Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1559

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 133
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3039, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunningen voor het oprichten van huur- en koopwoningen in Amsterdam Noord (nummer kavels). Crisis- en herstelwet. Zijn de bouwplannen in strijd met een goede ruimtelijke ordening? De rechtbank is met eiseressen van oordeel dat geen kenbaar geuronderzoek aan de vergunningen ten grondslag lag. Dit is hangende beroep hersteld. De aspecten geluid, verkeer en parkeren zijn wel voldoende onderzocht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bouwplannen dus niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn gegrond, maar de rechtsgevolgen blijven geheel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/133, AMS 17/684, AMS 17/1184 en AMS 17/1759

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaken tussen

de besloten vennootschap Wegter Applicatie- & Beschermtechniek B.V.,

de besloten vennootschap Wegter Vastgoed en Beleggingen B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam, eiseressen, hierna tezamen: Wegter

(gemachtigde: mr. H. Elmas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.R. Slot).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

De Alliantie Ontwikkeling B.V., gevestigd te Hilversum, vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als Wegter, het college en De Alliantie.

Procesverloop

AMS 17/133

Met het besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit I) heeft het college aan De Alliantie een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 47 huurwoningen aan [adres 1] en [adres 2] te Amsterdam ( [kavel kenmerk] ).

AMS 17/684

Met het besluit van 20 december 2016 (het bestreden besluit II) heeft het college aan De Alliantie een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 37 koopwoningen aan [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] te Amsterdam ( [kenmerk] ).

AMS 17/1184

Met het besluit van 10 januari 2017 (het bestreden besluit III) heeft het college aan De Alliantie een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 42 huurwoningen aan [adres 6] en [adres 7] te Amsterdam ( [kavel] ).

AMS 17/1759

Met het besluit van 1 februari 2017 (het bestreden besluit IV) heeft het college aan De Alliantie een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 49 huurwoningen aan [adres 8] , oneven ( [kenmerk kavel] ).

In alle zaken

Wegter heeft tegen de bestreden besluiten I t/m IV beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Op 16 mei 2017 heeft de rechtbank de vier zaken gevoegd behandeld op een regiezitting. Wegter is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en haar [persoon] en [de persoon 1] . Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. M. Hop, mr. D.A. Cleton en drs. M.J. van Baaren. De Alliantie is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [de persoon 2] , ontwikkelingsmanager bij De Alliantie.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) af te wachten in de procedure over de “Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham” bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met zaaknummer 201701682/1/R6. Partijen hebben schriftelijk op het StAB-rapport van 23 mei 2017 gereageerd. Op 27 september 2017 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in voornoemde procedure. Partijen hebben ook schriftelijk op deze uitspraak gereageerd.

De inhoudelijke behandeling van de zaken op zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. De zaken zijn daar gelijktijdig behandeld met twee andere beroepszaken van Wegter tegen twee andere omgevingsvergunningen, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummers AMS 17/1922 en AMS 17/4083. Wegter is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, [persoon] en bijgestaan door [de persoon 3] ( [beroep] van M+P raadgevende ingenieurs BV, hierna: M+P). Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. M. Hop en mr. D.A. Cleton. De Alliantie is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [de persoon 2]

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Achtergrond

1. Wegter Applicatie- & Beschermtechniek B.V. is een bedrijf gelegen in Amsterdam Noord aan [adres 3] . Het bedrijf legt zich toe op het poedercoaten en natlakken van middelgrote metaalproducten. Het bedrijf is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en vanwege onder andere werkzaamheden als metaalspuiten en moffelen ingedeeld in categorie 3.2 uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (hierna: de VNG-brochure). Deze milieucategorie heeft tot gevolg dat binnen een straal van 50 meter rond Wegter geluidgrenswaarden gelden van 50/45/40 dB(A). Binnen deze straal zijn geen milieugevoelige functies, zoals woningen, toegestaan.

2. De gemeente Amsterdam wil het voormalige bedrijfsterrein van [bedrijf] aan [adres 3] en [adres 9] , gelegen [in de buurt van] het perceel waar Wegter gevestigd is, her- ontwikkelen en daar een gemengde functie van wonen en werken mogelijk maken.

3. Wegter vreest dat de komst van meer woningen in de omgeving haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering zal belemmeren en is daarom tegen de herontwikkeling zoals de gemeente voor ogen staat.

Besluitvorming

4. De Alliantie heeft op 26 juni 2015 ( [kenmerk kavel] ) en 30 juni 2015 ( [kavels] ) vier aanvragen voor een omgevingsvergunning ingediend. Deze vier aanvragen hebben, onder meer, betrekking op het realiseren (oprichten) van zowel huur- als koopwoningen.

5. Het college heeft met de bestreden besluiten de gevraagde omgevingsvergunningen verleend. Volgens het college kan, kort samengevat, worden afgeweken van het geldende bestemmingsplan “Derde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham”, omdat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de bouwplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

6. Wegter is het niet eens met de verleende omgevingsvergunningen. Wegter voert daartegen in alle vier de zaken, kort samengevat, aan dat de bestreden besluiten een goede ruimtelijke onderbouwing missen. Volgens Wegter heeft het college haar werkzaamheden onvoldoende in kaart gebracht en zijn daardoor de milieu-effecten op het gebied van geluid en geur voor de omgeving onderschat. Daarnaast heeft het college geen deugdelijk onderzoek gedaan naar de gevolgen van de bouwplannen voor de verkeerssituatie ter plaatse en de parkeerdruk in de omgeving.

Wat kan en moet de rechtbank beoordelen?

7. Voor de wet- en regelgeving die op deze zaken van toepassing is verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak, die daar deel van uitmaakt.

8. De rechtbank stelt voorop dat op deze zaken de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. Op grond van deze wet is de rechtbank verplicht deze zaken versneld te behandelen en binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen. Dit staat in artikel 1.6 van de Chw. De rechtbank heeft in dit geval de termijn van zes maanden niet gehaald. Dit is onder meer het gevolg van de uitkomst van de regiezitting van 16 mei 2017, waar in samenspraak met partijen is besloten om het StAB-rapport in de procedure bij de Afdeling af te wachten. Partijen hebben daarna schriftelijk op het StAB-rapport gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens besloten om ook de uitspraak van de Afdeling in die procedure af te wachten. Op die uitspraak en de eventuele gevolgen daarvan voor deze beroepszaken hebben partijen ook schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank de zaken voor een inhoudelijke behandeling op zitting gepland. Nu de termijn genoemd in artikel 1.6, vierde lid, van de Chw een termijn van orde is1, is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding hiervan geen gevolgen heeft voor de uitkomst van de onderhavige procedures.

9. Ten tijde van de bestreden besluiten gold ter plaatse het bestemmingsplan “Derde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham” (hierna: het bestemmingsplan). Op de gronden waarop de bouwplannen zien rust de bestemming ‘Gemengd’ en de gebiedsaanduiding ‘zone wet milieubeheer’. Op deze gronden zijn bedrijven, gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen en wegen ten behoeve van de ontsluiting van gebouwen toegestaan. Wonen en andere milieugevoelige functies zijn op deze gronden niet toegestaan. De bouwplannen zijn op verschillende onderdelen in strijd met de planregels. De grootste afwijking is de functie wonen die hiermee mogelijk wordt gemaakt. Tussen partijen is dat ook niet in geschil. Het college kan in afwijking van het bestemmingsplan hier toch een omgevingsvergunning voor verlenen, maar dit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Dit staat in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft een zekere beoordelingsvrijheid bij de keuze om wel of niet van het bestemmingsplan af te wijken. Daarom kan de rechtbank die keuze alleen terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure geen eigen oordeel geeft over de vraag of de nieuwbouw er zou moeten komen, maar alleen kan en zal beoordelen of het college de vier omgevingsvergunningen ‘in redelijkheid’ heeft kunnen verlenen. De rechtbank zal dit doen aan de hand van de door Wegter aangevoerde beroepsgronden.

Beoordeling van formele aspecten van de procedure

10.1.

De Alliantie heeft naar voren gebracht dat zij twijfelt of Wegter Vastgoed en Beleggingen B.V. wel een rechtstreeks belang heeft bij deze procedures.

10.2

De rechtbank stelt vast dat Wegter Vastgoed Beleggingen B.V. volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven op het [adres 3] , tegenover het voormalige [bedrijf] . De rechtbank is van oordeel dat alleen al vanwege de locatie van dit bedrijf in de nabijheid van de kavels die in deze procedures aan de orde zijn, niet kan worden uitgesloten dat Wegter Vastgoed Beleggingen B.V. directe gevolgen van de bouwplannen zal ondervinden (bijvoorbeeld in de waarde van het onroerend goed dat zij bezit). De rechtbank merkt Wegter Vastgoed Beleggingen B.V. daarom aan als belanghebbende en zij is om die reden ontvankelijk in haar beroep.

11.1

Wegter stelt zich op het standpunt dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat de omgevingsvergunningen zijn gewijzigd ten opzichte van de ontwerpbesluiten en het college nog na de zienswijzetermijn nieuwe stukken daaraan ten grondslag heeft gelegd.

11.2

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Wegter heeft op 18 januari 2016 en 27 februari 2016 haar schriftelijke zienswijzen op de vier ontwerpbesluiten ingediend. Wegter heeft vervolgens op 29 maart 2016 ter ondersteuning van haar zienswijzen op de aspecten geluid en geur een rapport (memo) van M+P van 25 maart 2016 ingebracht. Dit rapport van M+P is voor het college aanleiding geweest om Alcedo een nader onderzoek te laten verrichten. Alcedo heeft op 24 mei 2016 een notitie met akoestische onderzoeksbevindingen opgesteld. Deze notitie is door het college ten grondslag gelegd aan de bestreden besluiten. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat het college niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het rapport van Alcedo te betrekken bij de besluitvorming, terwijl Wegter niet haar zienswijze op dit rapport heeft gegeven. Het rapport van Alcedo was ten tijde van de terinzagelegging nu eenmaal nog niet beschikbaar. De rechtbank betrekt daarbij ook de omstandigheid dat Wegter in beroep inhoudelijke gronden tegen het rapport van Alcedo heeft kunnen richten. Dat Wegter hierdoor in haar belangen is geschaad is niet aannemelijk geworden.

12.1

Wegter stelt zich daarnaast op het standpunt dat het college de omgevingsvergunningen niet heeft kunnen verlenen, omdat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is verkregen.

12.2

Op grond van artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is voor een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig. De gemeenteraad kan op grond van het derde lid van artikel 6.5 van het Bor categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. Dat heeft de gemeenteraad in dit geval gedaan met het besluit van 8 september 2010. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de projecten waarop de omgevingsvergunningen betrekking hebben onder de reikwijdte van het besluit van 8 september 2010 vallen. Dat sprake is van strijd met één van de in het besluit van 8 september 2010 genoemde uitzonderingen is de rechtbank niet gebleken. De stelling van Wegter tijdens de zitting van 6 februari 2018 dat de projecten mogelijk in strijd zijn met het Locatiebeleid Amsterdam 2008 is daarvoor onvoldoende.

Beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden

13. Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat de bouwplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van LPB Sight van 6 november 2015, waarin wordt geconcludeerd dat er geen negatieve ruimtelijke gevolgen zijn en dat er vanuit milieuoogpunt geen bezwaren tegen realisatie van de plannen zijn. De parkeernorm voldoet volgens het college aan het moederplan Buiksloterham. Er is een voorschrift aan de vergunningen verbonden waardoor de woningen niet eerder in gebruik gegeven mogen worden dan wanneer de parkeergarage op [ruimte] gerealiseerd is en de benodigde parkeerplaatsen geoormerkt beschikbaar zijn voor de bewoners van de [kavels] De verkeerssituatie is in de nieuwe situatie niet onveiliger dan wanneer uitgegaan zou worden van verwezenlijking van de functies die op basis van het bestemmingsplan planologisch toegestaan zijn. Gelet op de afstand van Wegter tot de kavels ( [kavel] ongeveer 220 meter, [kavel kenmerk] ongeveer 150 meter, [kenmerk kavel] ongeveer 110 meter en [kenmerk] ongeveer 200 meter) is geen geur- of geluidshinder te verwachten en zal er ook geen aantasting zijn van de milieuruimte van Wegter, aldus het college.

14. Wegter heeft in de vier zaken gelijkluidende beroepsgronden aangevoerd. Deze komen er in de kern op neer dat het college volgens Wegter onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de ruimtelijke impact van de bouwplannen op de omgeving, meer in het bijzonder op het verkeer en het parkeren. Daarnaast is Wegter van mening dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende rekening is gehouden met de milieuzone rond Wegter en de milieugevolgen van de bedrijfsvoering van Wegter op milieugevoelige objecten in de omgeving. Wegter doelt daarmee met name op de geluidsbelasting en de geuremissies die zij produceert. Wegter heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar het rapport van M+P van 25 maart 2016. Daarnaast voert Wegter gronden aan tegen de herprofilering van de straat en het feit dat de milieuzonering niet juist is vastgesteld.

15. De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 21 december 2016 de “Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham” (hierna: de vierde herziening) vastgesteld. De vierde herziening is op 25 februari 2017 in werking getreden. Met deze herziening is de uitgebreide milieuzone die gold voor het bedrijfsterrein van [bedrijf] komen te vervallen en wordt in het plangebied onder meer woningbouw toegestaan. De bestemming van Wegter en de voor Wegter geldende milieuzonering van 50 meter is niet gewijzigd. Wegter heeft beroep ingesteld tegen de vierde herziening. De Afdeling heeft dit beroep op 27 september 2017 gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen geheel in stand gelaten.2 Dat betekent dat er op dit moment een ander planologisch regime geldt. De rechtbank zal de bestreden besluiten echter moeten toetsen aan het bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van de verleende omgevingsvergunningen. Het vervallen van de milieuzonering ter plaatse van het [bedrijf] is met de uitspraak van de Afdeling over de vierde herziening onherroepelijk geworden en daarmee een gegeven. Dit heeft echter geen effect op de verleende omgevingsvergunningen, omdat ten tijde van de bestreden besluiten nog wel rekening diende te worden gehouden met die milieuzone.

16. De rechtbank overweegt verder dat de plannen die de gemeente heeft voor de herprofilering van [adres 3] en [adres 9] geen deel uitmaken van de onderhavige omgevingsvergunningen. Hetgeen Wegter hierover in beroep naar voren heeft gebracht valt buiten de omvang van dit geding en kan dan ook niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

Geur

17.1

De Afdeling heeft het beroep van Wegter tegen de vierde herziening gegrond verklaard, omdat aan de vierde herziening geen geuronderzoek ten grondslag was gelegd. De geurmetingen die vóór de vaststelling van de vierde herziening op 24 en 25 november 2016 waren verricht, zijn door de gemeenteraad niet kenbaar aan de vaststelling van de vierde herziening ten grondslag gelegd. De Afdeling heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van de vierde herziening in stand te laten omdat de gemeenteraad na de vaststelling van de vierde herziening nog een tweetal geurnotities van Witteveen+Bos heeft ingebracht en de gemeenteraad zich op basis van deze geurnotities in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat Wegter wat betreft geuroverlast geen beperkingen in haar bedrijfsvoering zal ondervinden van de in de vierde herziening mogelijk gemaakte woningbouw.

17.2

De rechtbank ziet mede in de conclusies van de Afdeling aanleiding om ook de beroepen van Wegter tegen de bestreden besluiten gegrond te verklaren. Ook ten tijde van de onderhavige omgevingsvergunningen lag er geen kenbaar geuronderzoek aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag. Ten tijde van het bestreden besluit I op 25 november 2016 was er nog niets over de resultaten van de metingen op 24 en 25 november 2016 bekend. In december 2016 zijn wel notities van Witteveen+Bos verschenen, maar daarover wordt ook in de drie andere, latere omgevingsvergunningen niets vermeld, omdat de ruimtelijke onderbouwing die op alle vier de aanvragen ziet, na het bestreden besluit I niet is gewijzigd. Op 18 januari 2017 heeft Witteveen+Bos een notitie uitgebracht die specifiek betrekking heeft op [kavel kenmerk] , maar die dateert van na het bestreden besluit I. Omdat aan de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunningen geen geuronderzoek ten grondslag is gelegd, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Dat betekent dat de bestreden besluiten in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn genomen. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen. In het kader van een finale geschilbeslechting als bedoeld in artikel 8:41a van de Awb zal de rechtbank hierna bezien of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven.

17.3

Het college heeft zich in (een van) de verweerschriften en tijdens de zitting van 6 februari 2018 op het standpunt gesteld dat rekening is gehouden met de richtafstanden voor geur en geluid uit de VNG-brochure.3 Op grond van de VNG-brochure hoort bij de milieucategorie waar Wegter in valt, 3.2, een richtafstand van maximaal 100 meter. Aangezien het gebied waarop de bouwplannen betrekking hebben is aangeduid als een gemengd gebied, geldt volgens de VNG-brochure in dit geval echter een maximale richtafstand van 50 meter, aldus het college. Met deze richtafstand is volgens het college zowel in het bestemmingsplan als in de vierde herziening rekening gehouden. De onderhavige omgevingsvergunningen zien op kavels die op minimaal 110 meter afstand van Wegter liggen, zodat volgens het college niet aannemelijk is dat de geuremissies van Wegter het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de kavels negatief zullen beïnvloeden.

17.4

De rechtbank is gelet op de hierboven door het college in beroep naar voren gebrachte argumenten van oordeel dat op het aspect geur geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft het aspect geur is de motivering die in de beroepsfase is gegeven dus voldoende.

17.5

Om te kunnen bepalen of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven, zal de rechtbank hierna beoordelen of de bestreden besluiten ook ten aanzien van de andere aspecten - geluid, parkeren en verkeer - stand houden.

Geluid

18. Ten aanzien van het aspect geluid overweegt de rechtbank als volgt. Wegter heeft in de zienswijzeprocedures een rapport van M+P van 25 maart 2016 ingediend. In dit rapport heeft M+P geconcludeerd dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van niet geactualiseerde gegevens. M+P heeft daarom geadviseerd om een nieuw akoestisch onderzoek op te stellen, waarbij alle relevante bronnen (deels opnieuw) worden gemeten en in het akoestisch model worden opgenomen. M+P adviseert daarbij ook de toekomstige ontwikkelingen mee te nemen, om te bezien of de geluidsbelasting voldoet aan de maximale waarde waarvoor binnen het Activiteitenbesluit Milieubeheer maatwerk kan worden verleend. Het college heeft naar aanleiding van het rapport van M+P een akoestisch onderzoek laten verrichten door Alcedo. Alcedo heeft op 24 mei 2016 een notitie uitgebracht waarbij de conclusies en adviezen van M+P zijn betrokken en is uitgegaan van een ‘worst case scenario’ met langere bedrijfstijden en dus mogelijk meer geluidsbelasting. Belangrijk om te vermelden is dat in dit onderzoek ook rekening is gehouden met de bebouwing van kavels die dichterbij Wegter zijn gelegen, maar die niet tot de nu voorliggende omgevingsvergunningen behoren. De conclusie van Alcedo is dat als uitgegaan wordt van de door M+P geschetste bedrijfsvoering van Wegter, op enkele beoordelingspunten niet kan worden voldaan aan de verruimde geluidsvoorschriften van 55 dB(A)-etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de nieuwe woningen. De beoordelingspunten waar de overschrijding plaatsvindt, liggen echter binnen een straal van 50 meter, dus binnen de milieuzone, van Wegter. Gelet op de afstand van de onderhavige kavels van minimaal 110 meter van Wegter, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een geluidsbelasting die onaanvaardbaar is. Dat het geluidsonderzoek onvoldoende is geweest, volgt de rechtbank dan ook niet.

Parkeren

19.1

Op grond van het bestemmingsplan dient parkeren plaats te vinden op eigen grond. De bouwplannen wijken in zoverre af van het bestemmingsplan. In plaats daarvan zal op [ruimte] een parkeergarage worden gerealiseerd. In die parkeergarage zullen geoormerkte parkeerplaatsen zijn voor de bewoners van de woningen op de onderhavige kavels. In de bestreden besluiten is het vergunningvoorschrift opgenomen, dat de woningen niet eerder in gebruik gegeven mogen worden, dan dat de parkeergarage op [ruimte] is gerealiseerd en daarin de geoormerkte parkeerplaatsen beschikbaar zijn gesteld voor de bewoners.

19.2

Wegter stelt zich in beroep op het standpunt dat het college door op deze wijze van het bestemmingsplan af te wijken in strijd handelt met de rechtszekerheid. Volgens Wegter is dit vergunningvoorschrift te onduidelijk geformuleerd om handhavend op te treden, mocht dit voorschrift niet worden nageleefd.

19.3

De rechtbank volgt Wegter hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat het vergunningvoorschrift helder is geformuleerd en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Het is daarom ook een afdwingbaar vergunningvoorschrift waarop het college handhavend kan optreden indien het niet wordt nageleefd. Tijdens de zitting is namens het college uitdrukkelijk bevestigd dat de geoormerkte parkeerplaatsen er moeten komen. Mocht achteraf blijken dat er niet aan wordt voldaan, dan is dat een kwestie van handhaving.

Hetgeen Wegter hier verder over heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Verkeer

20.1

Bij Wegter komen meerdere malen per dag vrachtwagens op de openbare weg laden en lossen en rijden vorkheftrucks het bedrijf in en uit en op de openbare weg. Wegter vreest dat de toename van woningen in de omgeving ook zal leiden tot een toename van het aantal weggebruikers en daarmee een toename van het aantal verkeersbewegingen. Wegter vreest dat dit haar bedrijfsvoering zal belemmeren.

20.2

Aan het moederplan Buiksloterham ligt een verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng van 18 september 2009 ten grondslag. In dit onderzoek is ervan uitgegaan dat door de herontwikkeling van het plangebied met meer woningen het aantal verkeersbewegingen fors zal toenemen ten opzichte van daarvoor, maar dat dit niet tot een overbelasting van het wegennet zal leiden. In 2014 heeft een telling van het aantal verkeersbewegingen plaatsgevonden, waaruit is gebleken dat de verwachting van Goudappel Coffeng in 2009 bij lange na niet is uitgekomen en het aantal verkeersbewegingen destijds dus is overschat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Wegter haar stelling dat met de nu voorliggende vier omgevingsvergunningen de verwachtingen van Goudappel Coffeng uit 2009 zullen worden overschreden niet met cijfers onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om een nieuw verkeersonderzoek uit te laten voeren naar de verkeersbewegingen alvorens de nu voorliggende bestreden besluiten te nemen.

Tussenconclusie

21. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college wel onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de bouwplannen voor het woon- en leefklimaat. Ook zijn de belangen van Wegter bij een onverstoorde voortzetting of uitbreiding van de bedrijfsvoering meegewogen. Dat de uitkomst van dit onderzoek en deze belangenafweging anders is dan door Wegter gewenst, betekent niet dat de bestreden besluiten niet van een goede ruimtelijke onderbouwing zijn voorzien.

Actuele ontwikkelingen

22. Wegter voert in beroep ook nog aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de actuele ontwikkelingen in het gebied die ook van invloed zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied en op de bedrijfsvoering van Wegter. De rechtbank overweegt dat uitsluitend de huidige vier aanvragen en omgevingsvergunningen ter toetsing voorliggen. Andere projecten in de omgeving kunnen daar niet bij betrokken worden.

Vertrouwensbeginsel

23.1

Wegter doet tot slot een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij verwijst naar het voornemen van het college om aan Wegter een maatwerkvoorschrift op te leggen in de periode juni/juli 2008. In het voornemen staat dat er geen woningen of andere geluidgevoelige gebouwen in de akoestische invloedssfeer van de inrichting zijn en dat ook in de toekomstige situatie er geen woningen dichtbij de inrichting gebouwd zullen worden. In een brief van 25 september 2008 heeft het college naar aanleiding van de zienswijze van Wegter besloten af te zien van een maatwerkvoorschrift. Volgens Wegter blijkt hieruit een toezegging van het college dat er geen woningen in de directe nabijheid van Wegter zullen komen.

23.2

De rechtbank stelt vast dat het ontwerpmaatwerkvoorschrift en de brief van 25 september 2008 tot stand zijn gekomen onder een ander planologisch regime. In 2009 is het moederplan Buiksloterham vastgesteld. Nadien zijn er al woningen op een afstand van 140 meter van Wegter gerealiseerd. Wegter is daar destijds niet tegenop gekomen. Wegter heeft tijdens de zitting desgevraagd geantwoord dat deze woningbouw tot nu toe niet tot klachten over Wegter heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Wegter onder deze omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat in 2008 in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat er in de toekomst geen woningen in de nabijheid van Wegter zullen worden gebouwd.

Conclusie

24. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand te laten. Dat betekent dat de beroepen van Wegter weliswaar gegrond worden verklaard vanwege een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek, maar dat de gevolgen van de verleende omgevingsvergunningen in stand blijven.

25. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan Wegter het door haar betaalde griffierecht in alle zaken vergoedt.

26. De rechtbank veroordeelt het college in de door Wegter gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.254,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten I, II, III en IV;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten geheel in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 1.333,- aan Wegter te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van Wegter tot een bedrag van € 2.254,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. B. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.

Burgers kunnen ook digitaal hoger beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen hoger beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de Afdeling vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage wettelijk kader

Crisis- en herstelwet (Chw)

In artikel 16, eerste lid, van de Chw is bepaald dat de bestuursrechter het beroep behandelt met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de bestuursrechter binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak doet.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo - voor zover hier relevant - is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

In artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

In artikel 6.5, eerste lid, van het Bor is bepaald dat, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2660.

2 Deze uitspraak is te vinden onder ECLI:NL:RVS:2017:2597.

3 Deze VNG-brochure is te vinden op vng.nl.