Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1074

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopig geen bijstand voor vrouw die stelt het slachtoffer te zijn geworden van een persoons-verwisseling met daar zus. Dat daar sprake van is, moet zij zelf onderbouwen. Voldoende staat vast dat niet haar zus, maar zijzelf naast haar uitkering werkte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/359

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2018 in de zaak tussen

[verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulders).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) vanaf 22 november 2017 stopgezet.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure - hier de bezwaarprocedure - niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter let daarbij op de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepszaak.

2. Verweerder heeft in het primaire besluit overwogen dat hij niet kan vaststellen of verzoekster recht heeft op bijstand. Verzoekster heeft namelijk niet alle informatie gegeven. Zij heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze informatie alsnog aan verweerder te geven. Daarom stopt verweerder de uitkering vanaf 22 november 2017.

3. Aan het primaire besluit ligt het rapport van 18 december 2017 (het rapport) ten grondslag. Daarin staan, kort weergegeven, de volgende bevindingen opgenomen:

“- Tijdens drie waarnemingen ter plaatse (winkel [naam winkel] , [plaats 1] ) is vastgesteld dat klant [verzoekster] in ieder geval vanaf 22 november 2017, op loon waardeerbare werkzaamheden in de winkel verricht.

- Klant heeft verklaard dat zij geen werkzaamheden verricht in de winkel en dat zij het niet is die wij tijdens ons waarnemingen hebben aangetroffen, dit is echter niet aannemelijk.

- Klant heeft tijdens het gesprek op kantoor verklaard dat het haar zusje was die in de winkel aan het werk was. Klant bleef erbij dat zij het niet is geweest.

- Collega’s handhavingsspecialisten en ik herkenden klant als zijnde [verzoekster] die in de winkel werkend is aangetroffen.

- Klant is op woensdag 22 november 2017, donderdag 30 november 2017 en vrijdag

1 december 2017, werkend aangetroffen in de winkel [naam winkel] in [plaats 1] .

- Klant is eerder in 2015, in onderzoek genomen door de afdeling handhaving. Ook toen was klant werkend aangetroffen in de winkel [naam winkel] in [plaats 2] op het adres [adres] .

Had klant [verzoekster] bedoelde werkzaamheden en/of inkomsten wel naar waarheid opgegeven aan gemeente Amsterdam, dan was aan haar in het geheel geen dan wel een lagere uitkering verstrekt. Hierdoor is gemeente Amsterdam benadeeld. Niet is vast te stellen in hoeverre klant [verzoekster] verkeert in de omstandigheden zoals genoemd in artikel 11 lid 1 Participatiewet.”

In het rapport is geadviseerd de bijstand te beëindigden met ingang van 22 november 2017 en ten onrechte ontvangen uitkering over de maand november tot en met heden terug te vorderen.

4. Verzoekster meent dat zij wel aan alle voorwaarden voor een bijstandsuitkering voldoet. Ook heeft zij alle relevante informatie aan verweerder verschaft. Niet verzoekster, maar haar zus was werkzaam in [naam winkel] . Er is dus sprake van een persoonsverwisseling. Haar zus maakt vaker misbruik van de identiteit van verzoekster. Onlangs heeft verzoekster bijvoorbeeld een boete moeten betalen wegens rijden onder invloed door haar zus.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het rapport volgt dat handhavingsspecialist [naam 1] , die verzoekster eerder in onderzoek heeft gehad, samen met zijn collega [naam 2] op 22 november 2017 waarneming ter plaatse bij [naam winkel] in [plaats 1] heeft gedaan. Op 30 november 2017 hebben handhavingsspecialisten [naam 3] en [naam 4] een waarneming ter plaatse in [naam winkel] in [plaats 1] gedaan. Ten slotte hebben handhavingsspecialisten [naam 5] en [naam 6] op 1 december 2017 een waarneming ter plaatse in [naam winkel] in [plaats 1] gedaan. Allen herkenden zij verzoekster aan de hand van een kopie van het identiteitsbewijs uit het uitkeringsdossier. Op basis hiervan heeft verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, kunnen concluderen dat verzoekster bij [naam winkel] in [plaats 1] op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Verzoekster heeft daar enkel tegenover gesteld dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling met haar zus. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting aangegeven dat zij haar zus tot dusver (vrijwel) niet heeft aangesproken op haar gedrag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de adstructieplicht dat sprake is van een persoonsverwisseling op verzoekster rust. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij foto’s van zichzelf en haar zus overgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in de gegeven omstandigheden onvoldoende. Verweerder mag meer van verzoekster verlangen om haar stelling te adstrueren.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het primaire besluit in bezwaar naar alle waarschijnlijkheid in stand blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling of veroordeling in het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.