Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1489

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
AMS 17/5340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VOG, taxichauffeur. Terugkijktermijn van vijf jaar gehanteerd. Verweerder heeft geen onjuiste taalkundige uitleg gegeven aan het beleid. Ook de toelichting op dat beleid is niet onredelijk. De terugkijktermijn van vijf jaar is dan ook niet in strijd met het beleid voor jongvolwassenen. Aan zowel het objectieve als het subjectieve criterium is voldaan, zodat verweerder de afgifte van de VOG heeft mogen weigeren. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/5340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. O.O. van der Lee),

en

de minister voor Rechtsbescherming, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Faassen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de afgifte van een door eiser gevraagde verklaring omtrent gedrag (VOG) geweigerd.

Bij besluit van 1 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Eiser heeft op 11 mei 2017 verzocht om afgifte van een VOG voor zijn aanvraag om een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. te Rijswijk.

1.2

Bij brief van 2 juni 2017 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn zienswijze hiertegen in te dienen. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de afgifte van de VOG geweigerd.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat binnen de voor eiser geldende terugkijktermijn van vijf jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de volgende relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:

1. eiser is op [datum 1] 2014 onherroepelijk veroordeeld wegens diefstal in vereniging met braak (artikel 310 in samenhang met artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr)) tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde zich te gedragen naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie. Deze proeftijd is op 24 maart 2016 geëindigd. De tenuitvoerlegging van hetgeen bij veroordeling van 4 september 2013 voorwaardelijk is opgelegd is gelast;

2. eiser is op [datum 2] 2013 onherroepelijk veroordeeld wegens diefstal in vereniging (artikel 310 in samenhang met artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het WvSr) tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie met een proeftijd van twaalf maanden;

3. eiser is op [datum 3] 2012 onherroepelijk veroordeeld wegens mishandeling (artikel 300, eerste lid, van het WvSr) en heling (artikel 416, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr) tot een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Daarnaast is aan eiser een maatregel van schadevergoeding van € 175,- opgelegd, subsidiair 3 dagen jeugddetentie.

Op grond van de in het JDS aangetroffen justitiële gegevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat die, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd (het objectieve criterium). Hoewel verweerder het belang van eiser bij afgifte van de VOG erkent en bij de belangenafweging rekening heeft gehouden met eisers jeugdige leeftijd, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG (het subjectieve criterium). Daarvoor is eiser te recent met justitie in aanraking gekomen vanwege strafbare feiten die niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag. Omdat eiser meermalen met justitie in aanraking is gekomen, waarbij sprake is van recidive ten aanzien van vermogensdelicten, en mede gelet op het korte tijdsverloop, acht verweerder de kans aanwezig dat eiser opnieuw met justitie in aanraking komt. Het gegeven dat twee zaken licht zijn afgedaan, legt daarom voor verweerder onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen.

1.4

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Beleidsregels) en is het screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurskaart’ van toepassing verklaard.

Oordeel rechtbank

2. Tussen partijen is in geschil of verweerder de afgifte van de VOG ten behoeve van een chauffeurskaart in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het in deze zaak relevante juridische kader is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Ten aanzien van het objectieve criterium

3.1

Eiser voert – zoals ter zitting is verduidelijkt – aan dat verweerder ten onrechte een terugkijktermijn van vijf jaar heeft gehanteerd. Omdat eiser ten tijde van de aanvraag [aantal jaar] was, geldt voor hem de verkorte terugkijktermijn van twee jaar uit paragraaf 3.1.1, en onder d, van de Beleidsregels. Dit onderdeel van de Beleidsregels moet prevaleren boven de terugkijktermijn van vijf jaar uit onderdeel b van paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels als sprake is van een branche specifieke vergunning. De afwijkende terugkijktermijn voor taxichauffeurs is namelijk niet gebaseerd op hogere integriteitseisen, maar op de maximale geldigheidsduur van de chauffeurskaart. De door verweerder gegeven uitleg strookt niet met de toelichting op de Beleidsregels, zodat de toelichting onredelijk is. Verder voert eiser aan dat voor zover verweerder een terugkijktermijn van vijf jaar mag hanteren, dit ook onredelijk is. Ter ondersteuning van dit betoog verwijst eiser naar de ontstaansgeschiedenis van het beleid zoals blijkt uit het overgelegde artikel ‘Krijgt mijn kind een strafblad? De Verklaring omtrent het Gedrag in de praktijk’. De daarin aangegeven motivatie van het gunstige beleid voor jongvolwassenen is algemeen en rechtvaardigt volgens eiser geen uitzondering voor jongvolwassenen die een VOG aanvragen voor werkzaamheden waarvoor een branche specifieke vergunning wordt afgegeven. Ook voor hen geldt dat werk een goede beschermende factor is en gegroeid inzicht dat jongeren in ontwikkeling zijn en positieve ontwikkeling tot afgifte leidt. Daarbij is eiser van mening dat de continue screening van taxichauffeurs voldoende waarborg biedt ten aanzien van de belangen van de samenleving als in het geval van eiser een terugkijktermijn van twee jaar wordt gehanteerd.

3.2

Uit paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels volgt dat als geen sprake is van zedendelicten een terugkijktermijn wordt gehanteerd die in duur wordt beperkt. Het gaat dan om een terugkijktermijn van vier jaar, tenzij sprake is van de onder a tot en met e genoemde uitzonderingen. In paragraaf 3.1.1, en onder d, van de Beleidsregels staat dat als de VOG wordt aangevraagd door een persoon die ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, behoudens het hiervoor gestelde, een terugkijktermijn van twee jaar geldt. De zinsnede ‘behoudens het hiervoor gestelde’ betekent dat een verkorte terugkijktermijn van twee jaar niet kan afdoen aan (onder andere) de terugkijktermijn van vijf jaar die voortvloeit uit paragraaf 3.1.1, en onder b, van de Beleidsregels in samenhang met het screeningsprofiel ‘Taxibranche: chauffeurskaart’. Anders dan eiser betoogt, betekent de zinsnede ‘behoudens het hiervoor gestelde’ dus niet dat die zinsnede ziet op de gevallen waarin het gaat om zedendelicten en de terugkijktermijn niet in duur is beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van de Beleidsregels voldoende duidelijk, zodat gelet op het voorbehoud het hanteren van een terugkijktermijn van vijf jaar bij een jongvolwassene in dit geval niet in strijd is met de tekst van de Beleidsregels.

3.3

Ook gelet op de toelichting bij paragraaf 3.1.1, en onder d, van de Beleidsregels heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in dit geval geldende afwijkende terugkijktermijn van vijf jaar onverkort op eiser van toepassing is. Uit die toelichting blijkt duidelijk dat de verkorte terugkijktermijn niet van toepassing is op de bestaande afwijkende terugkijktermijn van vijf jaar. Dat in de toelichting is opgenomen dat de afwijkende terugkijktermijnen van vijf, acht en tien jaar onverkort van toepassing blijven op jongvolwassenen omdat hun jeugdige leeftijd niet afdoet aan de hoge integriteitseisen die ten grondslag hebben gelegen aan de afwijkende terugkijktermijnen, betekent dit niet dat de toelichting onredelijk is. Dat verweerder in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, die gelden vanaf 1 januari 2018, ervoor heeft gekozen om de toelichting aan te vullen met de zinsnede ‘of de andere redenen’ doet niet af aan de omstandigheid dat de hier van toepassing zijnde toelichting op de Beleidsregels op dit punt al duidelijk was. Immers, er wordt ook verwezen naar de afwijkende terugkijktermijn van vijf jaar. Daar komt bij dat uit de toelichting bij onderdeel b blijkt dat het verlengen van de terugkijktermijn naar vijf jaar samenhangt met de duur van de geldigheid van de vergunning die op grond van het Besluit personenvervoer 2000 aan de chauffeurskaarthouder is verleend. In artikel 17, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 is die termijn bepaald op ten hoogste vijf jaar, gerekend vanaf de datum van verlening van de vergunning.

3.4

Verweerder heeft zich ter zitting verder terecht op het standpunt gesteld dat het bestaan van continue screening in de taxibranche weliswaar een goede waarborg vormt, maar dat het niet afdoet aan de zelfstandige beoordeling in het kader van de VOG aanvraag. Vanwege de hoge integriteitseisen die aan taxichauffeurs worden gesteld, is het beschikken over de VOG een vereiste om als taxichauffeur te kunnen werken. Continue screening ziet op de mogelijkheid om ten aanzien van een taxichauffeur, aan wie al een VOG en daarmee samenhangend een chauffeurskaart is verstrekt, te beoordelen of zich relevante strafbare feiten hebben voorgedaan die vervolgens tot intrekking van de chauffeurskaart kunnen leiden. Pas nadat de VOG is verstrekt, komt de continue screening dus in beeld. Daarvan is nu (nog) geen sprake. Het door eiser overgelegde artikel leidt niet tot een ander oordeel.

3.5

Gelet op het voorgaande wordt eiser niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder een onjuiste taalkundige uitleg heeft gegeven aan de Beleidsregels en dat de toelichting daarop onredelijk is en buiten beschouwing moet worden gelaten. Voor de beoordeling van de aanvraag van eiser heeft verweerder dan ook terecht en voldoende gemotiveerd een terugkijktermijn van vijf jaar gehanteerd.

3.6

De rechtbank stelt verder vast dat de beoordeling of voor het overige aan het objectieve criterium is voldaan, niet ter discussie staat. Dit betekent dat vaststaat dat de in het bestreden besluit opgesomde justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Hierdoor is aan het objectieve criterium voldaan.

Ten aanzien van het subjectieve criterium

4.1

Eiser voert in het kader van het subjectieve criterium aan dat hij is veranderd. De problemen zijn ontstaan na het overlijden van zijn vader in 2008. Sinds november 2013 is eiser niet meer in aanraking gekomen met justitie. Hij heeft met succes de opleiding ROC niveau 2 handel en de cursus chauffeurspas afgerond. Eiser had daarnaast vele baantjes, zoals pakketbezorger bij DHL en thans werkt hij in de keuken van [bedrijf] in Amsterdam. Verder heeft eiser een vaste relatie en ondersteunt hij zijn moeder in het dagelijkse leven vanwege haar reuma. Voorts is eiser van mening dat verweerder de feiten had moeten plaatsen tegen de achtergrond van onjuist handelen tijdens de adolescentie, waarvan hij afstand heeft genomen. Gelet op al deze omstandigheden is eiser van mening dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.

4.2

De rechtbank overweegt dat verweerder bij de beoordeling de afdoening van de strafbare feiten, het tijdsverloop sinds het laatste justitiële gegeven en de hoeveelheid antecedenten heeft betrokken. Ook heeft verweerder rekening gehouden met eisers jeugdige leeftijd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser te recent met justitie in aanmerking is gekomen wegens meerdere strafbare feiten, die niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag, en waarbij sprake is van recidive. Dat twee strafbare feiten eiser licht zijn aangerekend, heeft verweerder dan ook van onvoldoende gewicht kunnen achten om anders te concluderen. Verder heeft verweerder ook de persoonlijke omstandigheden van eiser bij zijn beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval niet meer gewicht aan het belang van eiser hoeven toe te kennen dan aan het belang van de samenleving bij bescherming tegen de geconstateerde risico’s. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser op de goede weg is, maar in het kader van een aanvraag om een VOG voor een chauffeurskaart enige tijd zal moeten nemen om te laten zien dat hij zijn leven daadwerkelijk heeft gebeterd.

Conclusie

4.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden de afgifte van de VOG heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. van Breenen-van der Zee, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

BIJLAGE

1. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

2. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wjsg kan Onze Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijke persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

3. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens worden – voor zover van belang – alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de rechter zijn genomen als justitiële gegevens aangemerkt.

4. Op grond van paragraaf 3 van de Beleidsregels ontvangt het COVOG (Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag) alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS.

5. Op grond van paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels – voor zover van belang – wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt als sprake is van misdrijven tegen de zeden. In alle andere gevallen, is sprake van een terugkijktermijn die in duur wordt beperkt. Dit houdt in dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van deze terugkijktermijn van vier jaren wordt slechts afgeweken indien:

a. […];

b. de aanvraag voor een VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen of samenhangt met de duur van een vergunning. In dat geval wordt aangesloten bij de duur van de vergunning of de in de desbetreffende wet- of regeling opgenomen termijn;

c. […];

d. de VOG wordt aangevraagd door een persoon die ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt. Behoudens het hiervoor gestelde, geldt in dat geval een terugkijktermijn van twee jaren, mits er ten aanzien van de aanvrager geen justitiële gegevens worden aangetroffen die worden gekwalificeerd als misdrijven tegen de zeden, zoals hierboven genoemd, of geweldsmisdrijven waarvoor een vrijheidsstraf van zes jaar of meer kan worden opgelegd;

e. […].

6. Op grond van paragraaf 3.2 van de Beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

7. Op grond van paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

8. Volgens het screeningsprofiel ‘Taxibranche: chauffeurskaart’ is de houder van de chauffeurskaart verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag. Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de houder van de chauffeurskaart. In die situatie bestaat het risico van geweld- en zedendelicten, afpersing, chantage, diefstal, verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen. Chauffeurs kunnen ook omgaan met contant en giraal geld. Het risico van diefstal en verduistering is aanwezig. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van vijf jaren.

9. Op grond van paragraaf 3.3 van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

10. Op grond van paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Indien verweerder na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.