Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1332

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
13/751920-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Frankrijk, art. 47 Handvest, schending redelijke termijn in Frankrijk aanvoeren, garantie detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751920-16

RK-nummer: 17/1328

Datum uitspraak: 8 maart 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 februari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 februari 2017 (ontvangen op 20 februari 2017) door de Vice-Procureur, Magistraat van de Rechterlijke Macht te Parijs (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum] 1965,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres [adres] , [plaats] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juni 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de antwoorden van de Franse autoriteiten over de plaats waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 22 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 30 mei 2016 door de Vice-Voorzitter belast met onderzoek bij de Arrondissementsrechtbank te Parijs (met de verwijzingsbeschikking en gedeeltelijke buiten vervolgstelling op 21 november 2016, met handhaving van eerder genoemd bevel), referentie 0930932308.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Procureur van de Republiek heeft op 3 april 2017 de volgende garantie gegeven:

Betreft: verzoek om waarborgen betreffend het Europees Aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] (Joegoslavië), Servische nationaliteit en legale inwoner in het Rijk der Nederlanden.

(…)

Door brief d.d. 28 maart 2017 verzoekt U om overleveringswaarborgen, met vermelding dat krachtens de voorschriften van wet no 2013-711 inhoudend verscheidene aanpassingsbepalingen in het gebied van justitie bij toepassing van het recht van de Europese Unie en de internationale verbintenissen van de Franse Republiek, onder meer Kaderbesluit 2008/909/JHA, een door Frankrijk opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf mag wel aangepast worden aan de Nederlandse normen na overlevering van betrokkene.

In antwoord op uw verzoek heb ik de eer U te laten weten dat de Procureur van de Republiek verstrekt de waarborg naar welke, in elk geval dhr. [opgeëiste persoon] zou worden veroordeeld tot een onherroepelijke en definitieve vrijheidsstraf wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, de Franse Justitieoverheid zal het certificaat toezenden overeenkomstig de procedure met wederzijdse erkenning en uitvoering van de vrijheidsstraffen binnen de Europese Unie voorzien door de nationale Nederlandse en Franse bepalingen die het Kaderbesluit 2008/909/JHA omzetten.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar is zijn.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, 10, vierde lid en 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat de verstrekte garantie genoegzaam is en dat ook is gegarandeerd dat de eventueel opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangepast mag worden aan de Nederlandse (straf)wetgeving. De rechtbank verwerpt het verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en zij heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek in Frankrijk is aangevangen, dat de verdovende middelen voor de Franse markt bestemd waren en in Frankrijk zijn ingevoerd. Hierdoor is de rechtsorde in Frankrijk geschonden. Door het uitvaardigen van het EAB hebben de Franse autoriteiten bovendien te kennen gegeven dat zij de vervolging willen instellen en tevens worden de medeverdachten ook in Frankrijk vervolgd.

Dit brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Daartoe is aangevoerd dat de opgeëiste persoon de feiten vanuit Nederland zou hebben gepleegd. Op 19 februari 2008 is hij in Nederland door Franse rechercheurs verhoord. Daarna heeft hij nooit meer iets van de zaak gehoord. Als Nederland de vervolging zou overnemen, zou de voorlopige hechtenis vrijwel zeker worden geschorst. Door een overlevering naar Frankrijk, zal hij vanwege vluchtgevaar in Frankrijk in voorlopige hechtenis gedetineerd raken. Hierdoor blijkt dat de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur verdient, boven de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. De argumenten die de raadsman heeft aangevoerd zijn daar tegenover onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

7. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: redelijke termijn

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de feiten lang geleden, in 2006 en 2007, zijn gepleegd. Op 19 februari 2008 is de opgeëiste persoon door Franse rechercheurs in Nederland verhoord. Het EAB is pas op 15 februari 2017 uitgevaardigd.

De raadsman doet hierbij een beroep op de redelijke termijn en hij acht het tijdsverloop in deze zaak dusdanig dat sprake is van een flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waaraan Nederland niet mag meewerken en op grond waarvan de overlevering van de opgeëiste persoon in verband met artikel 11 van de OLW dient te worden geweigerd. Frankrijk heeft het recht verspeeld om de opgeëiste persoon te confronteren met het verzoek tot overlevering en een eventuele berechtiging waarbij hij in voorlopige hechtenis kan worden geplaatst.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer, dat wordt opgevat als een beroep op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, van de raadsman moet worden gepasseerd.

In haar uitspraak van 25 maart 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:2382), die betrekking had op een uit Luxemburg afkomstig EAB, heeft de rechtbank het navolgende overwogen:

Aan het stelsel van het EAB ligt het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten ten grondslag “dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten, zodat de personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dus binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat eventuele rechtsmiddelen kunnen aanwenden ter betwisting van de rechtmatigheid van de procedure van strafvervolging (…)” (HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F.), punt 50). Nu het EAB strekt tot strafvervolging, zal de opgeëiste persoon zich dus bij de strafrechter in Luxemburg kunnen beroepen op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn.

Onder verwijzing naar deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. Weliswaar is er geruime tijd verstreken tussen het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en de vordering tot tenuitvoerlegging van het EAB, maar de opgeëiste persoon dient dit voor de Franse strafrechter, die immers beschikt over het zaaksdossier en zicht heeft op de aard en omvang van het totale onderzoek, naar voren te brengen.

8 Detentieomstandigheden

Met betrekking tot de detentieomstandigheden heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu de Franse autoriteiten hebben gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet in Nîmes zal worden gedetineerd.

De officier van justitie heeft verwezen naar de mail van 13 oktober 2017 van de Franse autoriteiten en geconcludeerd dat de overlevering dient te worden toegestaan.

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 28 december 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:10052) en de email van 13 oktober 2017 van de vice-procureur bij het Parket te Parijs waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon in de omgeving van Parijs gedetineerd zal worden en onder geen enkele omstandigheden in Nîmes zal worden geplaatst.

Dit betekent dat er voor de opgeëiste persoon geen sprake zal zijn van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie en dat de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering vormen.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2 en 11a van de Opiumwet en 2, 5, 6, en 7 van de OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Vice-Procureur, Magistraat van de Rechterlijke macht te Parijs (Frankrijk) voor het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]