Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1298

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
13/702911-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Inbraak bedrijfspand, meermalen gepleegd. ISD voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/702911-17 (Promis)

Datum uitspraak: 2 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

zonder vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentieadres] ,

verdachte heeft ter terechtzitting als postadres opgegeven: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.J. Borst, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. van Putten, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand gelegen aan/op het [adres 2] heeft weggenomen enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] en/of [de benadeelde partij] en/of [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat bedrijfspand heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] , heeft weggenomen enig geldbedrag en/of sleutels en/of bedrijfspapieren, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 3] en/of [persoon 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat bedrijfspand heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag en/of sleutels en/of bedrijfspapieren onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten op grond van de aangiftes, de bevindingen van de politieagenten ter plaatse en de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI).

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten bewezen, op grond van de aangiftes, de processen-verbaal van de politieagenten ter plaatse en de NFI-rapporten. Zowel in de broodjeszaak aan het [adres 2] , als in de kapperszaak aan de [adres 3] zijn na de inbraken bloedsporen aangetroffen. Uit de NFI-rapporten is gebleken dat het DNA-profiel dat is aangetroffen in bloed dat in beide bedrijfspanden is aangetroffen overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 17 juli 2017 een bebloede snee in zijn hand had. De rechtbank concludeert dan ook dat het bloed dat bij de broodjeszaak en de kapper is aangetroffen afkomstig is van verdachte. De bewijsmiddelen met de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen in de bijlage.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 17 juli 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan het [adres 2] heeft weggenomen enig geldbedrag, toebehorende aan [de benadeelde partij] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot dat bedrijfspand heeft verschaft door middel van braak;

2.

op 22 oktober 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] , heeft weggenomen enig geldbedrag en sleutels en bedrijfspapieren, toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot dat bedrijfspand heeft verschaft door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 De maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 (twee) jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit om geen ISD-maatregel op te leggen, maar een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden, zodat verdachte het door hem reeds in gang gezette ambulante traject kan gaan doorlopen. Verdachte staat op de wachtlijst van [instantie] . Dat is een harddrugsvrije woonvoorziening met begeleiding, waar verdachte wordt onderworpen aan urinecontroles en wordt geholpen bij alle probleemgebieden die in het reclasseringsadvies staan genoemd. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar, zodat snel toegewerkt kan worden naar een plaatsing bij [instantie] .

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 12 februari 2018, opgemaakt door R. Nuyens. Dit rapport vermeldt onder meer het volgende:

“De heer [verdachte] komt vanaf 1992 met justitie in aanraking. Onderhavige strafzaak maakt onderdeel uit van een delictpatroon. Betrokkene is een veelpleger en staat op de lijst Top600. Meerdere drangkaders hebben niet geleid tot doorbreking van zijn harddrugsverslaving en gerelateerd delictgedrag. De heer [verdachte] kampt, buiten de combinatie van harddrugsverslaving en verwervingscriminaliteit, met de volgende problemen: dakloosheid, schulden, geen kwalificaties voor de arbeidsmarkt, langdurige werkloosheid, ontbreken van een zinvolle dagbesteding, negatief sociaal netwerk, sociaal isolement, wellicht persoonlijkheidsproblematiek en onderschatting van de ernst van zijn verslavingsproblematiek.

De heer [verdachte] is middels zijn detentie in onderhavige strafzaak zowel fysiek als mentaal opgeknapt. Blijkens het verloop van eerder opgelegde drangkaders kan een toezicht betrokkene niet de structuur en begeleiding bieden die hij behoeft. Het opleggen van een drangkader in onderhavige strafzaak zal dan ook vrijwel zeker leiden tot voortzetting van zijn delictgedrag en harddrugsgebruik. Reclassering Inforsa acht derhalve oplegging van de ISD-maatregel geïndiceerd.”

Ter terechtzitting heeft Nuyens zijn advies toegelicht. Hij heeft onder meer verklaard dat de reclassering oplegging van een ISD-maatregel de enige passende afdoening vindt, nu andere modaliteiten niet zullen leiden tot gedragsverandering en voorkoming van recidive. Nuyens heeft benadrukt overtuigd te zijn van de goede wil van verdachte om te veranderen, maar het verleden heeft aangetoond dat een behandeling in een ambulant kader onvoldoende is om de gedragsverandering te bewerkstelligen. Ook meerdere klinische trajecten die in het verleden zijn ingezet zijn voortijdig beëindigd en hebben niet geleid tot doorbreking van de harddrugsverslaving. Volgens Nuyens kan die gedragsverandering alleen plaatsvinden met langdurige (klinische) hulp en zorg binnen het kader van een ISD-maatregel.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Bewezen is dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 23 januari 2018 blijkt dat verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het feit meer dan drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf voor een misdrijf. De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van die straffen. Uit het reclasseringsadvies blijkt, zoals hiervoor opgenomen, dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen.

Ook aan de voorwaarden uit de toepasselijke richtlijn van het Openbaar Ministerie is voldaan. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van feit 2.

Een doel van de ISD-maatregel is de beveiliging van de maatschappij. Verdachte veroorzaakt stelselmatig overlast. Gezien het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten, eist de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank acht het daarom passend en noodzakelijk dat de ISD-maatregel aan verdachte wordt opgelegd. Gedurende de ISD-maatregel kan verdachte zich immers niet schuldig maken aan strafbare feiten.

Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren meerdere klinische behandelingen heeft moeten ondergaan om van zijn harddrugsverslaving af te komen, die veelal voortijdig, door toedoen van verdachte, zijn beëindigd. De behandelingen hebben helaas niet geleid tot doorbreking van zijn problematiek en hebben niet geleid tot vermindering van het overlastgevende gedrag van verdachte. Verdachte kampt met een jarenlange harddrugsverslaving. Om van een zodanig langdurige verslaving af te komen, is een intensieve en langdurige behandeling nodig. Zichtbaar is de wens die verdachte heeft om van zijn verslaving af te komen. Zichtbaar is ook de overtuiging bij verdachte dat het hem dit keer, anders dan de voorgaande keren, binnen een ambulant kader, nu hij een plek kan krijgen bij de voorziening voor begeleid wonen [instantie] , wel gaat lukken om daarvan af te komen. De rechtbank deelt die overtuiging niet en is van oordeel dat de behandeling dient plaats te vinden binnen het dwangkader van een ISD-maatregel om kans van slagen te hebben. Een (deels) voorwaardelijke veroordeling met oplegging van bijzondere voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank een gepasseerd station. Er is voorts niet gebleken van redenen om de ISD-maatregel niet op te leggen.

Om de beëindiging van de verslavingsproblematiek de maximale kans te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De rechtbank ziet dat verdachte gemotiveerd is om te veranderen en hoopt dat een ISD-maatregel bewerkstelligt dat hij hierin zal slagen.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [de benadeelde partij] vordert € 2.941,10 aan materiële schadevergoeding en € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. [de benadeelde partij] vordert deze vergoedingen voor de door feit 1 geleden schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld de vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het gevoel van onveiligheid niet rechtstreeks is toe te rekenen aan het handelen van verdachte en de vordering niet is onderbouwd. Met betrekking tot de materiële schadevergoeding heeft de officier van justitie gevorderd het gedeelte van de vordering dat ziet op de deuren niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet is gebleken dat de schade is geleden en de schade niet is onderbouwd. Ten aanzien van het gedeelte dat ziet op de reparatie van het raam en het raamkozijn heeft de officier van justitie de schade op een bedrag van € 750,00 geschat en gevorderd dat dit bedrag wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering niet is onderbouwd. De schade van het raam is nog niet vergoed en er is geen offerte overlegd, waardoor de hoogte van die schade nog niet geraamd kan worden. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de psychische schade niet is onderbouwd en dat de gevoelens van onveiligheid niet enkel door de onderhavige zaak te weeg zijn gebracht. De raadsvrouw wijst er in dit verband ook op dat aangever [persoon 1] verdachte heeft mishandeld. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de materiële schadevergoeding met betrekking tot het raam op een lager bedrag te schatten dan € 750,00.

De vordering tot immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding. De immateriële schade is onvoldoende onderbouwd en de gevoelens van onveiligheid komen niet voor vergoeding in aanmerking.

De benadeelde partij zal in de vordering tot materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd en in deze strafprocedure onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd voor rekening van de benadeelde partij komt. De benadeelde partij kan zich voor dit gedeelte tot de civiele rechter wenden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Verklaart [de benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering tot materiële schadevergoeding, voor het gedeelte van € 2.941,10.

Wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding van [de benadeelde partij] af, voor het gedeelte van € 2.500,00.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en F.P. Lauwaars, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 2018.