Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1409

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
13/741280-17, 13/684259-15 (TUL) en 13/741040-17 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

18 maanden jeugddetentie waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor oplichting door middel van een babbeltruc en gekwalificeerde diefstal door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2018/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741280-17, 13/684259-15 (TUL) en 13/741040-17 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in het [plaats detentie] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.E. Stroink en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.A.C. van Tuinen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 (zaak 1):

samen met (een) ander(en) dan wel alleen op 13 november 2017 te Amsterdam heeft gepoogd [slachtoffer 1] te bewegen tot afgifte van een pinpas en de daar bijbehorende pincode door zich voor te doen als bonafide bezorger van een bezorgdienst.

Ten aanzien van feit 2, primair (zaak 2):

samen met (een) ander(en) dan wel alleen [slachtoffer 2] op 12 november 2017 te Amsterdam heeft bewogen tot afgifte van een pinpas en de daar bijbehorende pincode door zich voor te doen als bonafide bezorger van een bezorgdienst en samen met (een) ander(en) dan wel alleen geld heeft gestolen door middel van een valse sleutel.

Ten aanzien van feit 2, subsidiair (zaak 2):

samen met (een) ander(en) dan wel alleen in de periode van 12 november 2017 tot en met 13 november 2017 te Amsterdam de bankpas van [slachtoffer 2] heeft geheeld.

Ten aanzien van feit 3 (zaak 3):

samen met (een) ander(en) dan wel alleen op 8 november 2017 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bewogen tot afgifte van een pinpas en de daar bijbehorende pincode door zich voor te doen als bonafide bezorger van een bezorgdienst en samen met (een) ander(en) dan wel alleen geld heeft gestolen door middel van een valse sleutel.

Ten aanzien van feit 4 (zaak 12):

samen met (een) ander(en) dan wel alleen op 8 november 2017 te Amsterdam [slachtoffer 4] heeft bewogen tot afgifte van een pinpas en de daar bijbehorende pincode door zich voor te doen als bonafide bezorger van een bezorgdienst en samen met (een) ander(en) dan wel alleen geld heeft gestolen door middel van een valse sleutel.

Ten aanzien van feit 5 (zaak 13):

samen met (een) ander(en) dan wel alleen op 11 november 2017 te Amsterdam [slachtoffer 5] heeft bewogen tot afgifte van een pinpas en de daar bijbehorende pincode door zich voor te doen als bonafide bezorger ven een bezorgdienst en samen met (een) ander(en) dan wel alleen geld heeft gestolen door middel van een valse sleutel.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot de ten laste gelegde feiten het volgende af.

Naar aanleiding van de aanhouding op heterdaad van verdachte op 13 november 2017 ter zake poging oplichting door middel van een babbeltruc is onderzoek 13REDHILL gestart.

In de zaken die aan verdachte ten laste zijn gelegd is volgens de aangever de dader telkens een ‘pakketbezorger’. Met ieder van de slachtoffers – veelal van hoge leeftijd – wordt telefonisch contact opgenomen waarop het slachtoffer krijgt meegedeeld dat er binnen enkele minuten tot een uur een postpakket bij hem/haar zal worden bezorgd. Bij het afleveren van het pakket moet een klein bedrag worden gepind. De bewoner moet zijn pinpas aan de ‘pakketbezorger’ geven, waarbij de pinpas tegen een telefoon wordt aangehouden en de bewoner zijn pincode daarop moet intoetsen. De bezorger wisselt ongezien de betreffende bankpas om voor een andere soortgelijke bankpas en geeft deze aan de bewoner terug. Zeer korte tijd later wordt (meermalen) geld opgenomen van de rekeningen van de slachtoffers.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij met de ontvreemde pinpas van de heer [slachtoffer 3] (zaak 3) € 250,-- van diens bankrekening heeft gepind, en dat hij met de ontvreemde pinpassen van mevrouw [slachtoffer 4] (zaak 12) en mevrouw [slachtoffer 5] (zaak 13) € 250,-- respectievelijk € 500,-- van hun bankrekeningen heeft gepind.

4.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht, onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir, dat verdachte op grond van de in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan worden veroordeeld voor het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

De officier van justitie baseert zich onder meer op de aangiften, de modus operandi, de telecomgegevens, de camerabeelden van de pintransacties, de herkenning van verdachte op camerabeelden door verbalisanten in de zaken 3, 12 en 13, de dactyloscopische sporen van verdachte op de pakketjes in de zaken 1, 3 en 13 en de deels bekennende verklaring van verdachte in de zaken 3, 12 en 13.

De officier van justitie is van mening dat sprake is van een dermate specifieke handelwijze van de daders dat de bewijsmiddelen in de ene zaak kunnen dienen als schakelbewijs ter ondersteuning van een bewezenverklaring in de andere ten laste gelegde zaken.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in alle aan verdachte ten laste gelegde zaken vrijspraak bepleit voor de oplichting in vereniging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet uit de bewijsmiddelen is gebleken dat het verdachte was die heeft (in)gebeld met de slachtoffers en hun woningen heeft betreden. Het enkele feit dat er op meerdere pakketjes dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen en hij in het bezit was van de ontvreemde pinpas van de heer [slachtoffer 2] (zaak 2), maakt niet dat er gesproken kan worden van een bewuste en nauwe samenwerking. De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit voor de poging tot oplichting (zaak 1) omdat geen sprake was van een begin van uitvoering. De raadsman is van mening dat er in het dossier wel voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde te komen. Ook kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal van het onder 4 en 5 ten laste gelegde. Van de gekwalificeerde diefstal ter zake feit 3 dient verdachte te worden vrijgesproken omdat hij op verzoek van een vriend geld pinde, niet wist dat het om een gestolen pinpas ging en derhalve opzet op de diefstal ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van onder 2 primair ten laste gelegde

Bij verdachte is bij zijn aanhouding op heterdaad op 13 november 2017 een pinpas aangetroffen op naam van [slachtoffer 2] . Behoudens dit gegeven zijn er geen andere bewijsmiddelen voorhanden waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting dan wel gekwalificeerde diefstal is gebleken, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4.3.2

Het oordeel over het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde

Schakelbewijs en modus operandi

De aan de rechtbank voorgelegde zaken vertonen telkens dezelfde handelswijze zoals onder 4.1 is beschreven. In de onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bewijs voor het ene ten laste gelegde feit als schakelbewijs kan dienen voor een ander ten laste gelegd feit.

Feit 1 (zaak 1)

Op 13 november 2017 krijgen politiemensen de opdracht te gaan naar de woning van aangever [slachtoffer 1] (zaak 1). Hij had de politie gebeld met de mededeling dat hij was gebeld door een persoon die zich [naam 1] noemde. Deze zei dat hij medewerker van een pakketbezorgdienst was en dat hij over 20 minuten een pakket zou komen bezorgen, waarvoor [slachtoffer 1] een bedrag van € 0,50 moest pinnen. Nabij de woning van [slachtoffer 1] krijgen politiemensen te horen dat de bewoner opnieuw was gebeld met de mededeling dat de bezorger onderweg was naar de woning. De politie ziet dan een groepje van drie jongens op de hoek van de straat van aangever staan. Hierop ziet de politie dat een jongeman, welke later verdachte blijkt te zijn, met een wit pakketje in zijn handen richting de woning van [slachtoffer 1] loopt. Verdachte wordt nagekeken door één van de andere jongens uit het groepje. Vervolgens ziet de politie dat verdachte met het witte pakketje de trap oploopt, die leidt naar de centrale toegangsdeur van de woning van [slachtoffer 1] . Als verdachte wordt aangesproken door één van de politieambtenaren gooit hij het pakketje op de grond en rent weg. Enkele minuten later wordt verdachte aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat de handelingen die verdachte heeft verricht aan te merken zijn als uitvoeringshandelingen.

Feit 2 subsidiair (zaak 2), feit 3 (zaak 3), feit 4 (zaak 12) en feit 5 (zaak 13)

Op 8 november 2017 tussen 10:26 uur en 11:15 uur is [slachtoffer 3] (zaak 3) slachtoffer geworden van een babbeltruc waarbij zijn pinpas is ontvreemd. Kort na het incident – om 11:03 uur – wordt er met de pinpas van [slachtoffer 3] bij de ING bank gelegen aan de [locatie 1] € 1.000,-- gepind en vier minuten later nog eens € 250,-bij de ABN Amro gelegen aan de [locatie 2] . De persoon op de camerabeelden bij de ABN-Amropinautomaat wordt door een verbalisant herkend als zijnde verdachte. Ook zijn er dactyloscopische sporen van verdachte op de vouwklep van het pakketje aangetroffen.

Op dezelfde dag, te weten 8 november 2017 - tussen 12:00 uur en 12:10 uur - wordt ook mevrouw [slachtoffer 4] (zaak 12) slachtoffer van een babbeltruc waarbij haar pinpas wordt ontvreemd. Enkele minuten na het incident wordt er met de pinpas van aangeefster [slachtoffer 4]

€ 1000,-- gepind bij de ING bank gelegen aan de [locatie 1] en om 12:27 uur nog eens € 250,-- bij de pinautomaat van de Rabobank op het [locatie 3] . De persoon op de camerabeelden bij de Rabobank wordt door een verbalisant herkend als zijnde verdachte. Tijdens de babbeltruc heeft [slachtoffer 4] de pinpas van aangever [slachtoffer 3] (zaak 3) retour gekregen. Enkele dagen later, op 11 november 2017, is [slachtoffer 5] (zaak 13) slachtoffer geworden van een babbeltruc waarbij haar pinpas is ontvreemd. Ongeveer een kwartier na het incident wordt door een jongeman € 500,-- opgenomen bij de pinautomaat van de ABN Amro bank op de [locatie 4] . Deze jongeman is door verbalisant [verbalisant] herkend als zijnde verdachte. Ook hier worden dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen op de vouwklep van het pakketje en op een deel van de inhoud (Milka-reep) van het pakket. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden in de zaken 3 en 12. Ondanks dat hij zich niet met zekerheid heeft herkend op de beelden in zaak 13 verklaart hij wel € 500,-- te hebben opgenomen met de pinpas van [slachtoffer 5] . Verder is uit de telecomgegevens gebleken dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] zijn gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn gebeld met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ondanks dat de telefoonnummers niet direct gelinkt kunnen worden aan verdachte, geeft het wel blijk van een verband tussen de tenlastegelegde zaken.

De rechtbank gebruikt bij het schakelbewijs ook de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat toen hij door een vriend werd gevraagd om voor de tweede keer € 250,-- te pinnen, hij wist dat er iets niet klopte. Dit moment was al op 8 november 2017 waarna verdachte op 11 november 2017 in zaak 13 nog herkend is als pinner en vervolgens op 13 november 2017 op heterdaad is aangehouden ter zake poging tot oplichting.

Gelet op de hiervoor omschreven samenhang tussen de afzonderlijke zaken, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. De bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten versterken elkaar en kunnen als schakelbewijs dienen. De rechtbank ziet sterke overeenkomsten in de eerder beschreven modus operandi die terug te vinden is in de verschillende aangiften, de telefoonnummers waar de slachtoffers mee zijn gebeld, de aangetroffen dactyloscopische sporen en de herkenning van verdachte op camerabeelden in diverse zaaksdossiers, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en tot slot het geringe tijdsverloop tussen de zaaksdossiers onderling maar ook tussen de oplichtingen en de wederrechtelijke pintransacties. De verklaring van verdachte dat hij niet betrokken is geweest bij de oplichting omdat hij op verzoek van een vriend heeft gepind en pakketjes heeft vastgehouden dan wel ingepakt, acht de rechtbank op grond van al het voorgaande onaannemelijk. Daarbij valt bovendien op dat verdachte tot op de zitting heeft gezwegen en eerst op de zitting is gekomen met een verklaring die volledig is afgestemd op de inmiddels gevonden bewijsmiddelen zoals vingerafdrukken en camerabeelden.

Medeplegen

Vervolgens is aan de orde de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten samen met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank stelt dat medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde voldoende is gebleken van een dergelijke samenwerking. In zaaksdossier 1 worden drie personen gezien die zich samen ophouden rondom de woning van aangever. Eén van de personen kijkt verdachte na als hij richting de woning van aangever loopt. In de zaaksdossiers 3 en 12 worden pintransacties gedaan door twee verschillende personen, waaronder verdachte. Naast de dactyloscopische sporen van verdachte op het pakketje in zaak 13 worden ook sporen aangetroffen van medeverdachte [medeverdachte] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

op 13 november 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich

en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] te bewegen tot de afgifte van een bankpas en de bijbehorende pincode, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid met zijn mededaders, voornoemde [slachtoffer 1] heeft opgebeld waarna hij en of zijn mededader(s), verdachte, zich (daarbij) heeft/hebben voorgedaan als bonafide bezorger van een bezorgdienst en verdachte zich met een pakket naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] heeft begeven.

ten aanzien van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde

in de periode van 12 november 2017 tot en met 13 november

2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een bankpas (ten name van

[slachtoffer 2] ) heeft verworven, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving wisten, dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

op 8 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas en de daarbij bijbehorende pincode, door zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 3] te begeven en zich voor te doen als bonafide bezorger van een pakketje en door tegen voornoemde [slachtoffer 3] te zeggen dat hij moest pinnen en door een apparaat/telefoon voor de pinpas van voornoemde [slachtoffer 3] te houden en door de pinpas van voornoemde [slachtoffer 3] om te wisselen;

en

op tijdstippen op 8 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pinautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal 1250,- euro, toebehorend aan [slachtoffer 3] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot die pinautomaat hebben verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

op 8 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het

aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een pinpas en de daarbij bijhorende pincode, door voornoemde [slachtoffer 4] op te bellen en te melden dat een pakket voor haar klaar lag en door aan voornoemde [slachtoffer 4] aan te bieden om het pakket op haar woonadres te bezorgen en door zich met een pakket naar de woning van voornoemde [slachtoffer 4] te begeven en door voornoemde [slachtoffer 4] te melden dat de kosten 70 cent waren en door een mobiele telefoon aan voornoemde [slachtoffer 4] voor te houden en door aan voornoemde [slachtoffer 4] te melden dat ze haar pincode in de mobiele telefoon moest intoetsen en door de bankpas van voornoemde [slachtoffer 4] te pakken om de gegevens te controleren en (vervolgens) door die bankpas van voornoemde [slachtoffer 4] om te wisselen;

en

op tijdstippen op 8 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pinautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal 1250,- euro, toebehorend aan [slachtoffer 4] waarbij hij, verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot die pinautomaat hebben verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde

op 11 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een pinpas en de daarbij bijbehorende pincode, door voornoemde [slachtoffer 5] op te bellen en te melden dat een pakket voor haar klaar lag en door

voornoemde [slachtoffer 5] aan te bieden om het pakket voor 50 cent bij haar te bezorgen en door zich met een pakket naar de woning van voornoemde [slachtoffer 5] te begeven en door voornoemde [slachtoffer 5] te vragen om 50 cent te pinnen en door voornoemde [slachtoffer 5] een apparaat voor te houden om de pincode in te toetsen en door aan voornoemde [slachtoffer 5] te melden dat de pinpas onder het apparaat gehouden moest worden en (vervolgens) door die

bankpas van voornoemde [slachtoffer 5] om te wisselen;

en

op 11 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pinautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 500,- euro, toebehorend aan [slachtoffer 5] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot die pinautomaat hebben verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor de feiten die naar mening van de verdediging bewezen kunnen worden verklaard, verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS oriëntatiepunten ten aanzien van skimming en zakkenrollerij. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in zeer korte tijd door middel van een babbeltruc van drie hoogbejaarde slachtoffers de pincode en pinpas afhandig gemaakt. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting en opzetheling. Verdachte en/of zijn medeverdachte(n) hebben zich bij deze delicten voorgedaan als pakketbezorger en hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in die hoedanigheid van de slachtoffers wisten te winnen. Met een listig verhaal hebben zij de slachtoffers ieder bewogen tot het afgeven van de pincode van de bankpas, welke bankpas daarna op geraffineerde wijze werd ontvreemd. Vervolgens zijn de slachtoffers ook door verdachte en medeverdachte(n) bestolen door met de ontvreemde bankpas en verkregen pincode aanzienlijke bedragen van de bankrekening op te nemen. In één geval is de oplichtingstruc niet geslaagd, omdat het slachtoffer de situatie niet vertrouwde. De door verdachte en medeverdachte(n) gepleegde feiten zijn ernstige feiten die niet alleen (financiële) schade veroorzaken maar ook vaak veel overlast. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk doelbewust ouderen als slachtoffer uitgekozen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan nu deze kwetsbare personen doorgaans in toenemende mate van de zorg van anderen afhankelijk zijn en derhalve genoodzaakt zijn om op andere te vertrouwen, wat ook is gebleken uit enkele aangiften. Verdachte heeft louter uit eigen financieel gewin gehandeld en heeft zich niet bekommerd om de uitwerking van zijn handelen op de kwetsbare slachtoffers. Eveneens weegt de rechtbank mee dat de oplichting bij de slachtoffers aan de deur en soms zelfs in de woning heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft bij de slachtoffers het gevoel van veiligheid in en rond hun huis ernstig aangetast.

Uit het strafblad van verdachte van 18 januari 2018 blijkt dat verdachte al verschillende malen eerder is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. Verdachte wordt daarom aangemerkt als recidivist op het gebied van vermogensmisdrijven. Ten tijde van het plegen van de feiten liep verdachte bovendien nog in een tweetal proeftijden. Deze omstandigheden hebben hem er niet van weerhouden deze feiten te plegen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het (beknopte) rapport van de Reclassering Nederland van 15 februari 2018, opgemaakt door mevrouw [naam 3] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Op 18 januari 2018 is er uitgebreid door Jeugdbescherming Regio Amsterdam gerapporteerd. Dit betrof een negatieve retourmelding voorwaardelijke veroordelingen inzake de parketnummers 13/684259-15 en 13/741040-17. Uit dit rapport komt naar voren dat er ondanks de diverse inspanningen geen blijvende gedragsverandering is. Eén van de oorzaken zou zijn dat betrokkene ‘niet het achterste van zijn tong liet zien’ en onvoldoende medewerking verleende. Uit schriftelijke informatie van de jeugdreclassering van 27 november 2017 is gebleken dat de schoolgang van betrokkene stagneert en er in toenemende mate sprake is van agressie. Besloten werd om de maatregelen terug te melden. De kans op recidive wordt ingeschat als hoog. De casusregisseur van Top600, de heer [naam 2] , omschrijft betrokkene als iemand die ‘niet open staat voor begeleiding en hieraan ook niet mee wil werken’. Het is een jongen die heel calculerend is en zijn gedrag instrumenteel inzet. Tijdens zijn huidige detentie wordt een wat kwetsbare jongeman gezien, die weinig aansluiting heeft bij zijn medegedetineerden’. Omdat niet met betrokkene persoonlijk is gesproken doet de reclassering geen uitspraak over het wel of niet toepassen van het jeugdstrafrecht. De reclassering geeft in overweging om betrokkene te laten onderzoeken door een psycholoog zodat er een eventueel haalbaar plan van aanpak opgesteld kan worden, rekening houdend met de eventuele diagnoses die uit het onderzoek kunnen komen.

Ter terechtzitting heeft getuige-deskundige [getuige-deskundige] , medewerker van de Jeugdbescherming Amsterdam, verklaard dat de reclassering graag meer inzicht wil in de beweegredenen van het delictgedrag van verdachte en ziet eveneens meerwaarde in een psychologisch onderzoek. Verdachte heeft zeker hulp nodig, aldus de getuige-deskundige.

Ten aanzien van de vraag of het adolescentenstrafrecht (ASR) dient te worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 18 jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige daders het volwassenenstrafrecht toegepast. Ondanks dat de reclassering zich niet heeft uitgelaten over voormelde vraag, ziet de rechtbank toch aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen gelet op de jonge leeftijd van verdachte, zijn mogelijke kwetsbaarheid en achterliggende problematiek.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend is. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de jeugddetentie, te weten 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering, een verplichting om mee te werken aan een diagnostisch (psychologisch) onderzoek en een verplichting tot het volgen van een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa), noodzakelijk. Deze verplichtingen zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie worden verbonden. De rechtbank bepaalt dat toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de volwassenreclassering moet worden uitgevoerd.

9 Vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert ter zake van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde een materiële schadevergoeding van € 150,-- en een immateriële schadevergoeding van € 100.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht, nu de benadeelde partij op 6 januari 2018 (niet ten gevolge van het strafbare feit) is overleden, de vordering vererfd op grond van artikel 51f lid 2 Sv. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 150,-- aan materiële en € 500,-- aan immateriële schadevergoeding en verzoek het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de raadsman de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren als verdachte van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Subsidiair verzoek de raadsman eveneens niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de materiele schadevergoeding van € 150,--, nu de vordering is vererfd op grond van artikel 51f lid 2 Sv, toewijzen omdat het bewezenverklaarde medeplegen van opzetheling en de daarop gepleegde diefstal van het geld in zodanig nauw verband met elkaar staan dat hierdoor rechtstreekse schade door verdachte aan de benadeelde partij is toegebracht.

De gevorderde immateriële schade zal worden gematigd, omdat de rechtbank geen stukken heeft waaruit een verband kan worden afgeleid tussen de heling van de pinpas en het overlijden van de benadeelde partij. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 750,--.

Het toegewezen bedrag van € 900,-- , bestaande uit € 150,-- materiële en € 750,-- immateriële schade, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 13 november 2017. De rechtbank zal dit bedrag van de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het 2 subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 900,--, bestaande uit € 150,-- materiële schadevergoeding en € 750,-- immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2017.

9.2

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert ter zake van het onder 4 ten laste gelegde een materiële schadevergoeding van € 150,-- te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar en verzoekt het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 150,-- zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan de van schade, te weten 8 november 2017. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het 4 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 150,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2017.

10 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

10.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 13/684259-15 en 13/741040-17 toe te wijzen.

10.2

Standpunt van de verdediging

Gelet op de overtreding van de algemene voorwaarden in beide vorderingen tot tenuitvoerlegging is de raadsman van mening dat tot toewijzing van de vorderingen kan worden gekomen. Hij verzoekt de rechtbank bij de beoordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

10.3

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/684259-15

Bij de stukken bevindt zich de op 21 november 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/684259-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 december 2016 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 1 (één) maand, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel zich niet heeft gehouden aan de (één van de) bijzondere voorwaarden gesteld in voornoemd vonnis.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

10.4

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/741040-17

Bij de stukken bevindt zich de op 5 februari 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/741040-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 30 juni 2017 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op 1 (één) jaar bepaalde proeftijd niet heeft gehouden aan (één van) de bijzondere voorwaarden.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.

Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 januari 2018 volgt dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarde inhoudende ‘meewerken aan de hulp en begeleiding van Terminal 18’. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 27, 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77dd, 77gg, 311, 326 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

De wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van poging tot oplichting;

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde:

opzetheling;

ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 bewezen verklaarde:

medeplegen van oplichting

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte, [verdachte] , tot jeugddetentie van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd bij de Reclassering Nederland zal melden, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan een diagnostisch (psychologisch) onderzoek;

  • -

    zal deelnemen aan een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa-training).

De volwassen reclassering wordt daarbij opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 150,-- (honderdvijftig euro) wegens materiële schade en € 750,-- (zevenhonderdvijftig euro) wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 november 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] , te betalen som van € 150,-- (honderdvijftig euro) wegens materiële schade en

€ 750,-- (zevenhonderdvijftig euro) wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade

(13 november 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 (achttien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 150,-- (honderdvijftig euro) wegens materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 november 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij

[slachtoffer 4] , te betalen som van € 150,-- (honderdvijftig euro) wegens materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 november 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 (drie) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van het bij voornoemd vonnis van 12 december 2016 met parketnummer 13/684259-15, opgelegde voorwaardelijke strafdeel, namelijk een jeugddetentie voor de duur van 1 maand.

Gelast de tenuitvoerlegging van het bij voornoemd vonnis van 30 juni 2017, opgelegde voorwaardelijke strafdeel, namelijk een jeugddetentie voor de duur van 1 maand.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2018.

[bijlage]

[bijlage]

  • -

    [bijlage]

  • -

    [bijlage]

.