Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1330

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
13/650371-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

28 maanden gevangenisstraf voor geweld tegen homoseksuelen afgelopen zomer op het Damrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650371-17

Datum uitspraak: 9 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1991 ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. de Graaf, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van poging tot moord dan wel doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 juni 2017 te Amsterdam. Ten aanzien van [slachtoffer 1] door hem te omsingelen, te slaan (met een steen), hem naar de grond te trekken, te schoppen en op hem te springen, waardoor hij bewusteloos is geraakt en twee tanden moet missen. Ten aanzien van [slachtoffer 2] door hem vast te pakken, te slaan, op de grond te gooien en hem daar vastgedrukt houden, hem (tegen het gelaat) te schoppen en hem, toen hij zich trachtte op te richten, in het gezicht te trappen, waardoor hij bewusteloos is geraakt, zijn lip is gescheurd en tandletsel heeft opgelopen;

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 juni 2017 te Amsterdam door voornoemde handelingen te plegen;

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 juni 2017 te Amsterdam door voornoemde handelingen te plegen;

ten aanzien van feit 2:

openlijke geweldpleging op 18 juni 2017 op de Dam, het Damrak en het Beursplein te Amsterdam door voornoemde handelingen te plegen.

De letterlijke tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

In de nacht van 17 op 18 juni 2017 liepen aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), aangever [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) na een uitgaansavond over het Damrak richting het Centraal Station. Iets eerder hadden zij – in de omgeving van de Reguliersdwarsstraat – contact met een persoon die later bleek te zijn verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Zij hebben verklaard dat hij hen aansprak vanwege hun geaardheid, dat hij zei dat hij tegen homoseksualiteit was2, dat het niet was toegestaan om homoseksueel te zijn3 en dat hij homo’s wilde doodmaken4. Hij zou zijn vrienden hebben gebeld en hebben gezegd dat ze moesten komen.5 Hierna zijn ze elkaar tijdelijk uit het oog verloren.

Als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] aan de winkelzijde over het Damrak lopen is op camerabeelden te zien hoe [medeverdachte 1] en zijn broer, verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), hen van achteren naderen.6 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan op een gegeven moment aan weerszijden van [slachtoffer 1] staan. Vrijwel meteen haalt [medeverdachte 1] twee keer met zijn vuist hard uit naar het hoofd van [slachtoffer 1] , waarna [slachtoffer 1] terugdeinst en zich uit de voeten maakt en de trambaan op rent. [medeverdachte 1] volgt [slachtoffer 1] en terwijl zij op de trambaan staan slaat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] nog een keer tegen zijn hoofd. [slachtoffer 1] loopt vervolgens snel door naar de overkant van het Damrak ter hoogte van de Beurs van Berlage. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lopen terug naar de winkelzijde. Op dat moment komen vanuit de verte twee personen over de trambaan aanrennen, verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en een vierde verdachte. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] draaien zich om en alle vier de personen rennen in de richting van [slachtoffer 1] , die dan tegen de gevel van de Beurs van Berlage staat. [slachtoffer 1] wordt ingesloten en [medeverdachte 1] , [verdachte] en de vierde verdachte beginnen op hem in te slaan. [slachtoffer 1] wordt op de grond gegooid door [verdachte] en geschopt door [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het geweld houdt op als [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] wegduwt. De verdachten laten [slachtoffer 1] , die het bewustzijn heeft verloren, op de grond achter en lopen terug. Later blijkt dat hij onder andere een tand heeft verloren en dat een andere tand is afgebroken.

Aan de overzijde van de straat, aan de winkelzijde, staat [slachtoffer 2] – naar eigen zeggen in shock – naar het geweld tegen [slachtoffer 1] te kijken. Als de verdachten weer teruglopen naar de winkelzijde van het Damrak verandert [medeverdachte 1] ineens zijn looprichting en loopt hij op [slachtoffer 2] af en slaat hij hem hard tegen zijn hoofd. [slachtoffer 2] probeert terug te slaan, waarna ook [verdachte] en [medeverdachte 2] op hem afrennen en slaande bewegingen maken. [verdachte] gooit [slachtoffer 2] op de grond en slaat hem herhaaldelijk tegen het hoofd. Tegelijkertijd schopt [medeverdachte 1] hem meerdere malen. De vierde verdachte komt aanrennen, springt omhoog en probeert [slachtoffer 2] op zijn hoofd te trappen. Als [slachtoffer 2] van de grond omhoog weet te komen, vlucht hij het pand aan het Damrak 44 in. Later blijkt dit een pand te zijn waar de verdachten toegang toe hadden. Zij volgen [slachtoffer 2] het pand in en verdwijnen een paar seconden uit beeld. Het eerstvolgende beeld is van [slachtoffer 2] die, met zijn gezicht naar beneden, door [verdachte] het pand wordt uitgegooid en op het trottoir terecht komt. Terwijl [slachtoffer 2] zich probeert op te richten, komt [medeverdachte 1] de deur uitrennen en schopt hij hard en vol in het gezicht van [slachtoffer 2] . Door de schop slaat het hoofd van [slachtoffer 2] achterover en komt hij op zijn zij te liggen. Hij grijpt met zijn handen naar zijn hoofd. [medeverdachte 1] schopt hierna nog twee keer hard in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] , waarbij hij de eerste keer zijn handen raakt en de tweede keer mist. [medeverdachte 2] komt het pand uitrennen, gaat tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] in staan en trekt [medeverdachte 1] weg. [slachtoffer 2] staat moeizaam op en loopt wankelend weg. [slachtoffer 2] heeft als gevolg van dit geweld pijn aan zijn tanden opgelopen en een gescheurde lip.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden bewezen. Door herhaaldelijk te slaan en te trappen tegen de hoofden van deze personen heeft verdachte [verdachte] (hierna: verdachte) willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij zouden komen te overlijden. Het hoofd is erg kwetsbaar en meervoudig toegebracht fors geweld op het hoofd is zeer risicovol. Daarnaast kan de openlijke geweldpleging worden bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Het kan niet worden bewezen dat het verdachte is geweest die het letsel bij de aangevers heeft veroorzaakt. Ook kan niet worden bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1 -

De rol van verdachte

Zoals onder 3.1 weergegeven heeft verdachte een significante rol gespeeld in het geweld. Op de camerabeelden is te zien dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen en op de grond heeft gegooid. Nadat [slachtoffer 1] op de grond lag heeft verdachte hem getrapt. Wat betreft het geweld tegen [slachtoffer 2] is te zien dat verdachte hem heeft geslagen en vervolgens op de grond heeft gegooid. Verdachte is op [slachtoffer 2] blijven liggen en heeft hem meermalen op zijn hoofd geslagen. Nadat [slachtoffer 2] het pand invluchtte was verdachte degene die hem eruit gooide, waarna [medeverdachte 1] hem hard in zijn gezicht schopte en vervolgens nog probeerde te schoppen.

De rechtbank heeft bij haar bewezenverklaring onderscheid gemaakt tussen de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] en die tegen [slachtoffer 2] . De rechtbank acht de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (feit 1 primair), de zware mishandeling op [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair) en de openlijke geweldpleging (feit 2) bewezen.

3.4.2 –

Vrijspraak van poging tot moord

De rechtbank is het, met de officier van justitie en de raadsman, eens dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat sprake is geweest van het voor poging tot moord vereiste kalm beraad en rustig overleg. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.4.3 –

Geweld ten aanzien van [slachtoffer 1]

Vrijspraak van poging tot doodslag

De rechtbank heeft ten aanzien van het tegen [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld het volgende vastgesteld. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met zijn mededaders ingesloten op het trottoir voor de Beurs van Berlage op het Damrak en hem hier herhaaldelijk geslagen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] op de grond gegooid. Zoals op de camerabeelden is te zien, hebben verdachte en [medeverdachte 1] hierna trappende bewegingen naar [slachtoffer 1] gemaakt.

De vraag die voorligt is of verdachte, door aldus te handelen, opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar volgt dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen, gestompt en getrapt, maar dat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld met hoeveel kracht [slachtoffer 1] is geraakt. Dit heeft er mee te maken dat de toezichtcamera de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] aan de Beurszijde van het Damrak niet scherp in beeld hebben gebracht. Hoewel niet kan worden afgedaan aan het letsel dat Bacchus heeft opgelopen en aan het feit dat [slachtoffer 1] het bewustzijn heeft verloren, kan de rechtbank daarom niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] door het geweld zou komen te overlijden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit gedeelte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring medeplegen zware mishandeling

Verdachte heeft zich samen met medeverdachten wel schuldig gemaakt aan een zware mishandeling, nu er meerdere malen tegen het hoofd is geslagen, gestompt en getrapt. Het hoofd is een uitermate kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Vaststaat dat [slachtoffer 1] als gevolg fors letsel aan zijn gebit heeft opgelopen. Of sprake is van zwaar lichamelijk letsel hangt af van de aard en de ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank is van oordeel dat de verwondingen van [slachtoffer 1] , waaronder in het bijzonder het volledig uit de mond raken van één tand en het afbreken van een andere tand, zwaar lichamelijk letsel oplevert. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de tandheelkundige ingrepen die [slachtoffer 1] reeds heeft moeten ondergaan (zoals een wortelkanaalbehandeling en het plaatsen van een stift), de verwachte – langdurige – hersteltijd en de verklaring van de tandarts van [slachtoffer 1] van 30 januari 2018. Volgens de tandarts is het zeer dubieus of [slachtoffer 1] zijn twee tanden kan behouden. Om die reden acht de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 1] het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen.

3.4.4 –

Geweld ten aanzien van [slachtoffer 2]

De rechtbank heeft ten aanzien van het tegen [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld het volgende vastgesteld. Verdachte heeft [slachtoffer 2] geslagen en vervolgens op de grond gegooid. Hier heeft verdachte [slachtoffer 2] meerdere malen gestompt, terwijl [medeverdachte 1] hem schopte. Toen [slachtoffer 2] het pand invluchtte heeft verdachte hem eruit gegooid, waarna [medeverdachte 1] direct, met een aanloop, hard en vol in het gezicht van [slachtoffer 2] schopte. Hierna trapte [medeverdachte 1] nog twee keer in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] , maar zonder hem te raken.

Medeplegen

Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij verdachten een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld hebben geleverd. Indien twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen, behoeven niet alle delictsbestanden door de verdachten te worden vervuld. Verdachte heeft het geweld tegen [slachtoffer 2] gelijktijdig met in ieder geval [medeverdachte 1] uitgeoefend. Doordat verdachte [slachtoffer 2] hardhandig op de grond heeft gegooid heeft hij [medeverdachte 1] in staat gesteld om direct daarop een harde schop tegen het hoofd van [slachtoffer 2] te geven, die op dat moment op de grond lag. Dit gedeelte van het geweld, dus de harde schop door [medeverdachte 1] tegen het hoofd van [slachtoffer 2] , zal dus ook aan verdachte worden toegerekend. Er is immers tot en met de laatste geweldshandelingen sprake geweest van een zodanige gezamenlijke uitvoering en een nauwe samenwerking dat deze de kwalificatie medeplegen oplevert.

Poging tot doodslag

De vraag die voorligt is of verdachte door zijn rol in dit geweld opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . De rechtbank overweegt dat de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 2] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als gericht op de dood van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft [slachtoffer 2] op de grond gegooid, waarna [medeverdachte 1] met geschoeide voet, duidelijk met grote kracht en na een aanloop tegen het hoofd van [slachtoffer 2] heeft geschopt, terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag. Op de camerabeelden is te zien dat het hoofd van [slachtoffer 2] als gevolg van de schop hard achterover sloeg en hij hierna op zijn zij bleef liggen. Hierna schopte [medeverdachte 1] nog tweemaal hard in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] . Het is slechts geluk dat [medeverdachte 1] niet het hoofd van [slachtoffer 2] raakte, maar uit de beelden kan niet anders worden afgeleid dan dat verdachte wel de bedoeling had om het hoofd van [slachtoffer 2] nogmaals te raken. Naar algemene ervaringsregels brengt het met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd trappen de aanmerkelijke kans met zich mee dat dit tot de dood van het slachtoffer leidt. Het hoofd is immers een kwetsbaar en vitaal deel van het menselijk lichaam. Verdachte moet zich van deze aanmerkelijke kans bewust zijn geweest. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij door zijn rol in het geweld bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Aldus was bij verdachte sprake van opzet op de dood van [slachtoffer 2] . Dit gedeelte van het onder 1 primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag, kan dan ook bewezen worden verklaard.

3.4.4 –

Openlijke geweldpleging

Hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het uitgeoefende geweld brengt de rechtbank eveneens tot bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het geweld is immers in vereniging in het openbaar gepleegd op het Damrak.

3.5 –

Partiële bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde

Ten aanzien van het (partieel) bewezen verklaren van zowel het primair ten laste gelegde als het subsidiair ten laste gelegde onder 1 verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187. De rechtbank is van oordeel dat het aldus benaderen van de tenlastelegging geen grondslagverlating oplevert nu het hier gaat om verschillende gedragingen.

3.6 –

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair, het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde kunnen worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair:

op 18 juni 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet naar die [slachtoffer 2] is toegelopen, waarna verdachte en zijn mededader

- die [slachtoffer 2] tegen het hoofd hebben geslagen en gestompt en

- die [slachtoffer 2] van achteren hebben vastgepakt en

- vervolgens die [slachtoffer 2] hebben geslagen en

- en die [slachtoffer 2] met kracht op de grond hebben gegooid en

- vervolgens die [slachtoffer 2] tegen de grond gedrukt hebben gehouden en

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en tegen de grond gedrukt werd gehouden die [slachtoffer 2] meermalen met geschoeide voet (tegen het gelaat) hebben geschopt en tegen het gelaat hebben gestompt en

- omhoog zijn gesprongen en met kracht in de richting van die [slachtoffer 2] hebben getrapt en

- toen die [slachtoffer 2] zich trachtte op te richten met geschoeide voet hard en vol in het gezicht van die [slachtoffer 2] hebben geschopt ten gevolge waarvan het hoofd van die [slachtoffer 2] hard achterover is geslagen en

- toen die [slachtoffer 2] op de grond lag met geschoeide voet meermalen in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben geschopt

ten gevolge waarvan de lip van die [slachtoffer 2] is gescheurd en die [slachtoffer 2] tandletsel heeft bekomen;

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

op 18 juni 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door opzettelijk

- die [slachtoffer 1] te omsingelen en

- die [slachtoffer 1] meermalen te slaan en te stompen en te trappen en

- die [slachtoffer 1] hard naar de grond te trekken en

- toen die [slachtoffer 1] op de grond lag die [slachtoffer 1] meermalen met geschoeide voet te trappen

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] bewusteloos is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] een of meer tanden moet missen;

ten aanzien van feit 2:

op 18 juni 2017 te Amsterdam met anderen op de openbare weg, Damrak, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- omsingelen van die [slachtoffer 1] en

- meermalen slaan en stompen van die [slachtoffer 1] en

- hard naar de grond trekken van die [slachtoffer 1] en

- meermalen met geschoeide voet trappen van die [slachtoffer 1] terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt

en

- lopen naar die [slachtoffer 2] en

- tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] slaan en

- van achteren vastpakken van die [slachtoffer 2] en

- vervolgens slaan van die [slachtoffer 2] en

- met kracht op de grond gooien van die [slachtoffer 2] en

- vervolgens tegen de grond gedrukt houden van die [slachtoffer 2] en

- meermalen met geschoeide voet (tegen het gelaat) van die [slachtoffer 2] schoppen en tegen het gelaat van die [slachtoffer 2] stompen terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en tegen de grond gedrukt werd gehouden en

- omhoog springen en met kracht in de richting van die [slachtoffer 2] trappen en

- toen die [slachtoffer 2] zich trachtte op te richten het met geschoeide voet hard en vol in het gezicht van die [slachtoffer 2] schoppen ten gevolge waarvan het hoofd van die [slachtoffer 2] hard achterover sloeg en

- toen die [slachtoffer 2] op de grond lag het met geschoeide voet meermalen in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straffen en maatregelen

5.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij onder andere rekening gehouden met het discriminatoire aspect van het geweld, de proceshouding van verdachte en de ernst van het geweld. Verdachte heeft hierin een significante rol gespeeld. De officier van justitie heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Verdachte krijgt ondersteuning van het JIT en kan na zijn detentie gaan werken bij een koeriersbedrijf. De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, een zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Verdachte heeft met zijn mededaders zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] ernstig toegetakeld, onder andere door hen in het gezicht te slaan, te schoppen en op de grond te gooien. Met dit handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Uit de verklaringen van de slachtoffers en de toelichting bij hun vorderingen tot betaling van schadevergoeding blijkt dat zij hiervan nog steeds nadelige gevolgen ondervinden, zowel fysiek als psychisch. Het geweld heeft bovendien plaatsgevonden op een openbare weg, waar op elk uur van de dag en de nacht mensen zijn, namelijk het Damrak. Verdachte heeft op de koop toegenomen dat voorbijgangers werden geconfronteerd met het geweld en daardoor zelf ook angstig zouden kunnen worden om over straat te gaan. Daarnaast brengen dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving, hetgeen in deze zaak met bijbehorende media aandacht ook duidelijk is gebeurd.

De aanleiding van het geweld was onmiskenbaar homoseksueel gerelateerd. De twee aangevers en hun vrienden, [naam 1] en [naam 2] , waren – na een uitgaansavond in de Reguliersdwarsstraat – naar eigen zeggen op een wijze gekleed waardoor zij duidelijk als homoseksueel herkenbaar waren. [naam 2] was die avond bijvoorbeeld als drag queen gekleed. Alle vier verklaren zij dat zij zonder aanleiding door verdachte [medeverdachte 1] werden uitgescholden, die op dat moment zonder de andere verdachten over straat liep. “Misselijkmakende homo’s. Waarom doen jullie zo? Er zijn hier genoeg vrouwen. Gay zijn is niet goed.” En “Ik ben geen vriend van homo’s. Ik wil jullie doodmaken”. Het geweld van verdachten dat later volgde kan hier niet los van worden gezien. Zonder enige aanleiding worden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in elkaar geslagen en getrapt. Zij worden, uit alle mensen die op dat moment op straat waren, gericht uitgekozen en aangepakt, slechts om wie zij zijn. Het plezier dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hieraan hebben gehad volgt duidelijk uit een enkele uren later verzonden videofragment, waarin zij lachend en opscheppend zeggen: “Ik zeg je eerlijk, ik heb die homo kanker erg gekrast. (…) Zijn hele hoofd is eraf. Hahaha zijn hele hoofd gebotst.” De vrijheid om te durven zijn wie je bent wordt door incidenten zoals deze ingeperkt. Dit blijkt ook uit de verklaring van [naam 2] , die zegt ‘dat hij nu wel twee keer moet nadenken om verkleed over straat te gaan.’ Mensen komen mede naar Nederland vanwege de tolerantie ten opzichte van ras, afkomst en seksualiteit. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij juist vanuit Jamaica naar Nederland is gevlucht om aan geweld tegen homo’s te ontsnappen. Het is van groot belang dat de rechtsstaat als waarborg voor deze open houding fungeert en hard optreedt tegen mensen die hiertegen in gaan. De rechtbank rekent verdachte het homofobe en zinloze karakter van het geweld dan ook ernstig aan.

Verder houdt de rechtbank rekening met de significante rol die verdachte in het geweld heeft gespeeld. Verdachte heeft zich met volle overgave aangesloten bij het geweld dat medeverdachte [medeverdachte 1] uitoefende tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ter zitting heeft verdachte dit geweld gebagatelliseerd, door (voor het tonen van de beelden) te zeggen dat hij een klap met vlakke hand heeft gegeven. Hiermee heeft verdachte op geen enkele wijze inzicht en berouw getoond.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken en acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Voor misdrijven als in deze zaak bewezen, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Deze zal de rechtbank opleggen voor de duur van 28 maanden.

6 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

6.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 16.344,09 aan materiële schadevergoeding en
€ 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft mr. S.F.J. Smeets de vordering nader toegelicht.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 2.895,00 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft mr. S.F.J. Smeets de vordering nader toegelicht.

6.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor wat betreft het materiële gedeelte kunnen worden toegewezen. Het immateriële gedeelte moet worden gesteld op € 5.000,00. De bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze niet op de bij wet voorgeschreven wijze zijn ingediend, dan wel omdat behandeling van deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman opmerkingen gemaakt over verscheidene materiële schadeposten en verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn ontvankelijk. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat vorderingen niet slechts door middel van het standaard voegingsformulier kunnen worden ingediend.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het toe te wijzen deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder feit 1 subsidiair bewezen geachte zware mishandeling, rechtstreeks schade heeft geleden. Ten aanzien van de materiële schade aan kleding en bezittingen acht de rechtbank de posten ‘Smart Watch (Samsung Frontier)’ en ‘Schoenen (Vans Denim) onvoldoende onderbouwd, nu geen stukken zijn overhandigd waaruit de schade blijkt en niet zonder meer uit het bewezenverklaarde volgt dat de schoenen en de smartwatch zijn beschadigd. Ook voor de schade aan de posten ‘Jeans jasje (Zara)’, ‘Oorbellen (3 paar)’ en ‘T-Shirt’ zijn geen stukken overhandigd, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat hieraan schade is ontstaan als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. De gevorderde bedragen zijn ook niet onredelijk, terwijl [slachtoffer 1] van meet af aan heeft verklaard over het verliezen van zijn oorbellen. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen (€ 249,95).

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die ziet op tandheelkundige kosten overweegt de rechtbank als volgt.

- gedeeltelijke toewijzing van de post ‘Tandartsenpraktijk [tandarts 1] ’ voor een bedrag van € 601,35. De gevorderde incassokosten worden niet-ontvankelijk verklaard;

- toewijzing van de posten ‘Mondzorg Poli Amsterdam’ (€ 189,20) en ‘Tandartsenpraktijk [tandarts 2] ’ (€ 144,72);

- niet-ontvankelijkverklaring van de post ‘Tandartsenpraktijk [tandarts 2] ’ (€ 164,47), nu dit dezelfde factuur betreft als het hierboven toegewezen bedrag van € 144,72, maar dan met verhoging van de incassokosten;

- gedeeltelijke toewijzing van de post ‘Tandartsenpraktijk [tandarts 2] ’ voor een bedrag van € 96,81. De gevorderde incassokosten worden niet-ontvankelijk verklaard.

- niet-ontvankelijk verklaring van de post ‘ [medisch centrum] (Fysiotherapie)’ (€ 73,00), nu dit een factuur betreft van niet nagekomen behandelafspraken;

- toewijzing van de posten ‘ [medisch centrum] (Fysiotherapie)’ (€ 83,50 en € 146,00), ‘Apotheek [apotheek 1] ’ (€ 1,29), ‘ [apotheek 2] Apotheek’ (€ 4,95) en ‘Eigen risico Menzis’ (€336,20).

De toegewezen bedragen zijn door middel van nota’s voldoende onderbouwd.

Voorts is € 13.640,17 gevorderd aan te verwachten toekomstige kosten voor het herstel van het gebit, hetgeen is gebaseerd op een globale kostenindicatie opgesteld door tandartsenpraktijk [tandarts 2] . De rechtbank overweegt dat uit de overhandigde stukken blijkt dat op dit moment nog onvoldoende vaststaat of juist deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt en dit afhankelijk is van veel factoren. Om die reden zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Op basis van hetzelfde schriftelijk stuk van de tandarts is echter wel aannemelijk dat er in de toekomst kosten zullen worden gemaakt die direct verband houden met het bewezen verklaarde. De rechtbank schat deze vooralsnog naar redelijkheid en billijkheid op € 1.500,00 en zal dit bedrag toewijzen. Indien de kosten achteraf hoger blijken uit te vallen kan [slachtoffer 1] zich wenden tot de burgerlijk rechter.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat [slachtoffer 1] schade heeft ondervonden. Hij is mishandeld vanwege zijn geaardheid, hetgeen een ernstige impact op hem heeft gehad. Om tot een begroting van de immateriële schadevergoeding te komen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hetgeen in soortgelijke zaken aan slachtoffers wordt toegewezen. De rechtbank zal een bedrag aan immateriële schadevergoeding toekennen ter hoogte van € 2.500,00. De benadeelde partij zal in het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit betekent dat ten aanzien van [slachtoffer 1] een bedrag van € 5.853,97 (bestaande uit € 3.353,97 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens [slachtoffer 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.853,97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het toe te wijzen deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder feit 1 primair bewezen geachte poging tot doodslag, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevorderde materiële schadevergoeding, met uitzondering van de post ‘OLVG’, onvoldoende is onderbouwd, nu geen stukken zijn overhandigd waaruit de schade blijkt en niet zonder meer uit het bewezenverklaarde volgt dat de gevorderde schade is geleden. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de posten ‘Samsung Galaxy S8’, ‘Zwart leren jack’, ‘Blauw Witte Sneakers’, ‘Zonnebril (Porsche)’, ‘Gouden ketting’ en ‘Ear Piece koptelefoon’ niet-ontvankelijk in zijn vordering. De kostenpost ‘OLVG’ , die ziet op de kosten van de spoedeisende hulp, zal wel worden toegewezen tot het bedrag genoemd in de bijgevoegde nota (€ 250,-).

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat [slachtoffer 2] schade heeft ondervonden. Hij is mishandeld vanwege zijn geaardheid, hetgeen een ernstige impact op hem heeft gehad. Om tot een begroting van de immateriële schadevergoeding te komen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hetgeen in soortgelijke zaken aan slachtoffers wordt toegewezen. De rechtbank komt tot een schadevergoeding ter hoogte van € 1.500,00. Dit bedrag is lager dan het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat aan [slachtoffer 1] is toegekend, nu [slachtoffer 1] ernstiger letsel aan de mishandeling heeft overgehouden. De benadeelde partij zal in het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit betekent dat ten aanzien van [slachtoffer 2] een bedrag van € 1.750,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens [slachtoffer 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 141, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair:

medeplegen van poging tot doodslag

en

medeplegen van zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

t.a.v. benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van , wonende te [woonplaats] , toe tot € 5.853,97 (vijfduizend achthonderddrieënvijftig euro en zevenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 juni 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 5.853,97 (vijfduizend achthonderddrieënvijftig euro en zevenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 64 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

t.a.v. benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van , wonende te [woonplaats] , toe tot € 1.750,00 (zeventienhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 juni 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , € 1.750,00 (zeventienhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 27 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en N. Saanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , doorgenummerde pag. 6-10.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , doorgenummerde pag. 43-45.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , doorgenummerde pag. 23-25.

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , doorgenummerde pag. 6-10.

6 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pag. 49-52.