Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1111

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
AMS - 17 _ 3173
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een terrasboot moet worden bestempeld als ‘object’ waar een ontheffing voor nodig is. Daarom mocht de bestuurscommissie Centrum de eigenaar een last onder dwangsom opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3173

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Klompé),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Centrum, verweerder

(gemachtigde: mr. E.G. Blees).

Procesverloop

Met het besluit van 19 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd.

Met het besluit van 12 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Onderwerp van de procedure

1.1.

Op 27 juli 2016 hebben toezichthouders van verweerder gezien dat de terrasboot de ‘ [terrasboot] ’ naast de woonboot [woonboot] op de [adres] lag afgemeerd. Op 14 november 2016 heeft verweerder eiser laten weten het voornemen te hebben hem een last onder dwangsom op te leggen, inhoudende de ‘ [terrasboot] ’ weg te halen en weg te houden uit het beheergebied van stadsdeel Centrum. Als hij dit niet binnen vier weken doet, moet hij een dwangsom betalen van € 1.250,- per geconstateerde overtreding per twee weken, met een maximum van € 2.500,. De reden hiervoor is dat de ‘ [terrasboot] ’ volgens verweerder een object is, waarvoor geen ontheffing is verleend, zoals vereist volgens de regels van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob)1. Eiser heeft niet gereageerd op het voornemen. Eiser heeft de ‘ [terrasboot] ’ weggehaald.

1.2.

Met het primaire besluit heeft verweerder eiser de voorgenomen last onder dwangsom opgelegd. Hoewel eiser de ‘ [terrasboot] ’ weggehaald had, heeft verweerder toch een last onder dwangsom opgelegd, omdat de ‘ [terrasboot] ’ al vaker was weggehaald en daarna terug was geplaatst.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De ‘ [terrasboot] ’ is volgens verweerder een object en geen pleziervaartuig omdat het vaartuig naar bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken, niet duidelijk, naar objectieve maatstaven als een pleziervaartuig is te herkennen. Dat de ‘ [terrasboot] ’ een CE-keurmerk heeft en binnen andere regelingen voldoet aan de definitie van pleziervaartuig is niet relevant, aldus verweerder.

3. Eiser stelt in beroep dat verweerder de ‘ [terrasboot] ’ ten onrechte heeft gekwalificeerd als object. De ‘ [terrasboot] ’ is niet een of ander platvorm, dekschuit of ponton, dat door eiser tot pleziervaartuig is omgebouwd, maar een vaartuig dat eiser in 2010/2011 nieuw van een gespecialiseerde werf in Denemarken als pleziervaartuig heeft gekocht. Het vaartuig is door de bouwer conform de Wet pleziervaartuigen 2016 (Wet pleziervaartuigen) gebouwd en van CE-certificering voorzien en voldoet daarmee aan de definitie van een pleziervaartuig in de Vob: een schip hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.


Doel van de Vob en de Wet pleziervaartuigen

4. De rechtbank stelt vast dat in de Vob en de Wet pleziervaartuigen verschillende definities worden gebruikt voor de term pleziervaartuig. Van strijdigheid is echter geen sprake, omdat de Vob en de Wet pleziervaartuigen verschillende doelen hebben. De Vob ziet op de inrichting en het beheer van de openbare wateren, onder andere door het doelmatig gebruik van de ligplaatscapaciteit en de Wet pleziervaartuigen stelt regels met betrekking tot de veiligheid en het in de handel brengen van pleziervaartuigen, onder andere over een CE‑keurmerk. Daarom is het voldoen aan de definitie voor een pleziervaartuig in de Wet pleziervaartuigen of het hebben van een CE‑keurmerk niet relevant voor de vraag of ligplaats ingenomen mag worden op grond van de Vob.


Definitie van een pleziervaartuig

6.1.

Op grond van artikel 2.2.1, aanhef en onder d, van de Vob wordt onder een pleziervaartuig verstaan een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet‑bedrijfsmatige varende recreatie. Niet in geschil is dat de ‘ [terrasboot] ’ hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie. De vraag ligt voor of de ‘ [terrasboot] ’ daartoe ook is bestemd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in zijn uitspraak van 12 oktober 20162 overwogen dat verweerder in redelijkheid aansluiting kan zoeken bij de toelichting bij artikel 2.2.1 voor de invulling van het criterium “hoofdzakelijk bestemd voor” en dat de bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken van een vaartuig een rol spelen bij de hoofdzakelijke bestemming van een vaartuig. Zoals in de toelichting bij de Vob staat, dient het vaartuig naar bouw, inrichting of uiterlijke kenmerken duidelijk, naar objectieve maatstaven, als zodanig te herkennen zijn. Van strijd met het legaliteitsbeginsel, zoals eiser stelt, is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

6.2.

Eiser voert voorts aan dat men pas aan de bouw, inrichting of uiterlijke kenmerken van de ‘ [terrasboot] ’ toekomt als er twijfel zou zijn over de bestemming van de ‘ [terrasboot] ’. Aangezien de ‘ [terrasboot] ’ vanaf de eerste dag bestemd was als pleziervaartuig en er dus geenszins twijfel is aan de bestemming van het vaartuig, de bouw, inrichting of uiterlijke kenmerken, kan dat geen rol spelen bij de beoordeling of de ‘ [terrasboot] ’ een pleziervaartuig is, aldus eiser. De rechtbank volgt eiser hierin niet reeds omdat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat de bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken van een vaartuig wel degelijk een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of een vaartuig in de zin van de Vob een pleziervaartuig is.


Is de ‘ [terrasboot] ’ een pleziervaartuig of een object?

7.

7.1.

In het dossier bevinden zich verschillende foto’s van de ‘ [terrasboot] ’. Partijen hebben op de zitting bevestigd dat de ‘ [terrasboot] ’ moet worden beoordeeld zoals getoond op bovenstaande op de zitting overgelegde kleurenfoto en op de drie kleurenfoto’s in het dossier die door eiser in beroep zijn overgelegd als productie 16.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat de ‘ [terrasboot] ’ een rechthoekig, houten vlak is, dat is gebouwd op vier metalen buizen die als drijver fungeren, met een metalen reling die aan de voor- en achterkant dicht is. Op het houten vlak staat een stuurkolom met daaraan een gashendel. Op sommige, maar niet alle, van de hiervoor onder 7.1 genoemde foto’s is te zien dat op de ‘ [terrasboot] ’ banken en een tafel zijn geplaatst. Op de hierboven getoonde foto staan die wel. Er kan niet gehoosd worden. De rechtbank is van oordeel dat de ‘ [terrasboot] ’ meer gelijkenissen vertoont met een vlot dan met een schip met boeg en achtersteven. Gelet op de bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de ‘ [terrasboot] ’ in de zin artikel 2.1.1 van de Vob geen pleziervaartuig is als bedoeld onder d, maar een object als bedoeld onder e.


Belangenafweging

8. Omdat eiser de ‘ [terrasboot] ’ in strijd met het verbod in artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vob naast zijn woonboot had afgemeerd, was verweerder bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling3 moet een bestuursorgaan in de regel gebruik maken van handhavingsmiddelen als vaststaat dat sprake is van een overtreding, vanwege het algemeen belang dat bestaat bij het beëindigen van illegale situaties. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden mag van een bestuursorgaan worden gevergd niet te handhaven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van concreet zicht op legalisatie. Ook kan handhavend optreden zo onevenredig zijn dat daarvan behoort te worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit het algemeen belang voldoende afgewogen met het belang van eiser door te overwegen dat de ruimte op het water gewaarborgd moet worden en voorkomen moet worden dat het openbaar water naar eigen inzicht ingericht wordt. De beroepsgrond faalt.


Gelijkheidsbeginsel

9. Eiser stelt dat andere vaartuigen die naar bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken evenmin herkenbaar zijn als pleziervaartuig, door verweerder wel als pleziervaartuig worden aangemerkt. Daartoe heeft eiser in beroep kleurenfoto’s overgelegd als productie 18. De rechtbank begrijpt deze grond aldus, dat eiser stelt dat verweerder in vergelijkbare gevallen niet tot handhaving overgaat. Verweerder heeft op de zitting betwist dat in vergelijkbare gevallen niet gehandhaafd wordt. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van eiser om te onderbouwen dat het in de door eiser gestelde gevallen om pleziervaartuigen in de zin van de Vob gaat. Dat heeft eiser niet gedaan. Reeds daarom faalt deze grond.


Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel

10.1.

Eiser stelt dat het besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat hem tijdens eerdere controles in 2011 geen strobreed in de weg is gelegd. Pas in 2016 heeft verweerder volgens eiser het beleid gewijzigd en is hij tegen pontonboten gaan optreden. Ook heeft eiser ieder jaar havengeld naar het tarief voor pleziervaartuigen betaald voor de ‘ [terrasboot] ’. Daarom is bij eiser het vertrouwen gewekt en bestendigd dat de ‘ [terrasboot] ’ ook door verweerder als pleziervaartuig werd gezien.

10.2.

Van een wijziging van de Vob tussen 2011 en 2016 ten aanzien van objecten en pleziervaartuigen is de rechtbank niet gebleken.

10.3.

De rechtbank verwijst daarnaast naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 20104. De enkele omstandigheid dat verweerder bekend was met de illegale situatie, maar gedurende lange tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen, brengt niet met zich dat niet meer handhavend mocht worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. Ook brengt dit niet met zich dat verweerder bij eiser het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat ook in de toekomst niet handhavend zal worden opgetreden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is een concrete en ondubbelzinnige toezegging door een bevoegd orgaan nodig en daarvan is niet gebleken.

10.4.

Evenmin leidt betaling van het havengeld tot het oordeel dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien, omdat – zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht en eiser niet heeft bestreden – havengeld op eigen aanvraag betaald wordt en er geen juridische check plaatsvindt of het vaartuig voldoet aan een pleziervaartuig in de zin van de Vob.


Omschrijving van de last

11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de last onduidelijk is geformuleerd. De omschrijving van de last, het object weghalen en weg houden uit het beheergebied van stadsdeel Centrum, sluit aan bij de definitie van een object in artikel 2.2.1, onder e, van de Vob: een al dan niet drijvend voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd (…). Eiser mag de ’ [terrasboot] ’ dus niet in het beheergebied afmeren. De Vob regelt niet het varend verkeer op de binnenwateren. Het is eiser daarom niet verboden door de Amsterdamse binnenwateren te varen.


Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, voorzitter, en mr. E.J. Otten en

mr. L.Z. Achouak el Idrissi, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Verordening op het binnenwater 2010 (Vob)

Artikel 2.2.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. pleziervaartuig: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie;

e. object: een al dan niet drijvend voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;

(…)

Artikel 2.5.2 Objecten

1. Het is verboden een object in, op of boven het water te plaatsen of te houden.

2. Het college kan van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

Toelichting op de Verordening op het binnenwater 2010

d. Pleziervaartuig

Het begrip varende recreatie geeft onder meer het onderscheid aan tussen een pleziervaartuig en een (meestal duurzaam op een ligplaats afgemeerde) woonboot. Ook hier heeft het begrip bestemmen een objectieve betekenis. De beantwoording van de vraag, of een vaartuig als pleziervaartuig kan worden aangemerkt dient, evenals bij woonboten, te geschieden naar spraakgebruik.

Het vaartuig dient naar bouw, inrichting of uiterlijke kenmerken duidelijk, naar objectieve maatstaven, als zodanig te herkennen zijn. Een belanghebbende die een buitenboordmotor hangt aan bijvoorbeeld een dekschuit, kan daarmee dus niet zijn object bestemmen tot pleziervaartuig. Als een pleziervaartuig bijvoorbeeld duidelijk waarneembaar bewoond wordt of als buitenruimte wordt gebruikt, is er geen sprake van een pleziervaartuig. Bijlage A bevat afbeeldingen van objecten die niet als pleziervaartuig worden aangemerkt.

e. Object

Onder het begrip object vallen voorwerpen en vaartuigen die niet onder één van de andere begripsomschrijvingen zijn te brengen. Tevens zijn hieronder begrepen in aanbouw zijnde schepen, vaartuigen, casco's enz. Vanwege het in aanbouw zijn is het niet reëel de bepalingen voor de desbetreffende categorie in volbouwde staat van toepassing te verklaren.

1 Zie bijlage.

2 ECLI:NL:RVS:2016:2708.

3 Zie de uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1344).

4 ECLI:NL:RVS:2010:BN1883.