Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1358

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
13/741055-17 en 13/706620-17 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741055-17 en 13/706620-17 (ttz. gevoegd)

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] ,
thans verblijvende in het [naam inrichting] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018, waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Duker, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis, naar voren hebben gebracht.

Ten slotte heeft de rechtbank L. Heukelom (GZ-psycholoog), J. de Jonge (psychiater/kinder- en jeugdpsychiater) en J. Huijbers (reclasseringswerker Reclassering Nederland) gehoord als deskundigen.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat:

Parketnummer 13/741055-17

  1. hij op 14 maart 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging/alleen met geweld een telefoon en/of een portemonnee met inhoud en/of een paspoort van [persoon 1] heeft gestolen;

  2. hij op 1 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk een telefoon en/of een intercom(-telefoon) en/of een spiegel en/of een stoel en/of een prullenbak en/of een brandblusser van het Leger des Heils (vestiging [adres 2] ) heeft vernield;

  3. hij op 26 mei 2017 te Amsterdam zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen de ambtenaar [persoon 2] door deze [persoon 2] te duwen en/of zich los te rukken/trekken uit zijn greep en/of op het hoofd van [persoon 2] te slaan waardoor deze [persoon 2] een hoofdwond heeft opgelopen;

  4. hij op 26 mei 2017 te Amsterdam zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen de ambtenaren [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] en/of [persoon 6] , door opzettelijk gewelddadig te rukken/trekken in een tegenovergestelde richting en/of door voornoemde [persoon 3] op/tegen het hoofd te slaan/stompen;

  5. hij op 26 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk de ambtenaren [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 5] en/of [persoon 6] heeft beledigd door te zeggen “kankermongool” en/of “jullie zij allemaal kankerlijers” en/of “jullie zijn allemaal kankermongolen”.


Parketnummer 13/706620-17

1. hij op 1 december 2016 te Amsterdam opzettelijk de ambtenaar [persoon 7] heeft beledigd door te zeggen “blauwe hoeren” en/of “kanker security, kanker beveiliger, kom vechten dan, ik maak je kapot”.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 13/741055-17, de straatroof, baseert zij zich op het volgende. Uit de aangifte van [persoon 1] blijkt dat hij werd aangesproken door iemand en dat deze persoon zei: “Ik breng je wel naar het hotel”. [persoon 1] liep mee en zag dat er even later twee vrienden aansloten. Hij werd vastgelopen door NN1, wiens signalement overeenkomt met dat van verdachte, en werd vervolgens geschopt en geslagen. Hij viel op de grond en voelde dat er spullen uit zijn zak werden gepakt. Er is een verbalisant die geen zichtbaar letsel heeft waargenomen, maar een andere verbalisant die op dat moment ter plaatse was, heeft rode vlekken in het gezicht van [persoon 1] gezien.

Er is een camera gericht op het begin van de looproute waar verbalisanten verdachte met [persoon 1] in de Lange Niezelstraat zien. Verdachte draagt een zwarte jas met een witte bontkraag. De camera’s zien tot de Oude Brugsteeg waarna verbalisant [persoon 8] hen tot de Spuistraat heeft kunnen volgen. Hij verliest hen uit het oog en kort daarna volgt een melding van een straatroof. Op Google Maps is te zien dat het vier minuten lopen is van de plek waar [persoon 8] hen uit het oog verloor tot aan de locatie van de straatroof (de Leliegracht). Op de camerabeelden is goed te zien dat verdachte en de twee mannen contact met elkaar hebben en schichtig om zich heen kijken. Op de beelden van een particuliere camera is ver weg het incident te zien en is duidelijk iemand te zien met een zwarte jas en een dikke wollen witte bontkraag, die wegrent. Dit signalement past goed bij de foto van verdachte die direct na zijn aanhouding wordt gemaakt. Er is ook nog een aanvullend proces-verbaal waaruit blijkt dat tussen het moment van de straatroof en het moment dat de politie ter plaatse komt er geen andere mensen op de camera te zien zijn.

Op grond van het voorgaande acht de officier van justitie het feit wettig en overtuigend bewezen. Voor de overige feiten baseert zij zich op de stukken uit het dossier, hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen en de verklaring van verdachte.

3.2

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 13/741055-17, de straatroof, heeft de raadsvrouw van verdachte vrijspraak bepleit. Zij heeft daarbij allereerst gewezen op de verklaring van aangever [persoon 1] waarin hij heeft beschreven dat hij onder meer meermalen tegen zijn hoofd zou zijn getrapt. Uit zijn verzoek tot schadevergoeding volgt vervolgens dat hij zo vaak in zijn gezicht zou zijn getrapt dat het gezwollen en gekneusd zou zijn. Dit rijmt echter niet met de waarneming van verbalisant [persoon 9] , die heeft geverbaliseerd dat hij geen zichtbaar letsel bij [persoon 1] heeft gezien. Ook zou verbalisant [persoon 10] hebben gezien dat [persoon 1] rode vlekken in zijn gezicht had, maar deze zouden ook veroorzaakt kunnen zijn doordat hij kort daarvoor had overgegeven. Niemand heeft de daadwerkelijke beroving gezien, verdachte ontkent stellig en de weggenomen goederen zijn niet aangetroffen, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft nog wel opgemerkt dat uit het dossier volgt dat verdachte de prullenbak omver heeft getrapt, maar dat niet valt in te zien waarom de prullenbak dan vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt zou zijn (feit 2). Tevens heeft de raadsvrouw van verdachte benadrukt dat de houding van opsporingsambtenaar [persoon 2] geen schoonheidsprijs verdient, omdat hij als eerste zou hebben geduwd en als eerste een dreigende houding zou hebben aangenomen (feiten 3, 4 en 5). Tevens heeft zij onder de aandacht gebracht dat de betrokken psychiater en psycholoog adviseren verdachte ten aanzien van deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

Met betrekking tot feit 1, parketnummer 13/706620-17 heeft de raadsvrouw vrijspraak bij gebrek aan wettig bewijs bepleit en voorts subsidiair aangevoerd dat [persoon 7] geen ambtenaar is in de zin van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak voor feit 1, parketnummer 13/706620-17 (de belediging van [persoon 7] )

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de belediging van [persoon 7] .

Aangever [persoon 7] heeft verklaard dat hij beledigd is door verdachte doordat deze zou hebben geroepen “blauwe hoeren” en “kanker security, kanker beveiliger, kom dan vechten, ik maak je kapot”. Dit zou met een opvallend hoge stem zijn geweest. Getuige [getuige] heeft iemand “blauwe hoeren” horen roepen, maar heeft later gehoord dat deze jongen [verdachte] zou heten.

Nu de rechtbank naar aanleiding van de zitting heeft geconstateerd dat verdachte geen hoge stem heeft, maar juist een lage, diepe stem, en verder uit niets anders dan de verklaring van [persoon 7] blijkt dat het verdachte is geweest die hem beledigd zou hebben, komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring.

De rechtbank constateert ten overvloede met de raadsvrouw dat [persoon 7] niet als ambtenaar in de zin van artikel 267 Sr kan worden beschouwd, omdat hij werkzaam is als buurtveiligheidsmedewerker in dienst van een particulier beveiligingsbedrijf.

3.3.2

Veroordeling voor de overige feiten

Ten aanzien van de overige vijf feiten komt de rechtbank tot een bewezenverklaring.

Diefstal met geweld op 14 maart 2017 (feit 1, parketnummer 13/741055-17)

Aangever [persoon 1] heeft verklaard dat hij in het Wallengebied op straat werd aangesproken door een man die hem aanbood hem te begeleiden naar zijn hostel in de buurt van het Leidseplein. Op een gegeven moment voegde zich bij hem twee andere mannen. [persoon 1] is rond 00.45 uur op de Leliegracht door deze drie mannen geschopt en geslagen, waarbij hij op de grond viel. Vervolgens is hij meerdere malen tegen zijn hoofd geschopt. Hij voelde dat er goederen uit zijn broekzak werden gepakt. Zijn telefoon, paspoort en portemonnee bleken te zijn gestolen.

De verklaring van [persoon 1] wordt ondersteund door de camerabeelden en de waarnemingen door de politie. De man die [persoon 1] als eerste aanspreekt, is door verbalisant [persoon 10] herkend als verdachte. Verdachte heeft op de zitting ook verklaard dat hij contact heeft gemaakt met [persoon 1] om te vragen hoe het met hem gaat. Hij zag namelijk aan het gedrag van [persoon 1] dat hij dronken was. Verdachte heeft ook verklaard dat hij een stukje met hem is gaan lopen en dat ze met elkaar hebben gepraat.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van 14 maart 2017 dat de verklaring van verbalisant [persoon 11] inhoudt. [persoon 11] heeft zowel via de camera als op straat waargenomen hoe het slachtoffer door verdachte en twee andere mannen vanaf de Lange Niezel werd meegenomen tot aan de Singel. Op dat moment is verbalisant het viertal uit het oog verloren. Binnen enkele minuten kreeg verbalisant een melding van een straatroof op de Leliegracht. Het slachtoffer bleek [persoon 1] te zijn.

In het dossier bevindt zich eveneens een proces-verbaal van 15 maart 2017 dat de verklaring van verbalisant [persoon 12] inhoudt. Zij heeft op 15 maart 2017 de camerabeelden bekeken die afkomstig zijn van een particuliere camera die is bevestigd aan het perceel Leliegracht [nummer] . De beelden zijn van de datum 14 maart 2017 tussen tijdstip 00.30 uur en 01.00 uur. De tijdsindicatie van de camera toont in beeld Tuesday, March 14, 2017, 12.29.00 AM en loopt door tot 13.00 AM. Verbalisant ziet op het tijdstip 12.45 uur vier personen in beeld verschijnen die plots heen en weer bewegen op één plek (foto 2). Het lijkt alsof er wordt ingetrapt of ingestapt door de personen. Op het tijdstip 12.46 rent de eerste verdachte weg en kort daarna verschijnen nog twee verdachten rennend in beeld. De derde rennende verdachte voldoet aan het volgende signalement: donkerkleurige jas met lichtkleurige kraag, blauwkleurige trainingsbroek met wit logo op linkerbeen en donkere schoenen met lichtkleurige zool (foto 7). Deze verdachte vertoont sterke gelijkenis met de uiterlijke kenmerken van de aangehouden verdachte [verdachte] , van wie een foto die kort na de aanhouding is gemaakt, in het proces-verbaal is opgenomen. Bovendien ziet verbalisant [persoon 12] dat op het tijdstip 12.49 politie in beeld verschijnt op de locatie waar het slachtoffer kennelijk is achtergebleven.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij heeft gerend, maar dat hij de persoon op foto 7 misschien wel is.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat verdachte met [persoon 1] heeft gesproken en dat zij samen tot aan de Singel hebben gelopen. Dit is immers waargenomen door verbalisant [persoon 11] . Tussen het uit het oog verliezen van verdachte en [persoon 1] en de melding van een straatroof zitten enkele minuten tijd. De locatie van de straatroof, de Leliegracht, bevindt zich vlakbij de locatie waar [persoon 11] verdachte en [persoon 1] uit het oog is verloren. Op de camerabeelden van het perceel Leliegracht [nummer] lijkt een schermutseling te zien te zijn, waarna drie verdachten wegrennen. De derde rennende verdachte vertoont sterke gelijkenissen met verdachte [verdachte] . De rechtbank vindt verder van belang dat er na de schermutseling geen andere mensen meer zichtbaar zijn op de camerabeelden, behalve de politie die zich om het kennelijk achtergelaten slachtoffer bekommert. Zij komt daarom op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die samen met twee anderen [persoon 1] van zijn telefoon, paspoort en portemonnee heeft beroofd.

Vernieling op 1 mei 2017 (feit 2, parketnummer 13/741055-17)

De rechtbank acht dit feit bewezen zoals onder 3.4 is weergegeven. Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij op 1 mei 2017 een oude telefoon met drukknopjes, een intercomtelefoon, een spiegel en een prullenbak heeft vernield. Ook heeft hij een brandblusser leeggespoten, waardoor deze onbruikbaar is geworden. Het Leger des Heils heeft aangifte gedaan en het dossier bevat foto’s van de vernielde goederen.

De wederspannigheid en de belediging op 26 mei 2017 (feiten 3, 4 en 5, parketnummer 13/741055-17)

Uit de processen-verbaal en aangiften van buitengewone opsporingsambtenaren [persoon 5] , [persoon 13] , [persoon 6] en [persoon 2] blijkt dat zij zich op 26 mei 2017 rond 19.00 uur in lijnbus 37 bevonden. Een man, naar later bleek verdachte, werd naar zijn vervoersbewijs gevraagd. Hierop riep hij “kankermongool” waarna hij werd aangehouden voor belediging. Er ontstond enig duw- en trekwerk waarmee verdachte zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken.

Opsporingsambtenaren [persoon 3] en [persoon 4] kregen de melding te gaan naar lijnbus 37 om een aangehouden verdachte over te brengen naar het politiebureau. In de bus aangekomen zagen zij dat verdachte zich verzette tegen zijn aanhouding. Hij probeerde zich los te rukken, sloeg met zijn geboeide arm op het hoofd van [persoon 2] en vervolgens op het hoofd van [persoon 3] . Toen verdachte gecontroleerd was, riep hij meerdere malen luidkeels “dat de opsporingsambtenaren allemaal kankermongolen en kankerlijers waren”.

Het dossier bevat verder een foto van de hoofdwond van [persoon 2] . Ook blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2017 dat verbalisant [persoon 14] verdachte op de camerabeelden herkent en onder meer ziet dat hij niet meewerkt aan zijn aanhouding door te duwen, te trekken en zich vast te klampen aan voorwerpen in de bus.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zwart reed met de bus en dat hij toen werd gecontroleerd. Hij overhandigde zijn identiteitskaart en er ontstond een woordenwisseling met [persoon 2] . Dit liep uit de hand en het werd duw- en trekwerk. Uit boosheid heeft verdachte dingen gezegd, maar hij weet niet meer precies wat. Het zou “kankerlijer” of “kankermongool” kunnen zijn geweest. Verdachte heeft verder verklaard dat hij niet expres op het hoofd van [persoon 2] heeft geslagen, maar dat hij zich probeerde los te trekken. Hij had wel een handboei om zijn hand. Verdachte heeft verder bekend dat hij zich verzette tegen zijn aanhouding.

Gelet op de verklaringen van de buitengewone opsporingsambtenaren, de verklaring van verdachte en het opgelopen letsel van [persoon 2] komt de rechtbank ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 tot een bewezenverklaring. Ten aanzien van het op het hoofd slaan van [persoon 2] overweegt de rechtbank dat verdachte door zich te verzetten bij zijn aanhouding en door zich los te rukken uit de greep van [persoon 2] op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [persoon 2] op zijn hoofd zou raken en dat deze daardoor letsel zou kunnen oplopen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 14 maart 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (Samsung Galaxy s6) en een portemonnee met inhoud en een paspoort, toebehorende aan [persoon 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [persoon 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders voornoemde [persoon 1] hebben vastgepakt en hebben vastgehouden en vervolgens terwijl voornoemde [persoon 1] op de grond lag tegen het hoofd van voornoemde [persoon 1] hebben getrapt;

Feit 2

op 1 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon en een intercomtelefoon en een spiegel heeft vernield en een brandblusser onbruikbaar heeft gemaakt, toebehorende aan het Leger des Heils, vestiging [adres 2] ;

Feit 3

op 26 mei 2017 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [persoon 2] , buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het aanhouden op verdenking van het gepleegd hebben van een strafbaar feit, artikel 267 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, door voornoemde [persoon 2] meermalen met kracht te duwen waardoor voornoemde [persoon 2] zijn evenwicht verloor en zich los te rukken uit de greep van voornoemde [persoon 2] en met kracht met transportboeien op het hoofd van voornoemde [persoon 2] te slaan terwijl hij, verdachte, deze transportboei om zijn pols had, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij voornoemde [persoon 2] ten gevolge heeft gehad;

Feit 4

op 26 mei 2017 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] , allen buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, door opzettelijk gewelddadig krachtig te rukken en te trekken in een richting tegenovergesteld aan die waarin de opsporingsambtenaren verdachte trachtten te bewegen en voornoemde [persoon 3] meermalen op het hoofd te slaan;

Feit 5

op 26 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 5] en [persoon 6] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kankermongool" en "jullie zijn allemaal kankerlijers" en "jullie zijn allemaal kankermongolen".

4 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 De straf en maatregel

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de oplegging van jeugddetentie gelijk aan het voorarrest gevorderd met daarnaast een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) als bedoeld in artikel 77s lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Zij baseert zich met name op de opgemaakte Pro Justitia rapportages door de psycholoog L. Heukelom en de psychiater J. de Jonge. Zij adviseren beiden verdachte ten aanzien van het merendeel van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Hoewel L. Huijbers van Reclassering Nederland in haar rapport een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel adviseert, vindt de officier van justitie het niet proportioneel om deze maatregel met name op praktische gronden op te leggen.

6.2

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft allereerst bepleit dat er niet kan worden voldaan aan de vereisten voor oplegging van de PIJ-maatregel, nu verdachte wat de verdediging betreft dient te worden vrijgesproken voor feit 1, parketnummer 13/741055-17. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van de overige feiten komen, verzoekt de raadsvrouw van verdachte te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie, niet langer dan de duur van het voorarrest.

Subsidiair heeft zij een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: de GBM) dan wel een voorwaardelijke PIJ-maatregel bepleit. De raadsvrouw van verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat zij er vertrouwen in heeft dat een GBM haalbaar is, nu verdachte meewerkt en er geen nader onderzoek naar een GBM is gedaan. Bovendien is eerder de stap naar een zwaardere sanctie, zoals een GBM of een voorwaardelijke PIJ-maatregel, niet gemaakt. Tot slot heeft verdachte aangegeven te willen meewerken met een GBM dan wel een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. Zij zal uitleggen waarom zij tot deze straf en maatregel komt.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal vervelende en ernstige feiten. Zo heeft hij met zijn mededaders een toerist die onbekend is in Amsterdam en in dronken toestand verkeerde, misleid en meegenomen naar een deel van de stad waar geen beveiligingscamera’s hangen. Zij hebben hem daar beroofd van zijn bezittingen, met geen ander doel dan eigen financieel gewin. Daarnaast heeft verdachte enkele opsporingsambtenaren beledigd en heeft hij zich verzet tegen zijn aanhouding, waarbij een opsporingsambtenaar zelfs een hoofdwond heeft opgelopen. Dit incident vond plaats in een bus waarin ook andere passagiers aanwezig waren. Zij moeten zich angstig en oncomfortabel hebben gevoeld toen zij getuige waren van de aanhouding van verdachte en het geweld van verdachte daarbij. Tot slot heeft verdachte een aantal goederen dat eigendom was van het Leger des Heils vernield en onbruikbaar gemaakt. Dit heeft hen overlast bezorgd.

Persoonlijke omstandigheden

Het psychologisch onderzoek Pro Justitia

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 17 juli 2017 en van het aanvullend psychologisch onderzoek Pro Justitia van 13 november 2017, beide opgemaakt door L. Heukelom (psycholoog). Hierin rapporteert de psycholoog onder meer het volgende. Bij verdachte is sprake van een verstandelijke beperking en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een aandacht deficiëntie-/hyperactiviteit stoornis, gecombineerd beeld en een norm overschrijdende-gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, die aanwezig waren ten tijde van en een rol hebben gespeeld bij het plegen van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen. De impulsiviteit, passend bij zijn gedragsstoornis en ADHD, en het niet kunnen overzien van de consequenties van zijn gedrag, passend bij zijn verstandelijke beperking, lijken van invloed te zijn geweest op zijn handelen. Voorstelbaar is dat verdachte daarnaast ook tijdens deze momenten onvoldoende heeft weten te reflecteren. Doordat de schuldgevoelens maar beperkt zijn en hij hier onvoldoende bij stilstaat, heeft dit onvoldoende corrigerende werking gehad. Geadviseerd wordt daarom om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. De kans op recidive van gewelddadig gedrag wordt als hoog ingeschat.

Bij rapport van 17 juli 2017 heeft de psycholoog een intensieve behandeling geadviseerd in de vorm van een dagbehandeling in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel. Naar aanleiding van de mededeling van de reclassering ter terechtzitting van 22 augustus 2017 dat een GBM maatregel niet uitvoerbaar is, heeft de psycholoog nader onderzoek verricht. Bij rapport van 13 november 2017 heeft de psycholoog aangegeven dat een intensieve behandeling in een forensische kliniek geïndiceerd is. Gelet op de ernst van de problematiek en de lange bestaansduur is een behandeling in een intensieve vorm wenselijk.
De psycholoog komt tot het advies voor een voorwaardelijke PIJ-maatregel met de toevoeging dat binnen deze maatregel in aanvang ook gesloten behandeling kan plaatsvinden. Het wordt onwenselijk gevonden als verdachte met zijn beïnvloedbaarheid binnen de reguliere PIJ-behandeling wederom tussen delinquente jongeren verblijft. Tot slot heeft het voorwaardelijk PIJ-advies een duidelijk “stok achter de deur”-effect.

De deskundige L. Heukelom, psycholoog, heeft haar rapport op de zitting toegelicht en bevestigd dat zij nog steeds achter de geadviseerde voorwaardelijke PIJ-maatregel staat. De deskundige heeft aangegeven dat verdachte in het verleden veel begeleiding heeft gehad, maar dat hij nog niet behandeld is. Een eventuele klinische opname voor de duur van minimaal één jaar vindt zij daarom nog te overwegen. De deskundige is van mening dat dat kader beter zal passen en meer zal motiveren dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Haar ervaring is dat een stok achter de deur, zoals een voorwaardelijke PIJ-maatregel, helpt.

Het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia

De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 13 november 2017, opgemaakt door J. de Jonge (psychiater/kinder- en jeugdpsychiater). Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende. Bij verdachte is sprake van enerzijds een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een lichte verstandelijke beperking en van een ziekelijke stoornis in de zijn van twee psychiatrische diagnoses: een aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis, en een normoverschrijdend-gedragsstoornis, verder ADHD en gedragsstoornis genoemd. Daarnaast is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De genoemde beperking en stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen.
Uit zijn verstandelijke beperking vloeit voort dat verdachte slechts beperkt zicht heeft op de consequenties van zijn gedrag. Hij is daardoor beperkt in staat zich te corrigeren. Door zijn ADHD en gedragsstoornis is sprake van impulsiviteit met gebrekkige controle daarover, tekortschietende agressieregulatie en een geringe frustratietolerantie. Op grond van deze factoren wordt geadviseerd de ten laste gelegde vernieling en de incidenten in het openbaar vervoer (de ten laste gelegde feiten 3 tot en met 5 onder parketnummer 13/741055-17) in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. Ten aanzien van verdachte komt een verhoogd risico op geweldsdelicten naar voren. Hij is daarom gebaat voor behandeling en begeleiding bij een langer durende aanvankelijk gesloten klinische behandeling gevolgd door deeltijd en poliklinische behandeling. Er moet mogelijkheid en ervaring zijn tot behandeling van jongeren met een lichte verstandelijke beperking en daarnaast psychische problematiek. Een centrum dat voor dit programma geschikt is, kan bijvoorbeeld worden gevonden bij de Wier, waar ook een gesloten afdeling is. De psychiater weegt af dat verdachte het beste af zou zijn met een voorwaardelijk PIJ-advies. Het is onwenselijk dat verdachte met zijn beïnvloedbaarheid binnen de reguliere PIJ-behandeling wederom tussen delinquente jongeren komt te zitten. Ten slotte heeft een voorwaardelijk PIJ-advies een duidelijk “stok achter de deur”-effect en is PIJ-oplegging in tweede termijn altijd nog mogelijk, bij schending van de voorwaarden.

De deskundige J. de Jonge, psychiater, heeft op de zitting zijn rapport toegelicht en bevestigd dat hij nog steeds achter de geadviseerde voorwaardelijke PIJ-maatregel staat. Hij heeft tevens opgemerkt dat de klinische opname van verdachte minimaal een jaar zal duren. Het verschil tussen opname in bijvoorbeeld de Wier en een PIJ-maatregel zou zijn dat verdachte in de Wier in een totaal andere omgeving wordt opgenomen. Er zou meer sprake zijn van een corrigerende omgeving. Een nadeel van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is dat verdachte beïnvloed zou kunnen worden door de populatie die zich daar bevindt.

Het rapport van reclassering Nederland

De rechtbank heeft tot slot kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland van 2 februari 2018, opgemaakt door J. Huijbers . Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Huijbers heeft onderzocht of het mogelijk zou zijn om in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel een geschikte plek te vinden voor een klinische opname voor verdachte. Zij heeft hiertoe diverse klinieken en instanties benaderd en heeft tot slot de casus van verdachte besproken in het trajectberaad in Amsterdam, waar de Raad voor de Kinderbescherming, Forensisch Centrum Teylingereind, William Schrikkergroep, Forensisch Jeugdteam ambulante zorg, Justitiële Jeugd Inrichting (hierna: JJI) Intermetzo, de heer B. van der Heijde (ASR-specialist van de gemeente Amsterdam c.q. actiecentrum top 1000), Reclassering Inforsa en Reclassering Nederland aanwezig waren. Als conclusie van het rapport volgt dat de uitvoering van een voorwaardelijke PIJ-maatregel op inhoudelijke gronden, gezien de levensgeschiedenis, delictsgeschiedenis, hulpverleningsgeschiedenis en geconstateerde stoornissen van verdachte niet haalbaar lijkt te zijn. Ter preventie van recidive, ter bescherming van de maatschappij en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte is behandeling nodig in een omgeving met een adequaat beveiligingsniveau (van een JJI). Dit beveiligingsniveau kan in een forensische kliniek niet worden geboden. De reclassering adviseert daarom een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

De deskundige J. Huijbers , reclasseringswerker, heeft op de zitting haar rapport toegelicht en bevestigd dat zij nog steeds achter de geadviseerde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel staat. Zij heeft benadrukt dat het rapport enerzijds beschrijft dat zij heeft getracht een goede plek voor verdachte te vinden, hetgeen niet is gelukt, maar dat anderzijds uit het rapport ook blijkt dat diverse professionals haar het advies hebben gegeven om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren. De deskundige heeft niet enkel een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd omdat zij van veel klinieken te horen kreeg dat er bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel wat betreft de financiering moeilijkheden zijn. Zij heeft ook overwogen dat de beveiliging en de continuïteit in een PIJ-inrichting niet slecht voor verdachte zouden zijn, omdat hij ook in het kader van een PIJ-maatregel veel begeleiding krijgt en een heel traject doorloopt. Het beveiligingsniveau in een JJI is beter voor verdachte dan dat van een kliniek, aldus de deskundige.

Het strafblad van verdachte

Uit het strafblad van verdachte (uitdraai van 12 januari 2018) blijkt dat verdachte ten aanzien van geweldsdelicten recidivist is. Ook zal de rechtbank rekening houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Toepassing van het adolescentenstrafrecht

Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Verdachte was ten tijde van het plegen van de delicten achttien jaar oud.

In de rapporten van de psycholoog en de psychiater wordt op basis van de ASR wegingslijst geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte functioneert op verstandelijk beperkt niveau, heeft moeite de risico’s van eigen handelen in te schatten en handelt zonder nadenken. Ook is verdachte (nog) gebaat bij een pedagogische aanpak, omdat hij niet voldoende zelfstandig is en verwacht wordt dat hij zich nog verder kan ontwikkelen.

De rechtbank ziet in de inhoud van deze rapporten aanleiding het advies van de psycholoog en de psychiater over te nemen en zal daarom overeenkomstig artikel 77c Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

De straf en de PIJ-maatregel

De rechtbank heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor jeugdigen. Zij merkt op dat alleen al voor de bewezen verklaarde straatroof als uitgangspunt een werkstraf van 60 uur of een dienovereenkomstige jeugddetentie vanaf 30 dagen wordt opgelegd. Strafverzwarende omstandigheden zijn in casu de aard en de ernst van het fysieke geweld, de plaats van het delict (de openbare weg), de kwetsbaarheid van het slachtoffer (een dronken toerist die onbekend is in Amsterdam) en de gewelddadige wijze waarop de straatroof in vereniging heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan vier andere delicten.

Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat een van de gepleegde feiten, namelijk de straatroof (als feit 1 ten laste gelegd onder het parketnummer 13/741055-17) een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de reclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Zij zal de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie een passende en geboden strafmodaliteit is en zal daarom een jeugddetentie van 3 maanden opleggen, met aftrek van het voorarrest.

Hoewel de psycholoog en de psychiater in hun rapporten de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel adviseren, zal de rechtbank dit niet volgen. Zij overweegt daarbij dat verdachte meerdere kansen heeft gekregen in de vorm van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 24 maart 2017 en op 3 mei 2017. Na de eerste schorsing gaat verdachte in de fout door de vernieling van de goederen bij het Leger des Heils en na zijn tweede schorsing volgt het incident in de bus, waardoor verdachte weer in voorlopige hechtenis raakt. De rechtbank neemt bovendien mee dat uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater wel blijkt dat een klinische opname van minimaal één jaar geïndiceerd is. Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel hiervoor het best passende kader, mede gelet op het adequaat beveiligingsniveau in een JJI dat verdachte nodig lijkt te hebben en dat niet in een forensische kliniek kan worden geboden.

De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen eisen het opleggen van een PIJ-maatregel. Bovendien is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

7 De benadeelde partijen en hun vorderingen

7.1

De benadeelde partij [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] heeft € 692,88 (zeshonderdtweeënnegentig euro achtentachtig) aan materiële schadevergoeding en € 2.000 (tweeduizend euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de schadeposten 3 (gemiste vlucht) en 5 (standby headset) niet voor toewijzing vatbaar zijn. Wat betreft de gemiste vlucht geldt dat de kosten daarvan hoe dan ook gemaakt zouden zijn, zodat niet kan worden geoordeeld dat dit schade is ten gevolge van het strafbare feit. Uit het dossier blijkt ook niet dat een headset is gestolen, dus dit onderdeel van de vordering wordt evenmin toegewezen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 562,90 (vijfhonderdtweeënzestig euro negentig cent) wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 maart 2017.

Vast staat tevens dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 maart 2017.

De benadeelde partij zal voor wat betreft de vordering van de overige immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan desgewenst dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient ook te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [persoon 1] wordt, als extra betaling aan hem, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7.2

De benadeelde partij [persoon 2]

De benadeelde partij [persoon 2] heeft € 555 (vijfhonderdvijfenvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 300 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 26 mei 2017.

De rechtbank zal de vergoeding van de immateriële schade die ten aanzien van de belediging wordt gevorderd, te weten € 105 (honderdvijf euro) afwijzen, omdat zij van oordeel is dat belediging niet leidt tot zodanig psychisch letsel dat in aanmerking komt voor schadevergoeding. Enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is – hoe begrijpelijk en vervelend ook – geen geestelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6:101 lid 1 Burgerlijk Wetboek.

De verdachte dient ook te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [persoon 2] wordt, als extra betaling aan hem, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7.3

De benadeelde partij [persoon 3]

De benadeelde partij [persoon 3] heeft € 360 (driehonderdzestig euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 255 (tweehonderdvijfenvijftig euro) voor het slaan op het hoofd redelijk en billijk is.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 255 (tweehonderdvijfenvijftig euro) wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 26 mei 2017.

De rechtbank zal de vergoeding van de immateriële schade die ten aanzien van de belediging wordt gevorderd, te weten € 105 (honderdvijf euro) afwijzen, omdat zij van oordeel is dat belediging niet leidt tot zodanig psychisch letsel dat in aanmerking komt voor schadevergoeding. Enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is – hoe begrijpelijk en vervelend ook – geen geestelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6:101 lid 1 Burgerlijk Wetboek.

De verdachte dient ook te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [persoon 3] wordt, als extra betaling aan hem, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7.4

De benadeelde partij [persoon 5]

De benadeelde partij [persoon 5] heeft € 44,75 (vierenveertig euro vijfenzeventig cent) aan materiële schadevergoeding en € 605 (zeshonderdvijf euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding die ziet op een mishandeling zal de rechtbank de benadeelde eveneens niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vergoeding van de immateriële schade die ten aanzien van de belediging wordt gevorderd, te weten € 105 (honderdvijf euro) afwijzen, omdat zij van oordeel is dat belediging niet leidt tot zodanig psychisch letsel dat in aanmerking komt voor schadevergoeding. Enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is – hoe begrijpelijk en vervelend ook – geen geestelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6:101 lid 1 Burgerlijk Wetboek.

7.5

De benadeelde partij [persoon 6]

De benadeelde partij [persoon 5] heeft € 500 (vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 77c, 77g, 77i, 77s, 77gg, 180, 181, 266, 267, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder parketnummer 13/706620-17 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 13/741055-17 als feiten 1 tot en met 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 1)

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken (feit 2)

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben (feit 3)

Wederspannigheid (feit 4)

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (feit 5)

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt daarnaast op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 1062,90 (duizendtweeënzestig euro negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 maart 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 1] , te betalen de som van € 1062,900 (duizendtweeënzestig euro negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 maart 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] toe tot een bedrag van € 300 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 2] , te betalen de som van € 300 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] toe tot een bedrag van € 255 (tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 3] , te betalen de som van € 255 (tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding en de gevorderde immateriële schadevergoeding voor een mishandeling.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. van Eunen, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en H.E. Spruit, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2018.