Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1527

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
13/706616-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen van € 22.711, overschrijding redelijke termijn, voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/706616-15

Datum uitspraak: 16 maart 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2017 waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.K. Kooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. Nijhof, naar voren hebben gebracht.

De zaak van verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (13/706674-15).

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij in de periode van 20 mei 2011 tot en met 7 juni 2013 in Amsterdam in vereniging een bedrag van 47.590 euro heeft witgewassen (eerste cumulatief/alternatief) en dat hij in de periode van 20 mei 2011 tot en met 7 juni 2013 in Amsterdam in vereniging een bedrag van 22.711 euro heeft verduisterd (tweede cumulatief/alternatief).

De volledige inhoud van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak voor het medeplegen van witwassen gevorderd. Volgens hem is onvoldoende bewijs dat er actief tussen verdachten is samengewerkt en dat bijvoorbeeld de bedragen in gezamenlijkheid tussen de bankrekeningen zijn verdeeld. Wel kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het witwassen van de bedragen die verdachte op zijn rekening heeft ontvangen (€ 22.711).

Verdachte is de tenaamgestelde van de ASN-rekening waarop in totaal € 22.711 is gestort. De rekening is via internet geopend met de personalia en een kopie van het paspoort van verdachte, de opgegeven referentierekening is de ING-rekening van verdachte en de handtekening onder de aanvraag bij ASN lijkt op de handtekening onder het verhoor van verdachte bij de politie. Verdachte heeft in zijn verhoor verklaard dat hij zijn rekening van SNS gebruikte voor vrienden of als zijn zus geld wilde overmaken. Verwarrend is dat wordt gesproken over SNS in plaats van ASN, maar het gaat hier om een kennelijke vergissing van de verbalisanten die verdachte hebben verhoord.

Verdachte had als exclusieve rekeninghouder beschikkingsmacht over zijn ASN-rekening. Bij de gestorte bedragen werd vermeld dat het kinderopvangtoeslag betrof waarbij de naam van een ander dan [verdachte] stond vermeld. Verdachte kwam niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag en dus waren er genoeg signalen op basis waarvan verdachte in ieder geval had kunnen weten dat het onrechtmatig ontvangen geld betrof. Hij heeft de aanmerkelijke kans aanvaard dat sprake was van fraudegeld dat op zijn rekening werd gestort, aldus de officier.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte is van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde. Het enige wat in het dossier zit, is een overzicht van de ASN- dan wel SNS-bank waaruit blijkt dat de betreffende bankrekening toebehoort aan verdachte. Er is geen onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld het IP-adres waarmee de rekening is geopend. De handtekening onder het aanvraagformulier lijkt op de handtekening van verdachte, maar als iemand zijn best doet, kan een handtekening makkelijk worden gefabriceerd, aldus de raadsman.

Daarnaast leidde verdachte in 2011 een zwervend bestaan en had hij wat spullen liggen bij zijn moeder, waar bijvoorbeeld ook zijn zus kwam. Het zou zo kunnen zijn dat de legitimatie van verdachte is gebruikt om de rekening te openen. Tot slot spreekt aangeefster over een vrouw en kan uit haar aangifte niets worden afgeleid over betrokkenheid van verdachte, aldus de raadsman.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen van in totaal € 22.711.

Uit onderzoek blijkt dat op 20 mei, 20 juni, 20 juli, 22 augustus, 20 september, 20 oktober, 21 november en 20 december 2011 en op 20 januari, 26 januari, 20 februari, 20 maart en 20 april 2012 verschillende geldbedragen van in totaal € 22.711 door de Belastingdienst op het rekeningnummer [rekeningnummer] zijn gestort. Dit betreft een ASN-rekening op naam van verdachte. Deze rekening is op 11 april 2011 via internet geopend. Bij alle overboekingen werd vermeld dat het de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van [aangeefster] (aangeefster) betrof.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij een rekening bij SNS-bank had. Deze rekening gebruikte hij voor vrienden of als zijn zus geld wilde overmaken. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat het geen SNS-rekening, maar een ASN-rekening was. Verder heeft hij ter zitting verklaard dat hij de handtekening op het formulier ‘Bijlage persoonlijke gegevens’, dat hoort bij de aanvraag van de ASN-rekening, herkent en dat het zijn handtekening is.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte de exclusieve beschikkingsmacht over de geopende ASN-rekening had en dat hij daarom de stortingen van de Belastingdienst heeft gezien, te meer omdat de stortingen gedurende een periode van een bijna één jaar vrijwel structureel, namelijk maandelijks, plaatsvonden. Maandelijks gestorte geldbedragen van ongeveer € 1.700 hadden bij verdachte alarmbellen moeten laten rinkelen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Nu uit rekeningafschriften blijkt dat na de stortingen door de Belastingdienst het geld werd gepind, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de door de Belastingdienst gestorte geldbedragen van in totaal € 22.711 heeft witgewassen.

Gedeeltelijke vrijspraak witwassen (eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde)
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen.

Vrijspraak verduistering (tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde)
De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van de ten laste gelegde verduistering (tweede cumulatief/alternatief).

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 20 mei 2011 tot en met 7 juni 2013 te Amsterdam geldbedragen van in totaal 22.711,- euro voorhanden heeft gehad en gedeeltes van dat geldbedrag heeft omgezet en van gedeeltes van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

4 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden gevorderd met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

De oriëntatiepunten indiceren bij het witwassen van een dergelijk bedrag een gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden of een taakstraf. De redelijke termijn is in deze zaak echter flink overschreden wat moet leiden tot een strafkorting in de vorm van een voorwaardelijke straf, aldus de officier van justitie.

6.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit waardoor geen straf of maatregel moet volgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Zij zal uitleggen waarom zij tot deze straf komt.

Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 22.711. Dit is een fors bedrag. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financieel en economisch verkeer aan.

Oriëntatiepunt Fraude
Er bestaat geen LOVS-oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen. Het oriëntatiepunt Fraude wordt van toepassing verklaard op witwassen als dit in een frauduleuze context plaatsvindt. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om aan te haken bij dit oriëntatiepunt. Bij een bedrag tussen de € 10.000 en € 70.000 geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden.

Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte voor het eerst als verdachte is verhoord, te weten op 7 juni 2013, als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen.

Tussen die datum en de datum van het vonnis – 16 maart 2018 – ligt een periode die de redelijke termijn met bijna tweeëneenhalf jaar overschrijdt. Deze overschrijding is niet te wijten aan enig handelen van de verdediging.

De straf
Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat het strafbare feit in 2011 en in 2012 – lange tijd geleden – plaatsvond, vindt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 (twee) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaar passend en geboden.

7 De benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft € 47.735,34 (zevenenveertigduizendzevenhonderdvijfendertig euro vierendertig) aan materiële schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag ziet op vorderingen van de Belastingdienst, twee nota’s eigen bijdrage en een nota GBA.

De vordering van de benadeelde partij maakt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk of de benadeelde partij daadwerkelijk schade heeft geleden, bijvoorbeeld doordat de Belastingdienst de betaalde bedragen van haar terugvordert. De behandeling van haar vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces opleveren waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering wordt verklaard. Zij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. F.W. Pieters en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

[bijlage]

.