Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1305

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
13/997105-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 53-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden omdat hij onder meer betrokken was bij het witwassen van bijna 20 miljoen euro. Tussen oktober 2012 en maart 2017 waste hij geld wit door met contant geld auto’s te kopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/997105-16

Datum uitspraak: 6 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1964,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] ,

thans gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2018.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.K.J. Kooij, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Winters, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding en tenlastelegging

Het onderzoek naar verdachte is gestart naar aanleiding van meldingen van 97 ongebruikelijke transacties door drie Nederlandse autobedrijven. Verdachte zou als gevolmachtigde namens een Hongaars autobedrijf auto’s (met cashgeld) hebben gekocht en vervolgens geëxporteerd, voor een totaalbedrag van ongeveer 10 miljoen euro. Dit heeft geleid tot een onderzoek naar witwassen door verdachte en andere feiten.

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij:

Feit 1 (onder A)

in de periode van 8 oktober 2012 tot en met 6 maart 2017 in België en/of Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, opzetwitwassen of schuldwitwassen van een geldbedrag van in totaal € 10.024.790,00;

Feit 1 (onder B)

in de periode van 8 oktober 2012 tot en met 6 maart 2017 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, opzetwitwassen of schuldwitwassen van een geldbedrag van in totaal € 9.658.150,00. Voor het geval de rechtbank dit niet bewezen acht heeft de officier van justitie dit (subsidiair) ten laste gelegd als medeplichtigheid aan gewoontewitwassen, opzetwitwassen of schuldwitwassen van hetzelfde bedrag;

Feit 2

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer uitkeringsfraude heeft gepleegd, door niet te melden dat hij over vermogen beschikte en werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij betaald heeft gekregen terwijl hij een bijstandsuitkering genoot;

Feit 3

op 6 maart 2017 te Boxmeer een vals of vervalst Frans paspoort voorhanden had;

Feit 4

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling, schuldheling of verduistering van vijf gestolen of vermiste reisdocumenten;

Feit 5

in de periode van 1 april 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer en Ter Apel onjuiste informatie heeft verstrekt, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze informatie van belang is voor het vaststellen van zijn recht op een verblijfsvergunning asiel;

Feit 6

in de periode van 1 april 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer geschriften heeft vervalst als ware deze echt en onvervalst of gebruik heeft gemaakt van dergelijke geschriften dergelijke geschriften voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De verdediging

Door de verdediging is gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in haar vervolging van feit 1 onder A, omdat er geen rechtsmacht is met betrekking tot het witwassen van ruim 10 miljoen euro in België.

In de tenlastelegging wordt onderscheid gemaakt tussen het witwassen in België (feit 1 onder A) en het witwassen in Nederland (feit 1 onder B). Weliswaar is in de tenlastelegging van feit 1 onder A zowel Nederland als België als pleegplaats opgenomen, maar dit feit heeft zich alleen afgespeeld in België. De rechtbank heeft voor dit feit daarom geen rechtsmacht op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

In artikel 7 Sr is bepaald onder welke omstandigheden de Nederlandse strafwet van toepassing is op een Nederlander die zich buiten Nederland aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Aan dat artikel kan echter evenmin rechtsmacht worden ontleend, omdat verdachte geen Nederlander is en daarmee ook niet gelijkgesteld kan worden zoals bedoeld in lid 3 van dat artikel. In artikel 86b Sr is immers bepaald dat daarvoor vereist is dat een vreemdeling gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. In dit geval is aan verdachte pas op 23 april 2013 een verblijfsvergunning asiel verleend, zodat aan dat vereiste niet is voldaan.

De officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het ten laste gelegde feit 1 onder A gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, zodat op grond van artikel 2 Sr (waarin het zogenaamde territorialiteitsbeginsel is vervat) sprake is van rechtsmacht voor dat feit. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van rechtsmacht, verzoekt de officier van justitie om aanhouding van de behandeling van de zaak om de strafvervolging voor dat feit van België over te kunnen nemen.

Het oordeel van de rechtbank

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK6328) zich uitgelaten over de vraag of sprake is van rechtsmacht voor een feit begaan in het buitenland als in de tenlastelegging van dat feit zowel Nederland als een ander land als pleegplaats zijn genoemd. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak hierover het volgende overwogen:

2.4.

Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. HR 27 oktober 1998, LJN ZD1413, NJ 1999, 221).

In de tenlastelegging van feit 1 onder A wordt zowel Nederland als België als pleegplaats genoemd. De rechtbank acht bewezen dat het ten laste gelegde feit (zoals hierna onder 4.3 zal worden besproken) in beide landen is gepleegd, waarmee de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging voor dit feit is gegeven. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De feiten 1 onder A, 1 onder B (subsidiair), 2, 3, 4 (eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde), 5 en 6 kunnen bewezen worden verklaard.

Feit 1 onder A en B

Verdachte heeft samen met anderen in België bij BPost 201 contante stortingen gedaan voor een bedrag van ruim 10 miljoen euro, waarbij de rol van verdachte als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

In Nederland is verdachte betrokken geweest bij 97 contante transacties in verband met autoaankopen bij autobedrijven. Verdachte heeft in Nederland bij bedrijven zijn paspoort afgegeven en een volmacht afgegeven van de onderneming [onderneming] en daarbij gegevens verschaft van dit bedrijf. Ook is hij eenmaal op de foto geweest met een medewerker van een autobedrijf. Hiermee heeft hij ervoor gezorgd dat op zijn naam namens onderneming [onderneming] autotransacties konden plaatsvinden. De rol van verdachte bij deze transacties kan worden aangemerkt als medeplichtigheid. Er is sprake van een criminele herkomst van de geldbedragen. Uit de verschillende witwas-typologieën van de FIU zoals beschreven in het dossier volgen aanwijzingen dat het geld een criminele herkomst heeft. Die aanwijzingen zijn niet weerlegd. Dat verdachte van die criminele herkomst wetenschap had, blijkt onder meer uit de door hem gevoerde telefoongesprekken die getapt zijn en het feit dat hij valse identiteitspapieren en documenten voorhanden had. Gelet op de lange periode waarin de stortingen (201 respectievelijk 97) plaatsvonden en de omvang van die stortingen, is sprake van gewoontewitwassen.

Feiten 2 tot en met 6

De feiten 2 tot en met 6 hangen samen met het onder feit 1 ten laste gelegde witwassen en kunnen bewezen worden verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij een vergoeding kreeg voor de stortingen bij het Belgische BPost en dat hij die niet heeft opgegeven aan de gemeente Boxmeer. Dit geldt ook voor de door hem ontvangen en verzonden moneytransfers. Verdachte heeft daarnaast een vals paspoort en gestolen/vermiste reisdocumenten bij hem thuis aanwezig gehad in een verpakking van Hema coffeepads in een la van zijn televisiemeubel. Uit de verstopplek van die identiteitsdocumenten blijkt dat verdachte wist dat die papieren niet in orde waren.

Voorts zijn in zijn woning vervalste documenten aangetroffen. Gelet op het overduidelijke knip- en plakwerk in de volmachten wist verdachte dat die documenten vervalst waren. Ten slotte heeft verdachte in zijn verklaringen bij de (vreemdelingen)politie evident gelogen over omstandigheden die van belang zijn voor zijn asielaanvraag in Nederland.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 onder A en B

Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 onder A en onder B primair en subsidiair voor wat betreft het witwassen in Nederland. Voor wat betreft het medeplegen van schuldwitwassen van feit 1 onder A in België refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Onder A

De rol van verdachte bestond er uit dat hij geldbedragen voor de aankopen van auto's in België heeft afgestort bij de BPost in België en dat hij blanco documenten heeft ondertekend. Verdachte had geen betrokkenheid bij de aan- en verkoop van de betreffende auto's. Zijn rol is vergelijkbaar met die van een katvanger. Verdachte moet worden vrijgesproken van opzetwitwassen, omdat hij niet wist dat het contante geld van een misdrijf afkomstig was. Verdachte was gevolmachtigde van de onderneming [onderneming] geworden en dacht dat hij werkte voor mensen uit Berlijn. Hij vond het niet vreemd dat hij het geld moest afstorten bij BPost, omdat het de betaling van [onderneming] voor een autoaankoop betrof en hij degene was die gevolmachtigd was om namens die onderneming op te treden. Hij wist op dat moment niet dat de onderneming [onderneming] een zogenaamde missing trader was. Verdachte komt bovendien uit Syrië en daar is het gebruikelijk om betalingen met cashgeld te verrichten. Het enkele feit dat het om grote cashbedragen ging, brengt dus niet met zich dat hij wist dat de geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf. Tot slot kan niet bewezen worden verklaard dat het witwassen in Nederland gepleegd is, omdat verdachte de 201 stortingen in België heeft gedaan.

Onder B

Voor wat betreft het witwassen van geldbedragen in Nederland van feit 1 onder B primair/subsidiair dient vrijspraak te volgen. Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij slechts één tot viermaal bij autobedrijven in Nederland is geweest, hij nooit contant geld heeft betaald voor de aankoop van auto's en ook geen contant geld heeft gestort zoals hij dat in België wel heeft gedaan. Uit de meldingen van ongebruikelijke transacties zou blijken dat verdachte aanwezig is geweest bij de 97 Nederlandse transacties, maar uit het dossier blijkt dat verdachte in ieder geval bij een deel van die transactie aantoonbaar in het buitenland was. Er is ook geen bewijs in het dossier dat verdachte vaker dan de vier keer waarover hij heeft verklaard bij die bedrijven is geweest. Nu verdachte niet heeft meegewerkt aan de transacties tot koop van auto's dient vrijspraak te volgen van het medeplegen van witwassen.

Het verstrekken van zijn paspoort, de volmacht van [onderneming] en het op de foto gaan met een van de medewerkers van het autobedrijf levert geen medeplichtigheid aan witwassen op. Verdachte heeft hiermee geen voorwaardelijk opzet gehad op het (behulpzaam zijn aan) door anderen, met gebruik van zijn gegevens, gepleegde witwassen. Hij had niet kunnen vermoeden dat het Berlijnse netwerk en vermoedelijk ook de Nederlandse autobedrijven op dergelijke grote schaal de identiteit van verdachte zouden gebruiken voor het witwassen van grote geldbedragen.

Feiten 2 tot en met 6

Van feit 4 (eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde) dient verdachte te worden vrijgesproken, nu niet is komen vast te staan dat verdachte helingshandelingen met betrekking tot de bij hem aangetroffen paspoorten en/of identiteitskaarten heeft verricht.

Verdachte moet ook worden vrijgesproken van feit 6. De in de woning van verdachte aangetroffen documenten zijn onmiskenbaar vals, maar de documenten zijn buiten zijn medeweten om in zijn huis gelegd door mensen die bij hem op bezoek waren. Verdachte was niet op de hoogte van de aanwezigheid van deze documenten. Voor wat betreft de feiten 2, 3, 4 (tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde) en 5 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

ten aanzien van feit 1

Feit 1 onder A (201 stortingen bij het Belgische BPost)

De rechtbank leidt het volgende af uit het dossier en het onderzoek ter zitting.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de op de tenlastelegging vermelde 201 stortingen van cashgeld heeft verricht bij BPost voor het totaalbedrag van ruim 10 miljoen euro, in de periode van 27 september 2013 tot en met 30 juni 2016.

Hij heeft verklaard dat hij die stortingen deed in het kader van zijn werkzaamheden voor de onderneming [onderneming] . Een kennis van hem, [naam 1] , had hem een baan aangeboden. Er werd hem een volmacht gegeven om namens [naam 2] , die de eigenaar was van dat bedrijf, op te kunnen treden. Het betrof een autobedrijf. Verdachte weet niets van auto’s en heeft ook geen rijbewijs. Verdachte wist niet welke werkzaamheden hij zou moeten gaan verrichten, maar het was de bedoeling dat hij geld zou gaan verdienen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij vervolgens gedurende een aantal jaar iedere week of om de week naar België ging, met steeds weer andere personen. Die personen bleven voorafgaand aan de afspraak bij hem thuis (in Nederland) slapen en namen hem vervolgens in een auto mee naar België. Diegene die met verdachte van Nederland naar België reisde had het geld bij zich en gaf het geld in België aan [naam 3] . Het geld werd geteld door [naam 3] . [naam 3] stelde een brief op en verdachte ging met de brief van [naam 3] het postkantoor van BPost naar binnen om te betalen. Het geld dat hij moest gaan storten werd hem steeds kort van tevoren buiten BPost overhandigd. Verdachte deed de stortingen omdat hij gevolmachtigde was van de onderneming [onderneming] en het om overeenkomsten met dat bedrijf ging. Het ging naar zijn idee om legale handelsactiviteiten. Bij (het sluiten van) de overeenkomsten en de inhoud daarvan was hij niet betrokken. Hij heeft wel verschillende papieren getekend in de woning van [naam 3] , ook blanco papieren. Voor iedere storting die verdachte in België deed, ontving hij € 100,00.

Uit een proces-verbaal van de Financial Intelligence Unit - Nederland (FIU) leidt de rechtbank af dat de rechtspersoon [onderneming] bij de Hongaarse belastingdienst niet heeft opgegeven intracommunautaire verwervingen te hebben gedaan (zoals de aankoop van auto’s in het buitenland), geen opgave omzetbelasting heeft gedaan en sinds augustus 2015 een verlopen btw-nummer heeft en in staat van faillissement verkeert. De balanswaarde van de passiva en activa was in 2012 t/m 2014 constant (omgerekend) € 1.600,00. De bankrekeningen zijn in 2014 opgeheven.

In het dossier bevinden zich diverse uitgewerkte getapte telefoongesprekken van verdachte. Uit die tapgesprekken leidt de rechtbank onder meer af dat verdachte probeert andere personen bedrijven te laten oprichten tegen betaling van € 500,-. In een telefoongesprek van 10 januari 2017 legt verdachte daarover aan een zekere [naam 4] uit dat ‘het echte geld pas na een jaar komt’, en ‘dat als het gaat lopen, de jongens 50% zullen krijgen en zijzelf 50% zullen krijgen’. In een telefoongesprek op 23 januari 2017 vertelt verdachte aan een onbekend gebleven man dat het bedrijf er eerst een jaar moet zijn om er jaarstukken van te krijgen. Na een jaar zal het in het slechtste geval 40 of 50 opleveren, het gaat volgens verdachte niet om enkele duizendjes. De onbekend gebleven man vraagt aan verdachte of ze met het bedrijf auto’s gaan kopen, waarop verdachte antwoordt dat het een lijst is en ze geen auto’s kopen.

Ten slotte zijn in de woning van verdachte valse volmachten aangetroffen waarin namen zijn veranderd met tipp-ex en is een document van aanvang activiteiten van [naam 5] zichtbaar vervalst voor wat betreft het gedeelte waarin de bedrijfsactiviteiten zijn uitgebreid met de handel in auto's.

Op grond van al het voorgaande is er een stevig vermoeden dat de door verdachte gestorte gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft dit vermoeden niet kunnen weerleggen. De rechtbank acht daarom bewezen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Voor een veroordeling voor (gewoonte)witwassen is vereist dat verdachte wetenschap van de criminele herkomst van voornoemde geldbedragen heeft gehad. De rechtbank acht, anders dan door de raadsvrouw bepleit, gelet op bovenvermelde omstandigheden bewezen dat verdachte die wetenschap in elk geval in voorwaardelijke zin heeft gehad. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat verdachte blanco documenten ondertekende, verder geen concrete werkzaamheden verrichtte voor het Hongaarse bedrijf en ruim 10 miljoen euro cash heeft gestort. De verklaring van verdachte dat hij dacht legale activiteiten uit te voeren en dat hij werd misbruikt door het Berlijnse netwerk wordt door de rechtbank als ongeloofwaardig ter zijde geschoven, nu uit verschillende tapgesprekken blijkt dat hij zelf vergelijkbare bedrijven probeerde op te zettenen ook zelf opdrachten gaf. Die tapgesprekken dateren weliswaar van na de stortingsdata, maar dit past niet de verklaring van verdachte over zijn onwetendheid en ondergeschiktheid.

Uit de geschetste omstandigheden blijkt verder dat verdachte nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt. De rol van verdachte in die samenwerking was van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.

De rechtbank acht, anders dan door de raadsvrouw bepleit, ook bewezen dat het witwassen in Nederland heeft plaatsgevonden. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat voorafgaand aan de 201 stortingen steeds andere personen met een groot cashbedrag naar zijn woning in Nederland kwamen, daar door hen werd overnacht en verdachte vervolgens werd meegenomen naar België. Daar werd de storting gedaan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de uitvoeringshandelingen ter zake het witwassen zowel in Nederland als in België zijn gepleegd.

De rechtbank zal verdachte veroordelen ten aanzien van feit 1 onder A voor medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken in Nederland en in België.

Feit 1 onder B (97 contante betalingen Nederlandse autobedrijven)

Uit het dossier blijkt dat in Nederland 97 contante betalingen hebben plaatsgevonden voor de aankoop van auto's op naam van verdachte als gevolmachtigde van [onderneming] , voor een totaalbedrag van ruim 9,5 miljoen euro.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte medepleger is van het onder B primair ten laste gelegde witwassen in Nederland, omdat zijn rol bij dat witwassen daarvoor van onvoldoende gewicht is geweest. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt dat verdachte bij de autobedrijven waar de 97 transacties in Nederland hebben plaatsgevonden hooguit viermaal aanwezig is geweest. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte vaker bij transacties aanwezig is geweest en evenmin dat hij enige betaling heeft verricht.

Verdachte heeft bij zijn bezoeken aan de autobedrijven zijn paspoort afgegeven, een door hem ondertekende volmacht en bedrijfsgegevens van [onderneming] overgelegd en in één geval is hij op de foto gegaan met een van de medewerkers van het autobedrijf. Verdachte heeft verklaard dat hij voor ieder bezoek een paar honderd euro heeft gekregen. De rechtbank acht gelet hierop bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij en opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft voor het plegen van (gewoonte)witwassen door onbekend gebleven anderen.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het witwassen en op het leveren van een bijdrage daaraan. De rechtbank wijst daarvoor op het feit dat verdachte geen concrete werkzaamheden verrichtte voor het Hongaarse (auto)bedrijf en enkele honderden euro’s ontving voor het tekenen van documenten en de afgifte van zijn paspoort, terwijl uit hetgeen hiervoor onder A is overwogen onder meer blijkt dat verdachte beschikte over valse documenten voor bedrijven en geen ondergeschikte rol had in het Berlijnse netwerk. Hij heeft door aldus te handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat op grote schaal met gebruik van zijn gegevens geld zou worden witgewassen.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen ten aanzien van de onder feit 1 onder B subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan gewoontewitwassen.

ten aanzien van de feiten 2, 3 en 5

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank komt op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van deze feiten.

ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet wist dat de gestolen of vermiste reisdocumenten in zijn woning lagen.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat een vriend van hem de paspoorten in een envelop bij hem heeft achtergelaten en dat hij niet wist wat er in die envelop zat. De rechtbank passeert die verklaring van verdachte. Uit het dossier blijkt immers dat die paspoorten niet in een envelop zaten, maar verstopt in een verpakking van coffeepads in een televisiemeubel bij verdachte thuis zijn aangetroffen. De rechtbank leidt uit de verhullende wijze waarop verdachte deze reisdocumenten heeft bewaard af dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze documenten wist dat deze documenten van enig misdrijf afkomstig waren. Voor een veroordeling van opzetheling is, anders dan door de raadsvrouw naar voren is gebracht, geen verdere handeling van verdachte vereist. De rechtbank verwerpt het verweer en zal verdachte veroordelen voor opzetheling van deze reisdocumenten.

ten aanzien van feit 6

De rechtbank acht ten aanzien van dit feit bewezen dat verdachte wist dat de valse documenten in zijn huis aanwezig waren. De rechtbank legt de verklaring van verdachte dat hij niet op de hoogte was van de vervalste documenten in zijn woning als ongeloofwaardig terzijde. De documenten zijn in een doos bij een bureau in de slaapkamer van verdachte aangetroffen. Door de verbalisant is tijdens de doorzoeking waargenomen dat deze slaapkamer dienst deed als opslagruimte. Verdachte heeft in een van de tapgesprekken ook gesproken over het vervalsen van documenten. Bovendien is op de documenten duidelijk waarneembaar dat deze valselijk zijn opgemaakt met behulp van tipp-ex en het herhaaldelijk kopiëren.

De rechtbank zal dan ook bewezen verklaren dat verdachte de documenten opzettelijk aanwezig heeft gehad terwijl hij wist dat deze documenten bestemd waren om als bewijs voor enig feit te worden gebruikt als echt en onvervalst.

In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat verdachte deze documenten zelf heeft vervalst of dat hij deze documenten zelf heeft gebruikt. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook partieel vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1

onder A

in de periode van 27 september 2013 tot en met 30 juni 2016 op meerdere plaatsen in Nederland en België, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij toen en daar op tijdstippen in voormelde periode telkens van een aantal geldbedragen, te weten: 201 contant gestorte geldbedragen bij BP-post in België voor een totaalbedrag van 10.024.790,00 euro, de herkomst verhuld en verhuld wie de rechthebbende van die geldbedragen was en voornoemde geldbedragen voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

onder B, subsidiair

dat anderen in de periode van 8 oktober 2012 tot en met 6 maart 2017 op meerdere plaatsen in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt,

immers hebben die anderen, toen en daar op tijdstippen in voormelde periode, van een aantal geldbedragen, te weten: 97 contante geldbedragen voor een totaalbedrag van € 9.658.150,00, ten behoeve van de aankoop van auto’s, de herkomst verhuld en verhuld wie de rechthebbende van die geldbedragen was en voornoemde geldbedragen voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van dit misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest, en opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft, bestaande uit het volgende:

- verdachte is naar autobedrijven gereisd en

- verdachte heeft bij autobedrijven volmachten overhandigd/afgegeven waaruit zou

blijken dat hij, verdachte, gemachtigd is om namens buitenlandse vennootschappen

auto’s aan te kopen en

- verdachte heeft identiteitsbewijzen en buitenlandse bedrijfsgegevens beschikbaar gesteld en

- verdachte heeft bij autobedrijven papieren/documenten ondertekend en

- verdachte is met personeel van een autobedrijf op de foto gegaan.

ten aanzien van feit 2

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer telkens in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en artikel 17 van de Participatiewet, opgelegde verplichtingen, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk verzwegen voor en/of nagelaten te melden aan het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Boxmeer dat hij, verdachte, in voornoemde periode:

- vermogen bezat en over vermogen beschikte, namelijk:

* een groot aantal verstuurde contante geldbedragen aan het buitenland, en

* een aantal contante geldbedragen ontvangen vanuit het buitenland en,

- op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, namelijk grootschalige aankoop van auto's, al dan niet als gevolmachtigde van buitenlandse ondernemingen,

zulks terwijl deze feiten konden strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet en/of voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

ten aanzien van feit 3

op 6 maart 2017 te Boxmeer in het bezit was van een reisdocument als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Frans paspoort

ten name van [naam 6] voorzien van documentnummer [nummer] en

afgegeven op 19 juni 2012, waarvan hij wist dat het reisdocument vals was, bestaande de valsheid hieruit:

- afwijkende en onjuiste reflectie bij het aanstralen van de houderpagina

en visapagina's en binddraad van voornoemd reisdocument onder UV-licht en

- afwijkende kenmerken aan imitatie watermerk in visapagina's en

- afwijkende druktechniek en

- niet leesbare microtekst in ondergrondbedrukking en

- afwijkend optisch variabel beeld en

- ontbreken van het documentnummer aan de binnenzijde van het schutblad, en

- ontbreken tweede foto op houderpagina en

- ontbreken van het OCR-B in de machine leesbare strook;

ten aanzien van feit 4 (eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde)

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer, vijf reisdocumenten en/of identiteitskaarten, te weten:

- een Nederlands paspoort op naam van [naam 7] voorzien van

documentnummer [nummer] en afgegeven op 26 januari 2015), en

- een Nederlandse identiteitskaart op naam van [naam 8]

voorzien van documentnummer [nummer] en afgegeven op 17 juni 2011 en

- een Nederlands paspoort op naam van [naam 9] voorzien van

documentnummer [nummer] en afgegeven op 24 september 2008 en

- een Nederlands paspoort op naam van [naam 10]

voorzien van documentnummer [nummer] en afgegeven op 10 april 2012 en

- een Bulgaarse identiteitskaart op naam van [naam 11] voorzien van

documentnummer [nummer] en afgegeven op 10 november 2010,

voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die Nederlandse

paspoorten en identiteitsbewijzen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 5

op tijdstippen in de periode van 1 april 2013 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer en Ter Apel anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de regiopolitie Groningen unit vreemdelingenpolitie, zijnde degenen door wier tussenkomst een verstrekking, te weten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, werd verleend, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk valselijk verklaard

- dat hij alleen Arabisch en een beetje Engels spreekt, dit terwijl

verdachte ook de Griekse taal machtig is, en

- dat hij niet eerder een visum voor een Europees land verstrekt heeft

gekregen en niet eerder voor een langere periode in een ander Europees

land heeft verbleven, dit terwijl uit het paspoort van hem, verdachte, blijkt

dat hij voor verschillende periodes verschillende soorten visums heeft

gekregen en (vervolgens) voor langere periodes in die landen heeft verbleven en

- dat hij geen andere identiteitspapieren bij zich had dan zijn zogenaamde

zeemansboekje en militair zakboekje, dit terwijl verdachte ook de

beschikking had over zijn Syrisch paspoort, en

- dat zijn laatste woon- en/of verblijfadres in Syrië was, dit terwijl uit het

paspoort van hem, verdachte, blijkt dat dit Griekenland was,

zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist

dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes

recht op die verstrekking;

ten aanzien van feit 6

in de periode van 8 februari 2011 tot en met 6 maart 2017 te Boxmeer

geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, namelijk:

- een verklaring aanvang activiteiten van natuurlijk persoon,

ondernemer opgesteld in de Griekse taal;

- een in het Duits vertaalde Griekse volmacht van [naam 5] (volmachtgever);

- een Griekse volmacht van [naam 2] (volmachtgever);

opzettelijk deze vervalste geschriften voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist

dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik, als ware deze echt en onvervalst, bestaande de vervalsing hieruit:

- persoonsnamen, geboortedata en andere identificerende gegevens, stukken

tekst/verklaringen, stempels en handtekeningen zijn vanuit andere geschriften

geknipt/gekopieerd en geplakt in de valselijk opgemaakte/vervalste documenten;

- met behulp van tipp-ex en het herhaaldelijk kopiëren is bovenstaand knip/plakwerk verborgen of geprobeerd te verbergen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met het feit dat verdachte niet de grote man in de organisatie lijkt te zijn geweest, maar ook geen onwetende katvanger was. Strafmatigend zijn de factoren dat verdachte tijdens het opsporingsonderzoek in zekere zin openheid van zaken heeft gegeven en dat zijn asielstatus in Nederland is ingetrokken.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de strafeis van de officier van justitie te matigen.

Verdachte is niet degene geweest die veel geld heeft verdiend met witwassen, want hij heeft hier slechts een kleine vergoeding voor gekregen. Als strafmatigend kan worden aangemerkt dat verdachte alles kwijt is wat hij tot nu toe heeft opgebouwd in Nederland, zijn woning, zijn uitkering en zijn verblijfsstatus. Ook moet hierbij worden betrokken dat hij openheid van zaken heeft gegeven tijdens het opsporingsonderzoek en dat hij een first offender is.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is gedurende een lange periode betrokken geweest bij het witwassen van in totaal bijna 20 miljoen euro. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. De handelwijze van verdachte vormt een aantasting van de legale economie en is, vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Het leidt er immers toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over het geld kan beschikken in de legale economie, zodat ‘misdaad loont’.

Verdachte heeft ook gedurende ongeveer drie jaar een bijstandsuitkering genoten terwijl hij zijn inkomsten en beschikking over vermogen niet heeft opgegeven. Door zijn handelen maakt de verdachte inbreuk op het systeem van sociale zekerheid, zodat aan hem een hogere uitkering is toegekend dan waarop hij recht heeft.

Verdachte heeft daarnaast verschillende vervalste documenten voorhanden gehad. Het betreft documenten die in het handelsverkeer van belang zijn en die bij gebruik ervan leiden tot schending van het in dergelijke documenten gestelde vertrouwen.

In de woning van verdachte beschikte hij ook over een Frans paspoort waarvan hij wist dat dit vals was. Een dergelijk reisdocument maakt een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk. Ook werden 5 vermiste en gestolen reisdocumenten bij verdachte thuis aangetroffen waarvan verdachte wist dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren. Het gebruik van reisdocumenten die op een anders naam staan kan het begaan van strafbare feiten vergemakkelijken en tevens leiden tot schending van het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in dergelijke van overheidswege verstrekte documenten.

Verdachte heeft ten slotte bij de vreemdelingenpolitie en de politie onjuiste informatie verschaft die van belang is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag in Nederland.

De bevoegde instantie is daardoor niet in staat geweest op juiste wijze te bepalen of en, zo ja, verdachte recht had op een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Een dergelijke verblijfsvergunning is uitsluitend bestemd voor diegene die er recht op heeft en de bevoegde instantie moet er op kunnen vertrouwen dat de juiste gegevens worden aangeleverd.

De verdachte heeft door op deze wijze te handelen misbruik gemaakt van het asielstelsel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 12 mei 2018 waarin is vastgesteld dat er geen toezicht door de reclassering is geïndiceerd.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 januari 2018 is hij niet eerder wegens een soortgelijk feit veroordeeld.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. De rechtbank zoekt aansluiting bij het oriëntatiepunt voor fraude voor een bedrag van 1 miljoen euro, te weten een gevangenisstraf van 24 maanden.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 iPhone 6 met zwart hoesje

- 1 iPhone 6 met geel hoesje

die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het 6 bewezen geachte is begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 47, 48, 225, 227a, 227b, 231, 416 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 onder A, 1 onder B subsidiair, 2, 3 en 4 (eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde,) en 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 onder A

medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

ten aanzien van feit 1 onder B subsidiair

medeplichtigheid bij het plegen van witwassen een gewoonte maken;

ten aanzien van feit 2

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of de hoogte of duur van de verstrekking;

ten aanzien van feit 3

een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is;

ten aanzien van feit 4

opzetheling;

ten aanzien van feit 5

anders dan door valsheid in geschrift opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan degenen door wie of door wiens tussenkomst enig verstrekking wordt verleend, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat de verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van recht op die verstrekking of de duur van een dergelijk verstrekking;

ten aanzien van feit 6

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorhanden hebben, terwijl hij weet dat of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

23 1.00 STK Zaktelefoon

IPHONE 6

BE05.02.01.001 iPhone 6 zwart hoesje

24 1.00 STK Zaktelefoon

IPHONE 6

BE05.02.01.002 iPhone 6 met geel hoesje

Gelast de teruggave aan verdachte van:

25 1.00 STK Computer

IPAD AIR

be05.02.02.001 IPad air

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2018.