Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1526

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
13/706616-15 (ontneming)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming van € 22.711

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/706616-15 (ontneming)

Datum uitspraak: 16 maart 2018


VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/706616-15, tegen:

[veroordeelde] , hierna te noemen [veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. A.K. Kooij, en door de raadsman van verdachte, mr. S.J. Nijhof, naar voren is gebracht.

2 De vordering

Onderzoek van de zaak
De vordering van de officier van justitie van 6 februari 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [medeverdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 47.590.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [medeverdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

Requisitoir van de officier van justitie
In zijn requisitoir op de zitting van 2 maart 2018 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer heeft als hij de door de benadeelde partij [persoon 1] gevorderde schade heeft vergoed. De officier heeft daarom gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil wordt gesteld.

3 Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2018 veroordeeld ter zake van het witwassen van € 22.711.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank baseert zich bij het vaststellen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de feiten en omstandigheden die in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 19 april 2017 zijn vermeld.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Uit het onderzoek is gebleken dat er € 22.710 door de Belastingdienst is overgemaakt op de bankrekening van verdachte en € 24.880 op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] . Dit is in totaal € 47.590. Het gestorte geld werd vrijwel direct weer opgenomen in bedragen van € 1.000. Omdat alle verdachte en de medeverdachten familie zijn, is het aannemelijk dat iedereen voordeel heeft genoten. Hoe een eventuele verdeling heeft plaatsgevonden, is niet uit het onderzoek naar voren gekomen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 22.711, overeenkomstig het in de bewezenverklaring genoemd geldbedrag in het vonnis van 16 maart 2018 ten aanzien van voornoemd strafbaar feit.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 22.711.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 22.711.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 22.711 (tweeëntwintigduizendzevenhonderdelf euro) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. F.W. Pieters en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.