieurs BV). Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, door mr. M. Hop en door mr. D.A. Cleton. De Alliantie is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [de persoon 2] , ontwikkelingsmanager bij De Alliantie.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Achtergrond

1. Wegter is een bedrijf gelegen in Amsterdam Noord aan [adres 3] . Het bedrijf legt zich toe op het poedercoaten en natlakken van middelgrote metaalproducten. Het bedrijf is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en vanwege onder andere werkzaam-heden als metaalspuiten en moffelen ingedeeld in categorie 3.2 uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Deze milieucategorie heeft tot gevolg dat binnen een straal van 50 meter rond Wegter geluidgrenswaarden gelden van 50/45/40 dB(A). Binnen deze straal zijn geen milieugevoelige functies, zoals woningen, toegestaan.

2. De gemeente Amsterdam wil het voormalige bedrijfsterrein van [bedrijf] aan [adres 3] en [adres 4] , gelegen [in de buurt van] Wegter gevestigd is, her- ontwikkelen en daar een gemengde functie van wonen en werken mogelijk maken.

3. Wegter vreest dat de komst van meer woningen in de omgeving haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering zal belemmeren en is daarom tegen de herontwikkeling zoals de gemeente voor ogen staat.

Besluitvorming

4. De Alliantie heeft op 29 juni 2015 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op het [project] en het oprichten van 30 nieuwbouw appartementen op [kavel] aan [adres 1] , oneven en [adres 2] te Amsterdam. Deze kavel ligt op [aantal meters] afstand van Wegter.

5. Het college heeft met het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Volgens het college past het bouwplan geheel binnen het geldende bestemmingsplan “Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham”. Omdat zich ook geen andere weigeringsgronden voordoen, moet de omgevingsvergunning worden verleend, aldus het college.

6. Wegter is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Wegter voert daartegen, kort samengevat, aan dat het bouwplan niet in het geldende bestemmingsplan past en dat het college het bestreden besluit daarom niet kon nemen zonder daaraan een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing ten grondslag te leggen. Omdat het college niet heeft onderzocht of het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, heeft het college de werkzaamheden van Wegter onvoldoende in kaart gebracht en zijn daardoor de milieu-effecten op het gebied van geluid en geur voor de omgeving onderschat. Daarnaast heeft het college geen deugdelijk onderzoek gedaan naar de gevolgen van de bouwplannen voor de verkeerssituatie ter plaatse en de parkeerdruk in de omgeving, aldus Wegter.

Wat kan en moet de rechtbank beoordelen?

7. Voor de wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak, die daar deel van uitmaakt.

8. De rechtbank stelt voorop dat op deze zaak de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. Op grond van deze wet is de rechtbank verplicht deze zaak versneld te behandelen en binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen. Dit staat in artikel 1.6 van de Chw. De rechtbank heeft in dit geval de termijn van zes maanden niet gehaald. Dit is onder meer het gevolg van de uitkomst van een regiezitting die tussen partijen heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017 in de beroepen met zaaknummers AMS 17/133, AMS 17/684, AMS 17/1184 en AMS 17/1759. Tijdens deze regiezitting is in samenspraak met partijen besloten te wachten op de uitkomst van het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de vaststelling van de “Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham”. Omdat de uitkomst van het StAB-rapport ook relevant is voor deze beroepszaak is besloten om ook in deze zaak op die uitkomst en de uitspraak van de Afdeling te wachten. Partijen hebben zowel schriftelijk op het StAB-rapport als op de uitspraak van de Afdeling gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak voor een inhoudelijke behandeling op zitting gepland. Nu de termijn genoemd in artikel 1.6, vierde lid, van de Chw een termijn van orde is1, is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding hiervan geen gevolgen heeft voor de uitkomst van deze beroepsprocedure.

9. De rechtbank constateert dat het college de uniforme openbare voorbereidings-procedure (uov) heeft toegepast, terwijl de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Uit artikel 3.10 van de Wabo volgt in dat geval dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit valt te verklaren omdat ten tijde van de aanvraag door De Alliantie nog de “Derde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham” gold en de aanvraag daarmee in strijd was. Op 25 februari 2017 is echter de “Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham” (hierna: het bestemmingsplan) in werking getreden. Ten tijde van het bestreden besluit gold dus een nieuw bestemmingsplan en volgens het college is de aanvraag daarmee niet langer in strijd. Naar het oordeel van de rechtbank is Wegter door de toepassing van de uov niet in haar belangen geschaad, nu deze procedure met minstens evenveel waarborgen is omkleed als de reguliere voorbereidingsprocedure en Wegter haar zienswijze op de ontwerp-omgevingsvergunning heeft kunnen geven.

10. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het bouwplan geheel binnen het bestemmingsplan past. Het antwoord is van belang voor de beoordeling of het college de omgevingsvergunning terecht met toepassing van artikel 2.10 van de Wabo heeft verleend. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan geheel in het bestemmingsplan past. Wegter voert aan dat het bouwplan op talloze punten in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Dit zal de rechtbank doen aan de hand van de door Wegter aangevoerde beroepsgronden.

Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan?

11.1

Wegter voert in beroep aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 3, onder q, van het bestemmingsplan, omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet het planologisch vereiste onderzoek is uitgevoerd.

11.2

Het door Wegter bedoelde onderzoek wordt genoemd in artikel 3, onder q, sub 5, van de planregels. In dat artikel staat dat de daar genoemde parkeernormen gelden met dien verstande dat als blijkt dat er voor de gerealiseerde woningen en andere functies binnen de genoemde bouwkavels een tekort aan parkeerplaatsen aanwezig is, die parkeerplaatsen alsnog binnen de betreffende kavels worden gerealiseerd, dan wel daar - op andere de parkeerdruk niet belastende wijze - in wordt voorzien en die verplichting als voorschrift in de te verlenen omgevingsvergunningen wordt doorgelegd. Dit tekort zou kunnen blijken uit de vergelijking tussen de vóór vaststelling van dit bestemmingsplan verrichte nulmeting en de telling die plaatsvindt binnen een jaar na de voltooiing van de laatste woning.

11.3

De rechtbank stelt vast dat in dit geval aan de omgevingsvergunning het voorschrift is verbonden dat de woningen niet eerder in gebruik mogen worden gegeven dan wanneer de parkeergarage op [kavel] gerealiseerd is en waarbij 26 parkeerplaatsen (marktwoning 3100m2 bvo/125m2 + bedrijfsruimte 150m2 bvo/125m2 = 26 p.p.) geoormerkt beschikbaar moeten zijn voor de gebruikers van dit gebouw. Daarnaast is het voorschrift als bedoeld in artikel 3, onder q, van de planregels aan de omgevingsvergunning verbonden. Het onderzoek waar Wegter naar verwijst heeft nog niet plaatsgevonden, omdat de laatste woning nog niet is voltooid. Tijdens de zitting is namens het college vermeld dat in 2014 een nulmeting heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 3, onder q, sub 5, van de planregels. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat deze nulmeting niet (kenbaar) aan de omgevingsvergunning ten grondslag is gelegd maakt het bestreden besluit nog niet onjuist, nu aan de nulmeting zelf nog niet de conclusie kan worden verbonden dat niet aan de parkeernormen en dus niet aan het bestemmingsplan wordt voldaan. Aangezien het college wel de in het bestemmingsplan genoemde voorwaarde als voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan of de omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan. Deze beroeps-grond kan dan ook niet slagen.

12. Tussen partijen is verder niet in geschil dat geen van de andere weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wabo zich voordoet. De conclusie dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan heeft dan ook tot gevolg dat het college gehouden was de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Aan een ruimtelijke onderbouwing met een belangenafweging als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo wordt daarom niet toegekomen. Dit betekent dat de parkeerbelasting of de verkeerseffecten geen rol spelen. Evenmin kan in deze beoordeling betrokken worden de vraag of het bouwplan financieel wel haalbaar of uitvoerbaar zou zijn.

Is een verklaring van geen bedenkingen vereist?

13.1

Wegter voert in beroep aan dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen, omdat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is verkregen.

13.2

Op grond van artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is voor een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig. Nu het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en het college de omgevingsvergunning terecht met artikel 2.10 van de Wabo heeft verleend, missen deze artikelen toepassing. Er is immers geen omgevingsvergunning verleend waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

Vertrouwensbeginsel

14.1

Wegter doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij verwijst naar het voornemen van het college om aan Wegter een maatwerkvoorschrift op te leggen in de periode juni/juli 2008. In het voornemen staat dat er geen woningen of andere geluids-gevoelige gebouwen in de akoestische invloedssfeer van de inrichting zijn en dat ook in de toekomstige situatie er geen woningen dichtbij de inrichting gebouwd zullen worden. In een brief van 25 september 2008 heeft het college naar aanleiding van de zienswijze van Wegter besloten af te zien van een maatwerkvoorschrift. Volgens Wegter blijkt hieruit een toezegging van het college dat er geen woningen in de directe nabijheid van Wegter zullen komen.

14.2

De rechtbank stelt vast dat het ontwerpmaatwerkvoorschrift en de brief van 25 september 2008 tot stand zijn gekomen onder een ander planologisch regime. In 2009 is het moederplan Buiksloterham vastgesteld. Nadien zijn er al woningen op een afstand van 140 meter van Wegter gerealiseerd. Wegter is daar destijds niet tegenop gekomen. Wegter heeft tijdens de zitting desgevraagd geantwoord dat deze woningbouw tot nu toe niet tot klachten over Wegter heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Wegter onder deze omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat in 2008 in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat er in de toekomst geen woningen in de nabijheid van Wegter zullen worden gebouwd.

Conclusie

15. Het voorgaande betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter, mr. P.H.A. Knol en mr. B. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.

Burgers kunnen ook digitaal hoger beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen hoger beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de Afdeling vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage wettelijk kader

Crisis- en herstelwet (Chw)

In artikel 16, eerste lid, van de Chw is bepaald dat de bestuursrechter het beroep behandelt met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de bestuursrechter binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak doet.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo - voor zover hier relevant - is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

In artikel 6.5, eerste lid, van het Bor is bepaald dat, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham

Artikel 3 van de planregels, voor zover relevant, luidt:

Gemengd

a. Aan artikel 4 lid 1 van het bestemmingsplan Buiksloterham wordt onder o toegevoegd: 'een onderdoorgang, uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding (ond)'.

b. De bouwhoogte wijzigt zoals aangegeven op de verbeelding van de Vierde partiële herziening Buiksloterham.

c. De floorspace-index wijzigt zoals aangegeven op de verbeelding van de Vierde partiële herziening Buiksloterham.

q. In afwijking van artikel 4 lid 5 onder m en p van het bestemmingsplan Buiksloterham gelden ter plaatse van de bouwkavels met de perceelnummers 7220, 6660, 2216, 4470, 7310, 7311; het deel van de bouwkavel met perceelnummer 8924 (kavel 20) en het oostelijke deel van bouwkavel met perceelnummer 8426 de volgende parkeernormen:

1. 1. sociale huurwoningen: 1 parkeerplaats per 200 m2 bruto vloeroppervlak;

2. 2. marktwoningen: 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak;

3. 3. zelfbouwwoningen: 1 parkeerplaats per woning;

4. 4. bedrijven: 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak;

5. 5. overige functies: 1 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak.
met dien verstande dat voor de bouwkavels met de perceelnummers 7220, 6660, 2216, 4470, 7310, 7311 geldt dat:

 voor zover de normen onder sub 1, 2 en 3 afwijken van het geldende parkeerbeleid en

 blijkt uit de vergelijking tussen de vóór vaststelling van dit bestemmingsplan verrichte nulmeting en de telling die plaatsvindt binnen een jaar na de voltooiing van de laatste woning, er voor de gerealiseerde woningen en andere functies binnen de bouwkavels een tekort aan parkeerplaatsen aanwezig is,

 die parkeerplaatsen alsnog binnen de betreffende kavels worden gerealiseerd, dan wel daar - op andere de parkeerdruk niet belastende wijze - in wordt voorzien en

 die verplichting als voorschrift in de te verlenen omgevingsvergunningen wordt doorgelegd.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2660.