Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1302

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
525251 / FA RK 12-7227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adoptiebeslissing, vaststelling van de geboortegegevens / erkenning juridische afstammingsrelatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/618112 FA RK 16-7441 (MN/JK/LH/MD)

Beschikking van 28 februari 2018 betreffende adoptie

In de zaak van:

[verzoeker 1] ,

nader te noemen [verzoeker 1] ,

en

[verzoeker 2] ,

nader te noemen [verzoeker 2] ,

thans beiden wonende te [woonplaats] ,

voorheen [verzoeker 2] wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat mr. W.J. Eusman, kantoorhoudende te Amsterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

-
de ambtenaar van de burgerlijke stand te Den Haag (hierna mede te noemen de

ambtenaar);

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het

verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 1 november 2016.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- de brief van 18 januari 2017 van de ambtenaar van de burgerlijke stand;

- de brief met bijlagen van mr. W.J. Eusman van 19 april 2017;

- de brief 15 mei 2017 van de ambtenaar van de burgerlijke stand;

- de brief met bijlagen van 9 januari 2018 van mr. W.J. Eusman;

- de brief met bijlagen van 23 januari 2018 van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

1.3.

De zaak is vervolgens meervoudig behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 25 januari 2018. Gehoord zijn: verzoekers en mr. W.J. Eusman en de heer [naam medewerker Raad] namens de Raad. Mr. W.J. Eusman heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

2. De feiten

2.1.

Verzoekers hebben een affectieve relatie. Op 3 september 2014 zijn zij gehuwd te

Haarlem.

2.2.

Verzoekers hadden een kinderwens, die zij op 21 januari 2013 in vervulling hebben laten gaan via de weg van draagmoederschap. Verzoekers zijn hiertoe een overeenkomst aangegaan met mevrouw [naam draagmoeder] , wonende te [woonplaats] , [land] . Mevrouw [naam draagmoeder] was destijds niet gehuwd. Zij is op 17 oktober 2014 in het huwelijk getreden. Verzoekers zijn met mevrouw [naam draagmoeder] onder meer overeengekomen dat zij een kind zal dragen ten behoeve van verzoekers. De bevruchting heeft plaatsgevonden via in vitro fertilisatie, waarbij gebruik is gemaakt van een voor verzoekers bekende eiceldonor en van sperma van [verzoeker 2] . Mevrouw [naam draagmoeder] is zwanger geworden van een tweeling.

2.3.

Op 8 april 2014 heeft het Superior Court of the State of California, County of El Dorado, Verenigde Staten van Amerika onder meer vastgesteld dat [verzoeker 1] de juridische vader zal zijn van de kinderen waarvan mevrouw [naam draagmoeder] zwanger was. Het Superior Court heeft verder bepaald dat [verzoeker 1] vanaf de geboorte het gezag zal hebben over deze kinderen.

2.4.

Op [geboortedatum] 2014 zijn uit mevrouw [naam draagmoeder] te [plaats] , [staat] , [land] geboren: [kind 1] en [kind 2] . Op de geboorteaktes van de kinderen staat mevrouw [naam draagmoeder] als moeder en [verzoeker 1] als vader aangeduid.

2.5.

De kinderen verblijven sinds hun geboorte onafgebroken bij verzoekers. Het gezin woonde tot september 2017 afwisselend in [land] en [land] , zij het dat de kinderen en [verzoeker 2] het meest in [land] verbleven. Sinds september 2017 woont het gezin in de woning van verzoekers in [plaats] en gaan de kinderen hier naar de crèche. In april 2018 gaan de kinderen naar de basisschool.

2.6.

Verzoekers en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit en de minderjarigen hebben daarnaast ook nog de Amerikaanse nationaliteit.

2.7.

Mevrouw [naam draagmoeder] heeft bij affidavit van 18 juni 2016 verklaard dat de kinderen voor zover dat nu te voorzien is in de toekomst van haar als moeder niets te verwachten hebben en dat zij geen bezwaar heeft tegen de verzochte adoptie van voornoemde kinderen door [verzoeker 2] .

3 Het verzoek

Het verzoek strekt tot adoptie door [verzoeker 2] van de minderjarige [kind 1] en [kind 2] , beiden geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Voorts is verzocht te verstaan dat de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker 1] en de kinderen in stand blijft en dat de rechtbank bepaalt dat verzoekers gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen zijn belast.

Daarnaast is verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand van Den Haag te gelasten de geboorteakten van de minderjarigen in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand in te schrijven, met de volgende “vermelding” (kanttekening) in de rubriek “vermeldingen” van de akte:

Bij uitspraak van The Superior Court of the State of California, County of El Dorado, Verenigde Staten van Amerika, van 8 april 2014, is het vaderschap vastgesteld van: [verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] . Geslachtsnaam van deze kinderen is [verzoeker 1] ”.

Tenslotte verzoeken zij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Den Haag te gelasten een latere vermelding van genoemde adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende aktes toe te voegen.

Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 25 januari 2018 hebben verzoekers aangegeven dat zij zowel met de draagmoeder als met de eiceldonor contact onderhouden.

De eiceldonor heeft er vóór haar donatie op gestaan dat zij verzoekers eerst zou ontmoeten. Als de kinderen er aan toe zijn zullen verzoekers hen vertellen hoe het is gegaan. Verzoekers hebben benadrukt dat zij voornemens zijn om zowel de draagmoeder als de eiceldonor deel uit te laten maken van het leven van de kinderen.

De reden om middels de beslissing in de Verenigde Staten vast te leggen dat [verzoeker 1] de juridische vader van de kinderen is, terwijl [verzoeker 2] de biologische vader is, was er mede in gelegen dat [verzoeker 1] qua ziektekosten het beste verzekerd was. Indien de kinderen na de adoptie in de Verenigde Staten medische zorg nodig zouden hebben, zou de verzekering van [verzoeker 1] de meeste zorg kunnen bieden. Daarnaast vonden verzoekers het voor hun gevoel prettig dat er door deze beslissing tussen hen beide een vorm van evenwicht is in hun ouderschap.

4 Het standpunt van de Raad

4.1.

De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het van groot belang is dat een kind weet wie zijn of haar biologische ouders zijn en dit op enig moment kan achterhalen. Uit onderzoek is gebleken dat het voor kinderen het allerbelangrijkste is dat zij gewenst zijn. Voor een juiste registratie van een en ander moeten de geboorteaktes zoveel mogelijk aansluiten bij de werkelijkheid. Op dit moment worden de kinderen al geruime tijd verzorgd en opgevoed door hun vaders, en nu dit een feit is, is het van belang dat er een juridische band komt met beide vaders. Het is aan de vaders om van jongs af aan open te zijn over de afstammingshistorie van de kinderen. In de opinie van de Raad blijkt uit de stukken voldoende hoe een en ander is gegaan en is er geen beletsel om de huidige situatie te formaliseren en vast te leggen in de registers van de burgerlijke stand.

5 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

Op grond van artikel 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is

de Nederlandse rechter bevoegd. Nu verzoekers kiezen voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam en zij en de belanghebbenden wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het onderhavige verzoek.

5.2.

Ingevolge artikel 10:105, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is op een in Nederland uit te spreken adoptie het Nederlandse recht van toepassing.

Adoptie

5.3.

Het betreft een adoptieverzoek hier te lande. De artikelen 1:227 en 1:228 BW zijn op dit verzoek van toepassing.

5.4.

Verzoekers hebben aangevoerd dat zij voldoen aan het samenlevingsvereiste zoals is vermeld in artikel 1:227 lid 2 BW. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat zij een bestendige affectieve relatie hebben en dat zij veel tijd met elkaar doorbrengen. Sinds september 2017 woont het gezin gezamenlijk in de woning in [plaats] en de kinderen zullen in april 2018 in [plaats] naar school gaan. De woning in [land] is verhuurd voor langere tijd.

De rechtbank stelt voorop dat blijkens de parlementaire geschiedenis de vereiste samenlevingstermijn van drie jaar bij adoptie wordt gesteld opdat er een zekere bestendigheid kan worden verwacht van het milieu waarin het kind terecht komt. Nu verzoekers zich sinds enige tijd definitief hebben gevestigd in Nederland en zij voorts aannemelijk hebben gemaakt dat zij een bestendige relatie hebben, is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het bepaalde in genoemd artikel.

5.5.

Mede op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan. Uit de stukken is voldoende duidelijk geworden dat [verzoeker 1] op dit moment met het gezag over de kinderen is belast. Tevens staat vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat de kinderen niets meer van hun biologische moeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzochte adoptie door [verzoeker 2] in het kennelijk belang van voornoemde minderjarigen is.

Gezag

5.6.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen.

5.7.

Ten aanzien van het verzoek van verzoekers strekkende tot gezamenlijke uitoefening van het gezag door verzoekers over voornoemde minderjarigen overweegt de rechtbank het volgende.

Bij voornoemde uitspraak van het Superior Court van 8 april 2014 heeft [verzoeker 1] vanaf hun geboorte het gezag over de minderjarigen gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze uitspraak voor erkenning in aanmerking nu de buitenlandse rechter zich op grond van internationaal aanvaarde maatstaven bevoegd heeft verklaard. Ook voldoet de procedure aan een behoorlijke rechtspleging. Zo is de biologische moeder van de kinderen ook in de procedure betrokken en gehoord. De gegeven uitspraak is op dit punt ook niet in strijd met de Nederlandse openbare orde. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank ten aanzien van [verzoeker 1] dan ook verstaan dat hij op basis van de Amerikaanse beslissing het gezag over de kinderen heeft en zal zijn verzoek om toekenning van het gezag naar Nederlands recht wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

Ten aanzien van [verzoeker 2] volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de wet dat op het moment dat de adoptie door [verzoeker 2] van de minderjarigen in kracht van gewijsde is gegaan hij van rechtswege het ouderlijk gezag over de minderjarigen uitoefent. Voor de periode totdat de adoptie kracht van gewijsde zal verkrijgen hebben verzoekers recht en belang bij hun verzoek ten aanzien van [verzoeker 2] . De rechtbank zal het verzoek in zoverre dan ook toewijzen.

Familierechtelijke betrekking

5.8.

Op grond van het bepaalde in artikel 1: 229 lid 3 BW blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert, hetgeen in casu het geval is.

Inschrijving/vaststelling van de geboortegegevens / erkenning van de juridische afstammingsrelatie tussen de minderjarigen en [verzoeker 1]

5.9.

Verzoekers hebben tevens verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de geboorteaktes van de minderjarigen in te schrijven met een kanttekening in de rubriek vermeldingen waarin wordt vermeld: “Bij uitspraak van The Superior Court of the State of California, County of El Dorado, Verenigde Staten van Amerika , van 8 april 2014, is het vaderschap vastgesteld van: [verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Geslachtsnaam van deze kinderen is [verzoeker 1] ”.

5.10.

De rechtbank heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren met betrekking tot de verzochte vaststelling van de geboortegegevens van de minderjarigen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de brieven van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 18 januari 2017, 15 mei 2017 en 23 januari 2018. Van een erkenning van de in de Verenigde Staten tot stand gekomen gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in Nederland als gevolg van een draagmoederschapconstructie kan geen sprake zijn volgens de ambtenaar, omdat blijkens de uitspraak van de Amerikaanse rechtbank niet [verzoeker 1] , maar [verzoeker 2] de genetisch met de minderjarigen verwante vader is. Van een verwekkerschap door [verzoeker 1] kan dan ook geen sprake zijn waardoor het een en ander niet beantwoordt aan de in Nederland geldende regels voor gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, waardoor erkenning van de afstammingsrelatie strijd met de openbare orde zou opleveren. Tevens stelt de ambtenaar dat erkenning van een dergelijke draagmoederschapsconstructie in Nederland, wegens ontbreken van wetgeving op dit vlak, niet mogelijk is.

Indien de rechtbank hier anders over oordeelt dan heeft de ambtenaar aangegeven dat bij een eventuele last tot inschrijving van de buitenlandse geboorteakten, door de ambtenaar op de akten tot uitdrukking zal worden gebracht dat de juridische afstammingsrelatie tussen de minderjarigen en [verzoeker 1] tot stand is gekomen op basis van een uitspraak van “The Superior Court of the State of California” van 8 april 2014 waarbij het vaderschap van [verzoeker 1] gerechtelijk is vastgesteld.”

Indien de rechtbank met de ambtenaar van oordeel is dat er geen sprake is van een voor erkenning vatbare, in het buitenland tot stand gekomen gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door [verzoeker 1] , zullen de geboortegegevens moeten worden vastgesteld. In de brief van 18 januari 2017 heeft de ambtenaar een wijze geschetst waarop dit zou kunnen plaatsvinden. Indien de rechtbank deze wijze zou volgen, zal de ambtenaar hier geen verweer tegen voeren.

Voorts heeft de ambtenaar nog aangevoerd dat nu op de geboorteakten mevrouw [naam draagmoeder] als moeder en de heer [verzoeker 1] als vader zijn opgenomen, inschrijven van de akten ook om die reden niet mogelijk is. De akten in deze staat inschrijven zou een vertekende beeld van de juridische realiteit weergeven. Daarnaast is het Nederlandse stelsel van de wet erop gericht dat een geboorteakte de afstamming van een persoon in (juridisch) chronologische volgorde weergeeft. Dit is tevens in lijn met het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat onder meer verlangt dat voor een kind zijn of haar afstammingshistorie voor zover mogelijk kenbaar is.

5.11.

Namens verzoekers heeft mr. W.J. Eusman betoogd dat er geen enkele reden is om niet over te gaan tot inschrijving van de geboorteaktes van de minderjarigen met een vermelding van de uitspraak waarbij het vaderschap is vastgesteld, zoals verzocht. Anders dan de ambtenaar menen verzoekers dat de geboorteakte van de kinderen niet de suggestie geeft dat de kinderen geboren zijn uit het huwelijk tussen mevrouw [naam draagmoeder] en [verzoeker 1] . Immers, aan het opmaken van de geboorteakte is de beslissing tot vaststelling van het vaderschap vooraf gegaan waaruit de afstammingshistorie van de kinderen duidelijk is op te maken. Van deze beslissing kan melding worden gemaakt op de akte van inschrijving van de geboorteakte van de kinderen.

In de opinie van verzoekers toetst de ambtenaar bij de beoordeling van de buitenlandse geboorteakten ten onrechte inhoudelijk op basis van Nederlands recht, terwijl hij slechts zou moeten volstaan met een processuele toetsing waarbij onder andere de bevoegdheid van de buitenlandse instantie wordt getoetst en wordt nagegaan of er strijdigheid bestaat met de Nederlandse openbare orde. Bovendien bepaalt artikel 10:100 lid 2 BW dat erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing, ook wanneer daarbij een Nederlander is betrokken, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde kan worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan volgens het Nederlandse conflictenrecht zou zijn toegepast. Aan toetsing van de voorwaarden van artikel 1:207 BW, hetgeen de ambtenaar doet, kan volgens verzoekers niet worden toegekomen. Door vast te houden aan de voorwaarden ingevolge artikel 1:207 BW voor de wijze waarop het vaderschap in Nederland wordt vastgesteld, haalt de ambtenaar de conflictenrechtelijke toets in de onderhavige zaak binnen.

Volgens verzoekers is er bovendien geen sprake van strijd met de openbare orde. Zij hebben aangevoerd dat het ontbreken van de genetische band bij het vaststellen van het vaderschap niet zo doorslaggevend is dat het strijd oplevert met de openbare orde. Immers in de rechtspraak is artikel 1:207 BW zo ruim uitgelegd dat het woord verwekker gelezen dient te worden als genetisch verwant. Verzoekers hebben er op gewezen dat op grond van ditzelfde artikel het ouderschap wordt vastgesteld bij de instemmende levensgezel. Verzoekers hebben voorts benadrukt dat de kinderen ook niet in hun belangen worden geschaad als het vaderschap van de niet-genetische vader door de buitenlandse rechter wordt vastgesteld. Zij betogen dat de Staatscommissie op grond van de geraadpleegde onderzoeken geconcludeerd heeft dat een kind net zo goed gedijt als het opgroeit bij genetisch verwante ouders als bij niet-genetisch verwante ouders, welke laatste wel de intentie hebben om de ouder van het kind te zijn.

5.12.

De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand van Den Haag gelasten de geboorteakten van de minderjarigen in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand in te schrijven, met de volgende “vermelding” (kanttekening) in de rubriek “vermeldingen” van de akte “Bij uitspraak van The Superior Court of the State of California, County of El Dorado, Verenigde Staten van Amerika , van 8 april 2014, is het vaderschap vastgesteld van: [verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] . Geslachtsnaam van deze kinderen is [verzoeker 1] ” en overweegt hiertoe het volgende.

5.13.

Op grond van artikel 10:100 BW wordt een in het buitenland tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, in Nederland van rechtswege erkend, tenzij er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land, aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er aan de beslissing geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging vooraf is gegaan. Evenmin is gebleken van onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van het land.

Rest de beoordeling van de vraag of de erkenning van de beslissing tot het gerechtelijk vaststellen van het vaderschap bij een niet-genetisch verwante vader door de Californische rechter kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, nu het gaat om het vaststellen van een rechtsverhouding die naar Nederlands recht niet mogelijk is.

Het enkele feit dat een beslissing van een buitenlandse rechter niet overeenstemt met bepalingen uit het Nederlands recht, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde, waaronder moet worden verstaan de beginselen en waarden van juridische, sociale of morele aard die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht. Ook anderszins is niet gebleken van strijd met de openbare orde of andere beletselen voor het inschrijven van de geboorteakten zoals verzocht.

5.14.

De rechtbank acht het met de Raad van zeer groot belang dat verzoekers er alles aan doen om er voor te zorgen dat het voor de kinderen duidelijk is hoe hun afstammingshistorie is verlopen. Gezien de uitspraken van verzoekers ter zitting, waarin zij aangeven dat zij een rol in het leven van de kinderen zien voor de draagmoeder én van de eiceldonor, gaat de rechtbank ervan uit dat verzoekers een en ander op een voor de kinderen geschikt moment gaan vertellen, zodat zij van jongs af aan hiermee bekend zijn.

5.15.

Hetgeen voorts nog door verzoekers of de ambtenaar naar voren is gebracht zal de rechtbank als reeds in het voorgaande besproken danwel als niet ter zake dienende buiten beschouwing laten.

5.16.

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing
De rechtbank:

- spreekt uit de adoptie door [verzoeker 2] van de minderjarigen:

[kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats] , [staat] ,

[land] ;

en

[kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats] , [staat] ,

[land] ;

- verstaat dat [verzoeker 1] bij uitspraak van The Superior Court of the State of California, County of El Dorado, Verenigde Staten van Amerika , van 8 april 2014 met het gezag over de kinderen is belast;

- verstaat dat de familierechtelijke betrekking van de minderjarigen met [verzoeker 1] in stand blijft;

- bepaalt dat [verzoeker 2] vanaf heden mede het gezag over voornoemde minderjarigen uitoefent;

- verklaart deze beschikking met betrekking tot het gezag uitvoerbaar bij voorraad;

- gelast ambtshalve de inschrijving van de door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in de Verenigde Staten van Amerika opgemaakte geboorteakten van voornoemde minderjarigen in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, met de volgende “vermelding” (kanttekening) in de rubriek “vermeldingen” van de akte:

“Bij uitspraak van The Superior Court of the State of California, County of El Dorado, Verenigde Staten van Amerika , van 8 april 2014, is het vaderschap vastgesteld van: [verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] . Geslachtsnaam van deze kinderen is [verzoeker 1] .”.

- gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Nijssen, voorzitter, mr. J. Kloosterhuis en mr. L. van der Heijden, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.T.C. Duijzer, griffier, op 28 februari 2018.

De griffier is buiten staat deze beschikking

te ondertekenen1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJburg 20/ Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.