Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1178

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
AMS 17/6493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een vrouw moet de belastingdienst ruim 17.000 euro aan kinderopvangtoeslag over 2015 terugbetalen, omdat zij niet kon aantonen dat een gedeelte van het geld daadwerkelijk naar de kinderopvang was gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6493

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: B.D. van der Hoog).

Procesverloop

Met het besluit van 28 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 definitief vastgesteld op nihil.

Met het besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres heeft per 1 november 2014 kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de opvang van haar twee kinderen bij kinderopvanginstelling ‘ [naam] ’ voor tweehonderd uren per maand. Verweerder heeft eiseres daarna met verschillende besluiten bij voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 toegekend. De laatste keer was met het besluit van 29 december 2015, waarbij voorschotten kinderopvangtoeslag zijn toegekend tot een bedrag van € 17.107,-.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 definitief berekend en vastgesteld op nihil. Dit betekent dat eiseres € 17.671,- moet terugbetalen. Dat bedrag bestaat uit de toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag van € 17.107,- en een bedrag aan rente van € 564,-.

3. Verweerder heeft eiseres meermaals verzocht om aanvullende informatie te verstrekken, zodat het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 definitief vast kan worden gesteld. Eiseres heeft op deze verzoeken gereageerd en ook stukken overgelegd.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit de door eiseres ingezonden bewijsstukken geen recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 volgt. Eiseres heeft niet aangetoond de volledige opvangkosten over 2015 aan de kinderopvanginstelling te hebben betaald. Volgens de door eiseres ingestuurde jaaropgaven en betalingsbewijzen blijkt er een restbedrag van € 2.601,50 open te staan. Eiseres heeft geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat zij dit bedrag in januari 2016 contant heeft voldaan, zoals zij stelt. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in 2015 voldoende gewerkt heeft om kinderopvangtoeslag te ontvangen voor alle door haar aangevraagde opvanguren. Een door eiseres overgelegde handgeschreven agenda is onvoldoende bewijs voor haar stelling dat zij in 2015 werkzaam was in haar eigen eenmanszaak. Eiseres heeft haar stelling dat zij in totaal 2.366 uren heeft gewerkt evenmin onderbouwd met bewijsstukken. Bovendien heeft zij desgevraagd niet vijf facturen van haar eenmanszaak overgelegd.

Standpunt eiseres

5. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Zij heeft de facturen voldaan, maar kan alleen de contante betaling van € 2.601,50 niet onderbouwen omdat zij de bon nog steeds niet heeft kunnen vinden. Zij vindt het onredelijk dat zij in 2015 zo hard gewerkt heeft en daar bovenop ook nog eens het gehele bedrag van de kinderopvangtoeslag terug moet betalen. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat zij wel aan het urencriterium heeft voldaan. Zij is aanvankelijk aan huis begonnen, maar heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om tegenover de opvang van haar kinderen te werken om haar zaak verder te professionaliseren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep een drietal facturen, een afschrift van haar zakelijke rekening met pinbetalingen van klanten en een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd.

Kosten

6.1.

Op grond van artikel 1.3, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteit peuterspeelzalen (Wkkp) is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) op de Wkkp van toepassing. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1, volgt uit artikel 18 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Het is de verantwoordelijkheid van de ontvanger van de kinderopvangtoeslag om daartoe een deugdelijke administratie bij te houden. Voorts dienen de verschuldigde kosten volledig te zijn betaald.

6.2.

Uit de door eiseres overgelegde jaaroverzichten van 31 december 2015 van ‘ [naam] ’ blijkt dat de kosten voor kinderopvang in het jaar 2015 voor haar twee kinderen in totaal € 18.787,50 bedragen. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres heeft aangetoond in totaal € 16.186,- aan kosten voor kinderopvang te hebben betaald. Eiseres heeft zich ten aanzien van het resterende bedrag van € 2.601,50 op het standpunt gesteld dat zij dit in januari 2016 contant heeft voldaan, maar dat zij de bon daarvan nog steeds niet heeft kunnen vinden. Ter zitting heeft eiseres uitgelegd dat zij wel een handgeschreven bon heeft ontvangen, maar deze in haar jaszak heeft gestopt en vervolgens is kwijtgeraakt.

6.3.

Dat eiseres geen betalingsbewijs van de door haar gestelde contante betaling heeft overgelegd, betekent dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij alle kosten voor kinderopvang in het jaar 2015 heeft voldaan. Op grond van de onder 6.1 genoemde regels heeft eiseres voor het jaar 2015 dan ook geen recht op kinderopvangtoeslag. Het maakt daarbij geen verschil dat eiseres een groot gedeelte van de opvangkosten wel heeft voldaan. Eiseres kan immers geen aanspraak maken op een toekenning naar rato van wat zij wel heeft betaald.2 Omdat er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag in het jaar 2015 moet eiseres het volledige bedrag terugbetalen.

Gewerkte uren

7. Nu de rechtbank oordeelt dat eiseres in het jaar 2015 geen recht op kinderopvangtoeslag heeft, omdat niet is aangetoond dat zij alle kosten voor kinderopvang heeft betaald, zal de rechtbank de vraag of zij al dan niet aan het urencriterium heeft voldaan niet bespreken.

Conclusie

8. De conclusie is dat verweerder het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 terecht heeft vastgesteld op nihil. Het beroep is daarom ongegrond.

9. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting gewezen op de mogelijkheid dat eiseres een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling doet en dat hij op de afwikkeling daarvan persoonlijk zal toezien. In dat verband heeft de gemachtigde van verweerder opgemerkt dat bij het ontstaan van de terugvordering geen sprake is van opzet of grove schuld aan de kant van eiseres.

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.S. Boomhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:137.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114.