Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1398

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
AMS 17/3361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft terecht de sloten vervangen van twee appartementen op de Noordermarkt in Amsterdam, zodat deze per direct niet meer konden worden gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2018 in de zaak tussen

vennootschap onder firma [naam V.O.F.] , te [plaats] , eiseres,

hierna: [naam V.O.F.]

[eiseres sub 1] , te [plaats] , hierna: [eiseres sub 1]

[eiseres sub 2] , te [plaats] , hierna: [eiseres sub 2]

[eiseres sub 3] , te [plaats] , hierna: [eiseres sub 3]

hierna allen tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. J.Chr. Rube)

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het algemeen bestuur

(gemachtigde: mr. C.M. Delstra).

Procesverloop

Met het besluit van 24 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur spoedeisende bestuursdwang toegepast door de sloten te vervangen en eisers gelast het gebruik van de appartementen op de adressen [adres] en [adres] te [plaats] (de appartementen) als logiesgebouw/hotel onmiddellijk te (laten) staken en gestaakt te houden. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 25 april 2017 (het bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 15 januari 2018. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 3] waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. [eiseres sub 2] is niet verschenen. [naam V.O.F.] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] . Namens het algemeen bestuur waren aanwezig mr. C.M. Delstra en [naam 2] , medewerker toezicht en handhaving.

Overwegingen

1.1

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zijn echtgenoten. [eiseres sub 1] was ten tijde van belang juridisch eigenaar van het appartement [adres] en volledig eigenaar van het appartement [adres] te [plaats] . [eiseres sub 1] woont in [plaats] . Zijn echtgenote [eiseres sub 2] stond ten tijde van belang in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] . [eiseres sub 3] was ten tijde van belang economisch eigenaar van het appartement [adres] en stond daar ook ingeschreven. Beide appartementen bevinden zich in hetzelfde pand, [adres] op de eerste verdieping en [adres] op de tweede en derde verdieping. De appartementen zijn aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute (de trap). De appartementen werden via de website van [naam V.O.F.] verhuurd aan toeristen. [naam V.O.F.] trad daarbij op als bemiddelaar in woningverhuur. Op het perceel is het bestemmingsplan “Westelijke Binnenstad” (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan is het als ‘Gemengd-1.4’ aangewezen perceel onder andere bestemd voor wonen; het vestigen van een hotel is niet toegestaan.

1.2

Op 24 oktober 2016 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam samen met medewerkers van de Brandweer Amsterdam-Amstelland (de brandweer) een controle uitgevoerd in de appartementen. Daarbij zijn in totaal 11 slaapplaatsen geconstateerd en acht toeristen aangetroffen: twee in het appartement [adres] en zes in het appartement [adres] .

2. Het bestreden besluit berust, kort weergegeven, op de overweging dat [eiseres sub 2] en/of [eiseres sub 3] geen hoofdverblijf hebben in de appartementen, zodat deze geen woonfunctie hebben, maar een logiesfunctie in een logiesgebouw. Dit is in strijd met het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit), de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bestemmingsplan. Verder voldoet het gebruik van de appartementen niet aan de voorwaarden voor toeristische verhuur in de notitie “Ruimte voor gasten” zoals op 5 februari 2014 door de gemeenteraad vastgesteld (het beleid). De spoedeisende bestuursdwang was noodzakelijk vanwege de brand- en vluchtonveilige situatie, aldus het algemeen bestuur.

3. De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Bouwbesluit, de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor), de bouwverordening van de gemeente Amsterdam, het bestemmingsplan en het Bevoegdhedenregister bestuurscommissies (Bevoegdhedenregister) zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

4.1

Eisers hebben allereerst betoogd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Uit onderdeel X.41 van het Bevoegdhedenregister volgt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. Uit onderdeel X.3 van het Bevoegdhedenregister blijkt de algemene bevoegdheid van het algemeen bestuur bestuursdwang toe te passen ten aanzien van regels waarvan de uitvoering aan de bestuurscommissie is gedelegeerd. De delegatie van deze regels is neergelegd in onderdeel X.14 van het Bevoegdhedenregister voor wat betreft de Woningwet, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. In B.14 en B.15 is ook de uitvoering van de bevoegdheid tot vergunningverlening in afwijking van het bestemmingsplan en de vergunningverlening voor brandveilig gebruik gedelegeerd aan het algemeen bestuur. Uit deze onderdelen volgt dus reeds dat het bestreden besluit bevoegd is genomen door het algemeen bestuur. Eisers hebben gewezen op onderdeel X.41 waarin staat dat de bevoegdheid tot het toezicht op en de handhaving van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het algemeen bestuur is gemandateerd. Volgens het algemeen bestuur is dit onderdeel echter alleen van toepassing als ook sprake is van een aan het algemeen bestuur gemandateerde primaire bevoegdheid. Ter verduidelijking is in 2017 een nadere toelichting met deze strekking opgenomen bij X.41. De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen aanknopingspunten het standpunt van het algemeen bestuur op dit punt niet te volgen. Het bestreden besluit is dus bevoegd genomen.

5. Op de zitting is gebleken dat de toegepaste bestuursdwang begin 2017 is opgeheven en dat de appartementen in de loop van 2017 zijn verkocht. Eisers stellen schade te hebben geleden als gevolg van de bestuursdwang. Het gaat daarbij om gemaakte juridische kosten en om geleden immateriële schade. De rechtbank komt deze gestelde schade niet onaannemelijk voor. Eisers hebben daarom nog een belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

De overtredingen

6.1

Eisers voeren aan dat geen sprake was van een logiesfunctie, maar van een woonfunctie omdat, kort gezegd, [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ten tijde van belang in het BRP stonden ingeschreven als bewoners van de appartementen en zij aldaar ook daadwerkelijk hoofdverblijf hadden. Bovendien zijn de appartementen volgens eisers niet meer dan 60 dagen per jaar verhuurd en telkens aan maximaal vier personen per keer.

6.2

Het algemeen bestuur baseert zijn besluitvorming op de rapportage van bevindingen van 27 oktober 2016, het beeldverslag [adres] (8.40 uur), de beeldverslagen [adres] (9.15 uur en 15.15 uur) en de brief van de brandweer van 24 mei (lees: oktober) 2016.

Uit de rapportage van 27 oktober 2016 blijkt het volgende. [eiseres sub 3] en [eiseres sub 2] stonden in de BRP geregistreerd als bewoners van de appartementen [adres] en [adres] . [eiseres sub 3] en [eiseres sub 2] werden bij de controle niet aangetroffen. In appartement [adres] troffen de toezichthouders twee Engelse en in appartement [adres] zes Italiaanse toeristen aan. Alle toeristen hadden de appartementen via internet geboekt. Uit de getoonde boekingsbevestiging blijkt dat de Engelse toeristen hun appartement ( [appartement 1] ) via [naam V.O.F.] hadden geboekt voor een bedrag van € 659,- voor vier nachten. Uit de boekingsbevestiging van de Italiaanse toeristen blijkt dat zij hun appartement ( [appartement 2] ) ook bij [naam V.O.F.] hadden geboekt en voor vijf nachten met zes personen € 1.511,25 betaalden. De sleutel hadden zij elk gehaald bij een kantoor/fietsverhuurwinkel dichtbij, op de [adres] . De sleutel moest daar ook weer worden afgegeven. Volgens een Italiaanse toerist hadden zij de hele woning ter beschikking en maakte de woning een onbewoonde indruk. Zo waren in de keuken en badkamer geen spullen van bewoners aanwezig. Met toestemming van de toeristen hebben de toezichthouders de appartementen van binnen bekeken. Uit de brief van de brandweer over de inspectie op 24 oktober 2016 blijkt dat de brandweer het pand heeft aangemerkt als logiesgebouw, omdat er twee logiesverblijven met een centrale trap met in totaal 11 slaapplaatsen en acht toeristen zijn aangetroffen. Volgens de brandweer wordt niet voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit met betrekking tot de brandveiligheid en is sprake van een vlucht- en brandonveilige situatie.

6.3.

Uit het dossier blijkt dat de appartementen op de website van [naam V.O.F.] werden aangeboden als [appartement 1] : te huur voor een aantal personen van 2/3/4/family. [appartement 2] werd ook in delen aangeboden (Front room, Back room, Middle room en [appartement 3] ), het aantal personen was 2/3/4/family. Beoordelingen van de appartementen zijn verder ook te vinden op de website TripAdvisor.

6.4

Op grond van de in 1.1, 1.2 en 6.2 en 6.3 weergegeven feiten stelt de rechtbank vast dat de appartementen werden gebruikt voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen. Dit betekent dat elk van de appartementen ten tijde van belang aangemerkt moet worden als een logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit. De appartementen waren ingericht om (afzonderlijk) te worden verhuurd aan toeristen en werden als zodanig ook op internet te huur aangeboden. In beide appartementen zijn op 24 oktober 2016 ook daadwerkelijk toeristen aangetroffen. Vast staat verder dat de logiesverblijven zijn aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute. Het algemeen bestuur heeft dan ook terecht de appartementen tezamen aangemerkt als een logiesgebouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Gelet op het voorgaande, en anders dan eisers betogen, is in dit kader niet doorslaggevend of [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ten tijde van belang ook als bewoners in het BRP stonden ingeschreven dan wel daar (soms) ook woonachtig waren. Het gaat immers om het feitelijk gebruik van de appartementen. Ten tijde van belang – 24 oktober 2016 – was dat gebruik logiesverblijf en (de twee appartementen gezamenlijk) een logiesgebouw. Evenmin is in dit kader van belang of de appartementen elk voor slechts 60 dagen per jaar werden verhuurd, als bedoeld in het vakantieverhuurbeleid van de gemeente Amsterdam, zoals eisers (overigens niet nader onderbouwd) betogen.

6.5

Op grond van het voorgaande zijn de brandveiligheidseisen die in het Bouwbesluit en de Woningwet aan een logiesgebouw worden gesteld op de appartementen van toepassing. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de appartementen ten tijde van belang niet aan deze brandveiligheidseisen voldeden.

6.6

Uit artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.2, eerste lid, onder a, van het Bor en artikel 4.1 van de Bouwverordening volgt verder dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning bedrijfsmatig nachtverblijf te verschaffen aan meer dan vier personen. Zoals hiervoor reeds overwogen werden de appartementen via [naam V.O.F.] , een professionele bemiddelaar, op internet te huur aangeboden voor meer dan vier personen. Via deze bemiddelaar werden ook de sleutels verkregen. Zoals uit de boekingsbevestingen blijkt werden commerciële prijzen gerekend voor de verhuur. Eisers hadden met elkaar een verdeling gemaakt van de inkomsten uit verhuur. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het gebouw bedrijfsmatig nachtverblijf werd verschaft. Hiervoor is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik vereist. Vast staat dat een dergelijke omgevingsvergunning niet was verleend.

6.7

De rechtbank overweegt verder dat uit het gebruik van de appartementen als logiesgebouw en het bedrijfsmatige nachtverblijf volgt dat ook sprake is van gebruik van de appartementen in strijd met het bestemmingsplan. Op de gronden rust blijkens het bestemmingsplan de bestemming Gemengd - 1.4. Op grond van artikel 10.1 zijn de voor ‘Gemengd - 1.4’ aangewezen gronden bestemd voor (onder meer) wonen. Horeca 5 (hotels) zijn in de tweede tot en met vierde bouwlaag uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - horeca 5 toegestaan. Op de gronden waarop de appartementen staan rust deze aanduiding niet. Hotelmatig gebruik is dus niet toegestaan. Aangezien eisers de appartementen wel (mede) als hotel gebruikten, dan wel lieten gebruiken is de rechtbank van oordeel dat het algemeen bestuur eisers terecht heeft tegengeworpen dat zij handelden in strijd met het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande, en anders dan eisers betogen, is in dit kader niet doorslaggevend of [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ten tijde van belang ook als bewoners in het BRP stonden ingeschreven dan wel daar (soms) ook woonachtig waren.

6.8

Op grond van het beleid wordt onder bepaalde voorwaarden geen vergunning verlangd bij verhuur van een woning aan toeristen. Een van de voorwaarden van het beleid is verhuur aan maximaal vier personen. Uit de advertenties op de website [naam website] blijkt dat beide appartementen tegelijk voor meer dan vier personen te huur werden aangeboden. Eisers voldoen aldus reeds niet aan deze voorwaarde van het beleid. Gelet hierop kan de vraag of [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] hoofdverblijf hadden in de appartementen in het midden blijven.

7. Het algemeen bestuur was, gelet op het voorgaande, bevoegd om handhavend op te treden. Bovendien was het algemeen bestuur bevoegd spoedeisende bestuursdwang toe te passen zonder een voorafgaande schriftelijke last, door vervanging van de sloten, zodat van de appartementen niet langer gebruik kon worden gemaakt. Op grond van de bevindingen van de toezichthouders en de brandweer bij de controle op 24 oktober 2016, omschreven in de rapportage van 27 oktober 2016 en de brief van de brandweer, bestond een concreet risico voor de veiligheid en de gezondheid van de in het pand verblijvende personen bij een eventuele uitbraak van brand, wegens handelen in strijd met de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de Woningwet en handelen zonder omgevingsvergunning brandveilig gebruik. Daarmee deed zich een situatie voor die het toepassen van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigde. Van omstandigheden die aanleiding geven om van handhaving af te zien, is niet gebleken. Van onevenredigheid van het handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen of van enige strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is evenmin gebleken. Het algemeen bestuur mocht de veiligheid van toeristen zwaarder laten wegen dan het (financiële) belang van eisers bij het verhuren van de appartementen. Van een concreet zicht op legalisatie is evenmin sprake, omdat het logiesgebouw niet aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit voldeed en hiervan geen ontheffing kan worden verleend. Daarnaast was geen sprake van een ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruik van een bouwwerk. Verder is volgens vaste rechtspraak een sluiting voor de duur van drie maanden in een geval als dit niet onevenredig. Daarmee wordt immers beoogd de loop naar het illegale logiesgebouw/hotel te staken.

Kan [naam V.O.F.] als overtreder worden aangemerkt?

8.1

[naam V.O.F.] voert aan dat hij geen essentiële rol speelde bij de totstandkoming van de verhuringen, maar slechts een faciliterende rol had. Er werden geen huurovereenkomsten gesloten op eigen initiatief van [naam V.O.F.] . Ook zag zijn handelen niet op de vermeende overtreding. [naam V.O.F.] heeft zich er namelijk in voldoende mate van vergewist dat geen overtreding van de regelgeving zou plaatsvinden.

8.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt.1

Medeplegen als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Awb doet zich voor bij een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie ‘medepleger’ is slechts gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de betrokkene aan het feit van voldoende gewicht is. In het bijzonder wanneer het medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, kunnen voor het oordeel dat zich niettemin een nauwe en bewuste samenwerking voordoet onder meer van belang zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit en het belang van de rol van de betrokkene.2

8.3

De rechtbank overweegt dat [naam V.O.F.] ten tijde van belang als bemiddelaar woningen te huur aanbood op zijn website, de boekingen regelde, de huur en de borg incasseerde, de sleutel overdroeg en als contactpersoon vast aanspreekpunt was. Dit betekent dat [naam V.O.F.] een essentiële rol had, zonder welke de verhuur - in strijd met de wet- en regelgeving - niet goed denkbaar was geweest. Ook had [naam V.O.F.] voor zijn aandeel een deel van de inkomsten uit de verhuur bedongen. Gelet op al het voorgaande is sprake van een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. Het algemeen bestuur heeft [naam V.O.F.] daarom terecht als overtreder aangemerkt en [naam V.O.F.] kan verantwoordelijk worden gehouden voor de geconstateerde overtredingen.

Kan [eiseres sub 1] als overtreder worden aangemerkt ten aanzien van [adres] ?

9.1

[eiseres sub 1] voert aan dat hij ten tijde van belang slechts juridisch eigenaar was van het appartement [adres] en daarom niet als overtreder kan worden aangemerkt. Alleen [eiseres sub 3] is als economisch eigenaar beschikkingsbevoegd.

9.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag van een eigenaar van een pand dat hij verhuurt worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van het door hem verhuurde pand.3 Om niet als overtreder te worden aangemerkt, dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand in strijd met wettelijke voorschriften werd gebruikt.

9.3

Niet ter discussie staat dat [eiseres sub 1] kan worden aangemerkt als overtreder ten aanzien van het appartement [adres] . De rechtbank is van oordeel dat hij ook kan worden aangemerkt als overtreder ten aanzien van het appartement [adres] . Dat [eiseres sub 1] van het appartement [adres] ten tijde van belang alleen juridisch eigenaar was, leidt niet tot een ander oordeel. Beide appartementen werden gezamenlijk – en met medeweten van [eiseres sub 1] – op het internet aangeboden en verhuurd aan toeristen. Bovendien heeft [eiseres sub 1] naar aanleiding van het primaire besluit een e-mail verstuurd aan de behandelend jurist van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam. Daarin bericht [eiseres sub 1] het volgende. “De verhuur aan toeristen van kamers van [adres] en [adres] is per direct gestaakt en zal ook nooit meer plaatsvinden. Ik heb hierover bindende afspraken gemaakt met de heer [eiseres sub 3] , die [adres] bewoont en mevrouw [eiseres sub 2] en onze zoon [naam 3] die [adres] bewonen. Alleen zij maken gebruik van deze appartementen en niemand anders. Ik zal daar persoonlijk op toezien en u kunt mij hiervoor verantwoordelijk houden. De verhuur-organisatie heeft de informatie over deze appartementen inmiddels van de website gehaald.” Hieruit kan blijken dat [eiseres sub 1] wel beschikkingsbevoegdheid had over het appartement [adres] .

9.4

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemeen bestuur [eiseres sub 1] terecht ook heeft aangemerkt als overtreder ten aanzien van het appartement [adres] .

10. Het betoog van [naam V.O.F.] dat het algemeen bestuur niet handhavend jegens hem mocht optreden, omdat eerder was meegedeeld dat voor zijn activiteiten geen vergunning nodig was, volgt de rechtbank niet. Niet is immers gebleken van een aan het algemeen bestuur toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging, waaraan [naam V.O.F.] gerechtvaardigd de verwachting kon ontlenen dat met de manier waarop de appartementen werden verhuurd werd voldaan aan alle relevante wet- en regelgeving. De rechtbank volgt evenmin het betoog dat het algemeen bestuur had moeten volstaan met een waarschuwing; aard en ernst van de overtreding staan daaraan in de weg. Het opleggen van een preventieve last onder dwangsom was evenmin mogelijk, omdat een preventieve last onder dwangsom niet is bedoeld om herhaling van een al gepleegde overtreding te voorkomen. Een preventieve last onder dwangsom kan slechts worden opgelegd als het een nieuwe, nog niet gepleegde overtreding betreft. Deze beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Eisers worden dus niet in het gelijk gesteld.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk

U kunt binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage

Bevoegdhedenregister bestuurscommissies

Op grond van onderdeel X.3 van het Bevoegdhedenregister bestuurscommissies (het Bevoegdhedenregister), behorend bij de Verordening op de bestuurscommissies, heeft het college aan het algemeen bestuur gedelegeerd de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan de bestuurscommissie is gedelegeerd.

Op grond van onderdeel X.14 van het Bevoegdhedenregister heeft het college de bevoegdheid tot bestuursrechtelijk toezicht en handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met III Woningwet, het Bouwbesluit en de Bouwverordening gedelegeerd aan het algemeen bestuur.

Op grond van onderdeel B.14 van het Bevoegdhedenregister heeft het college de bevoegdheid tot beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan gedelegeerd aan het algemeen bestuur.

Op grond van onderdeel B.15 van het Bevoegdhedenregister heeft het college de bevoegdheid tot beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning brandveilig gebruik gedelegeerd aan het algemeen bestuur.

Op grond van onderdeel X.41 van het Bevoegdhedenregister heeft het college aan het algemeen bestuur de bevoegdheid tot toezicht op en handhaving van bestemmingsplannen, grondexploitatieplannen en omgevingsvergunningen gemandateerd.

Algemene wet bestuursrecht

Op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Op grond van het tweede lid wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Op grond van het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend gemaakt.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen.

Besluit omgevingsrecht

Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo aangewezen het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening bepaalde aantal personen.

Op grond van artikel 2.2, tweede lid, van het Bor wordt bij de toepassing van het eerste lid onder bouwwerk mede verstaan delen van een bouwwerk die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te gebruiken.

Bouwverordening Amsterdam 2013

Op grond van artikel 4.1 van de Bouwverordening Amsterdam wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van het Bor het aantal personen bepaald op 4.

Bouwbesluit 2012

Op grond van artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) wordt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften onder een logiesgebouw verstaan: een gebouw of gedeelte daarvan, waarin meer dan één logiesverblijf ligt, dat is aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute. Op grond van diezelfde bepaling wordt onder logiesverblijf verstaan een voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een logiesfunctie.

Op grond van artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit wordt onder logiesfunctie verstaan gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen.

Bestemmingsplan

Op grond van artikel 10.1, onder a, van het bestemmingsplan “Westelijke Binnenstad” (het bestemmingsplan) zijn de voor ‘Gemengd – 1.4’ aangewezen gronden bestemd voor wonen.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:288.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2394.

3 Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2970.