Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1408

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
Parketnummers: 13/684487-17 en 16/183456-17 (TUL) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van de ISD maatregel voor de duur van 2 jaar met tussentijdse toetsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684487-17 en 16/183456-17 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in Justitieel Complex [locatie te plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.M. Smits en van hetgeen de gemachtigde raadsvrouw M. Rijser van verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1: winkeldiefstal op 11 november 2017

feit 2: het overtreden van een winkelverbod op 11 november 2017

feit 3: winkeldiefstal op 13 januari 2018

feit 4: winkeldiefstal op 16 januari 2018

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 2, het overtreden van het winkelverbod. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte kon zijn van het winkelverbod omdat de datum van ontzegging ontbreekt evenals een Poolse vertaling.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten, zoals hierna vermeld.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een geschrift bevindt inhoudende een ontzegging van de toegang van verdachte tot alle in Nederland gevestigde vestigingen van Media Markt. Hierin is eveneens vermeld dat het winkelverbod per 4 juni 2017 van kracht is gegaan. Nu winkeliers niet verplicht zijn een winkelverbod te vertalen en verdachte voorts direct na zijn aanhouding bij de politie heeft verklaard dat hij wist dat hij zich niet in de Media Markt mocht bevinden, wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1

op 11 november 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie cd's ter waarde van 29,99 euro, toebehorende aan winkelbedrijf Mediamarkt (filiaal gelegen aan de [adres 1] );

ten aanzien van feit 2

op 11 november 2017 te Amsterdam, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen op of aan de [adres 1] en in gebruik bij winkelbedrijf Mediamarkt,

welk binnendringen daarin bestond dat hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemd lokaal is binnengegaan, terwijl aan hem, verdachte, door of namens de rechthebbende de toegang tot voornoemd lokaal (schriftelijk) was ontzegd voor een periode van 12 maanden, ingaande op 4 juni 2017;

ten aanzien van feit 3

op 13 januari 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie croissants en een spelttwister en

een Ice tea (ter waarde van 7,49 euro), toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (gelegen in [adres 2] op luchthaven Schiphol);

ten aanzien van feit 4

op 16 januari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen schoenen en een broek en een T-shirt, toebehorende aan de Primark (vestiging [adres 3] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 (twee) jaar zonder aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht af te zien van het opleggen van de ISD-maatregel. Verdachte heeft nog geen eerlijke kans gehad in het reguliere hulpverleningstraject. Voorts stelt zij dat oplegging van de maatregel zou neerkomen op kale opsluiting gelet op de verblijfsstatus van verdachte. De raadsvrouw verzoekt verdachte een straf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, waarvan een deel voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Amsterdam, van 15 februari 2018, opgemaakt door R. Holthuijsen. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Uit het strafblad volgt dat verdachte sinds 2017 herhaaldelijk met justitie in aanraking is gekomen vanwege winkeldiefstallen, vernieling en het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of verordening. Hij voldoet aan de harde ISD-criteria. Er zijn mogelijke aanwijzingen voor problemen ten aanzien van middelengebruik. Verdachte verklaart dat hij in de weekenden gemiddeld een halve liter whisky drinkt. Naast het delictpatroon van vermogensdelicten is verdachte meerdere malen aangehouden in verband met agressiedelicten. Aangezien de meeste agressiedelicten plaatsvonden in het weekend, is het niet onaannemelijk dat er sprake is van problemen ten aanzien van middelengebruik. Volgens het Basisregister Personen heeft verdachte geen woon- of verblijfplaats en maakt hij gebruik van een postadres. Verdachte heeft een gebrek aan zelfinzicht. De reclassering is van mening dat er sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verdachte is echter van mening dat hij geen hulp behoeft. Hij heeft voorts een negatieve houding ten opzichte van begeleiding / behandeling. Het schorsingstoezicht dat was opgelegd inzake onderhavige strafzaak is niet uitvoerbaar gebleken, omdat verdachte niet op afspraken kwam, niet bereikbaar was voor de reclassering en opnieuw is gerecidiveerd. Meewerken aan terugkeer naar Polen is voor verdachte geen optie. Hij heeft naar zijn zeggen geen doel in Polen. Vanwege de verblijfstatus van verdachte en zijn terughoudendheid om mee te werken aan terugkeer naar het land van herkomst, kan er weinig tot geen invulling gegeven worden aan een eventueel reclasseringstoezicht. Begeleiding in een vrijwillig of voorwaardelijk kader lijkt daarmee een gepasseerd station. De reclassering is derhalve van mening dat verdachte ook voldoet aan de zachte ISD-criteria. Vanuit het NIFP zijn er geen contra-indicaties voor het opleggen van een ISD-maatregel. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 26 januari 2018 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de periode waarop de door hem begane feiten zijn gepleegd meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank overweegt dat de primaire doelstelling van de ISD-maatregel ziet op de beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive van verdachte. Daarbij gaat het met name om bestrijding van (ernstige) overlast. In de onderhavige zaak heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen en een overtreding van een winkelverbod. Dit zijn vervelende en bovenal overlastgevende feiten. Bestraffing in de vorm van een gevangenisstraf heeft tot nu toe niet geleid tot het voorkomen van recidive en verdachte lijkt steeds verder af te glijden. Dat verdachte vanwege zijn verblijfstatus niet zal kunnen deelnemen aan een extramuraal traject brengt niet mee dat van oplegging van de ISD-maatregel moet worden afgezien. De rechtbank gaat er, anders dan de verdediging, vanuit dat geen sprake zal zijn van kale opsluiting. Binnen de maatregel kan meer inzicht worden verkregen in de mogelijke middelen- en/of alcoholproblematiek van verdachte, die verband lijkt te houden met het delictpatroon van vermogensdelicten van verdachte. Hij kan binnen de maatregel deelnemen aan diverse behandeltrajecten, zodat het recidiverisico voldoende zou kunnen worden ondervangen. Voorts kan middels een psychosociaal onderzoek inzicht worden verkregen in de psychische belasting van verdachte. Binnen het reguliere kader kan aan verdachte geen adequaat hulpverleningsaanbod worden gedaan en is reclasseringstoezicht niet mogelijk gebleken. Verdachte heeft al hulp aangeboden gekregen van instanties, maar deze hulp is niet succesvol gebleken.

Een ander doelstelling van de ISD-maatregel zal in het geval van verdachte repatriëring naar het land van herkomst, Polen, zijn.

Voor het bereiken van de strafrechtelijke doelstellingen is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht daarbij niet in mindering brengen op de duur van die maatregel.

De rechtbank acht het wenselijk dat een ‘vinger aan de pols’ wordt gehouden over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt dat na één jaar een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden. De officier van justitie dient daarom binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank te berichten over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van het voortduren van de maatregel.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 16 november 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16/183456-17 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 26 september 2017 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 (één) week, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is echter van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zich niet verdraagt met de verdere inhoud van dit vonnis aangezien er een ISD-maatregel wordt opgelegd. De vordering wordt daarom afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1, 3 en 4 bewezen verklaarde:

diefstal, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar;

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank zal berichten over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis

d.d. 26 september 2017 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een gevangenisstraf van

1 (één) week.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2018.