Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1410

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
Parketnummer: 13/741280-17 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/741280-17 (ontneming)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/741280-17, tegen:

[veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] gedetineerd in het [plaats detentie] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek ter terechtzitting van 22 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie L.E. Stroink en van wat de veroordeelde en diens raadsman, mr. B.A.C. van Tuinen, naar voren hebben gebracht.

2 Vordering

De vordering van de officier van justitie van 9 februari 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 3.416,--.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betalingsverplichting stelt op € 1.616,--.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank aldus de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van heden ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld:

ten aanzien van het onder 3 (zaak 3), 4 (zaak 12) en 5 (zaak 13) ten laste gelegde:

medeplegen van oplichting

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

4 Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich in de strafzaak op het standpunt gesteld dat de veroordeelde de zaken waarin opbrengst is genoten, te weten 2, 3, 12 en 13, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd. Nu de bedragen in de ontnemingsrapportage ten aanzien van de zaken 3, 12 en 13 enkel aan veroordeelde zijn toegerekend, is zij van mening dat deze moeten worden gehalveerd. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij] (zaak 2) en [benadeelde partij] (zaak 12) op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moeten worden gebracht.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient derhalve te worden vastgesteld op een bedrag van € 1.616,--.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt primair de vordering af te wijzen omdat niet waarschijnlijk is dat veroordeelde de bedragen die hij heeft gepind in de zaken 3, 12 en 13 zelf heeft mogen houden.

Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,--. In de zaken 3 en 12 is € 1.250,-- weggenomen en in zaak 13 respectievelijk € 500,--. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 3.000,--. Nu het niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde de feiten alleen heeft gepleegd, verzoekt hij het totaalbedrag van € 3.000,- door drie te delen. De opbrengst in zaak 2 dient buiten beschouwing gelaten te worden omdat ten aanzien van dit feit vrijspraak is bepleit van de oplichting en gekwalificeerde diefstal.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de onderliggende strafzaak is [veroordeelde] veroordeeld voor medeplegen van oplichting en gekwalificeerde diefstal in de zaken 3, 12 en 13. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de opbrengst in zaak 2 buiten beschouwing gelaten moet worden omdat verdachte ten aanzien van dit feit van de oplichting en de gekwalificeerde diefstal is vrijgesproken. Omdat in de zaken 3, 12 en 13 is vast komen te staan dat verdachte de gekwalificeerde diefstal in ieder geval met één ander heeft gepleegd, zal de rechtbank de opbrengsten in de zaken 3, 12 en 13 door twee delen.

Gelet op het voorgaande wijkt de rechtbank als volgt af van de berekening in het rapport.

Opbrengst zaak 2 : € 0,--

Opbrengst zaak 3 : € 1.250 / 2 = € 650,--

Opbrengst zaak 12 : € 1.250 / 2 = € 650,--

Opbrengst zaak 13 : € 500,-- / 2 = € 250,-- +

Totale opbrengst : € 1.500,--

De rechtbank ziet op dit moment nog geen aanleiding het bedrag dat is toegewezen aan de benadeelde partijen in mindering te brengen op het totaalbedrag, omdat die vorderingen nog niet zijn voldaan.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.500-.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 1.500,--.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.500,--.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 1.500,-- (vijftienhonderd euro) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2018.