Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1068

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
13/680347-16 (zaak A) en 13/689270-17 (zaak B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 12 maanden voor twee woninginbraken (gepleegd tezamen en in vereniging met anderen) en het verhandelen van 500 gram hennep. Partiele vrijspraak woningoverval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/680347-16 (zaak A) en 13/689270-17 (zaak B) (Promis)

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018.

1.2

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaken worden hierna zaak A en zaak B genoemd.

1.3

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat de raadsman van verdachte mr. K. Chr. Spee naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting van 7 februari 2018, – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A: het tezamen en in vereniging plegen van een woningoverval in of omstreeks de periode 21 februari 2017 tot en met 22 februari 2017;

Zaak B onder feit 1: het tezamen en in vereniging plegen van een woninginbraak op 22 februari 2017;

Zaak B onder feit 2: het tezamen en in vereniging verhandelen van 500 gram hennep op 15 februari 2017.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt vrijspraak voor het ten laste gelegde geweldselement dan wel de bedreiging met geweld in zaak A. Ten aanzien van de inbraak en de diefstal van de telefoon refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman bepleit vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten in zaak B.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde

Inleiding

Begin februari 2016 werd naar verdachte een opsporingsonderzoek gestart naar de handel in verdovende middelen. Dit onderzoek werd uiteindelijk niet gecontinueerd vanwege, onder andere, het vertrek van verdachte naar Marokko. Vanaf 16 september 2016 bleek uit het politiesysteem dat er diverse mutaties waren waarbij [verdachte] diverse malen gecontroleerd dan wel staande gehouden is. Bij het onderzoeksteam rees het vermoeden dat verdachte zich (nog steeds) op enige wijze bezig hield met de handel in verdovende middelen en/of het voorhanden hebben van vuurwapens. Naar aanleiding van vorenstaande is op 13 december 2016 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 13Oogappel. Gedurende het onderzoek zijn er diverse telefoontaps aangesloten op de telefoonnummers van verdachte. Op 22 februari 2017 vond er een communicatie plaats tussen verdachte en de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] . Hieruit rees het vermoeden dat zij bezig waren om een persoon af te leggen. [verdachte] werd vermoedelijk naar de woning van de afgelegde man gestuurd. De afgelegde man zou in de coffeeshop zijn en zijn vrouw aan het werk.

Aangeefster heeft verklaard dat zij zich op 22 februari 2017 omstreeks 22.00 uur alleen in haar woning bevond toen zij gerommel hoorde uit de richting van de keuken. Nadat zij het licht had aangedaan en richting de keuken keek, zag zij twee mannen en hoorde een derde praten. Zij verklaart dat één van de mannen een breekijzer in zijn handen had. Een andere man had een vuurwapen in zijn rechterhand en schreeuwde: ‘Kutwijf, geef geld, ik ga je schieten’. Zij hoorde dat de mannen riepen dat ze snel moesten gaan zoeken. De man met het vuurwapen richtte deze op aangeefster en schreeuwde: ‘Kutwijf geef me je geld, ik ga je dood schieten, waar is je geld’. Aangeefster is naar buiten gerend en heeft om hulp geschreeuwd. Toen is zij weer naar binnen gerend. Zij riep dat zij één van de mannen herkende aan zijn stem en een andere man wel eens eerder had gezien. Nadat één van de mannen haar laptop naar haar toe gooide zijn ze weggerend via de tuinkant. Aangeefster is toen weer naar buiten gerend waar zij haar buurvrouw en zoon zag aan komen lopen. Na het incident kwam aangeefster erachter dat de mannen haar mobiele telefoon hadden meegenomen.

Verdachte heeft bekend dat hij met twee mannen op de bewuste avond naar de woning van aangeefster is gereden en daar heeft ingebroken. Eén van hen heeft de telefoon van aangeefster weggenomen. Gelet op de verklaring van verdachte en de inhoud van de overige bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal.

Partiële vrijspraak

In tegenstelling tot wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank niet bewezen dat de diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd met geweld, dan wel sprake was van bedreiging met geweld, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De aangifte van aangeefster wordt met betrekking tot het geweldselement naar het oordeel van de rechtbank niet ondersteund door enig ander bewijs. Bij geen van de verdachten is een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp dan wel een breekijzer aangetroffen. Voorts kan op grond van de camerabeelden niet worden vastgesteld dat verdachte of één van zijn medeverdachten een vuurwapen of een breekijzer bij zich had. Aangeefster is kort nadat zij de mannen in de woning ontdekte naar buiten gerend en heeft om hulp geroepen. Aan haar toegesnelde buren heeft zij verteld wat er zich in de woning had afgespeeld. Geen van deze getuigen heeft verklaard dat zij aangeefster hoorde praten over een vuurwapen, een breekijzer of dreiging met geweld. Dat de dag voorafgaand aan de woninginbraak een breekijzer door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is aangeschaft is opmerkelijk, maar doet aan het voorgaande niet af. Aangeefster heeft voorts, zowel bij de politie als de rechter-commissaris, niet verklaard dat zij door één van de verdachten is vastgehouden. Het tapgesprek met sessienummer 3999 waarin verdachte zegt dat hij met [bijnaam 1] en [bijnaam 2] die ‘chickie’ hebben vastgehouden, is tegen de achtergrond van de verklaring van aangeefster onvoldoende voor het oordeel dat zij is vastgehouden.

Oordeel ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder 1 en 2 van zaak B zoals hierna in rubriek 5 is weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A 13/680347-16

op 22 februari 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan [adres 1] , een telefoon (Samsung S6 Edge), toebehorende aan [benadeelde 1] ,

waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Zaak B (13/689270-17)

1.

op 22 februari 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan het

[adres 2] heeft weggenomen geld, te weten ongeveer 3200,- euro

en jassen van het merk Canada Goose en Parajumpers en schoenen en een dekbedovertrek,

toebehorende aan [benadeelde 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen en geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

2.

op 15 februari 2017 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van

ongeveer 500 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 (vierenhalf) jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de eis van de officier van justitie aanzienlijk te matigen gelet op de partiële vrijspraak die hij heeft bepleit in zaak A en de vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in zaak B. De raadsman verwijst naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die bij een woninginbraak uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie tot zeven maanden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee woninginbraken. Dit zijn ernstige feiten en verdachte heeft geen oog gehad voor het leed en de overlast die hij daarmee voor anderen heeft aangericht en heeft alleen gedacht aan de (geldelijke) opbrengst van de inbraken. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor velen onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.

Dergelijke feiten hebben veel impact en zorgen voor gevoelens van onveiligheid.

Het moet in het bijzonder voor aangeefster [benadeelde 1] een angstige ervaring zijn geweest omdat zij verdachte en medeverdachten tijdens de inbraak in haar woning heeft aangetroffen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en afleveren van ongeveer 500 gram hennep. Ook hier heeft verdachte enkel gehandeld uit eigen financieel gewin. De uit de hennep verkregen stof is bij overmatig gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

Over verdachte is een (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 24 mei 2017 uitgebracht, waaruit blijkt dat de reclassering nieuw delictgedrag niet uitsluit. De reclassering stelt dat een toezicht op bijzondere voorwaarden en directe interventies/behandelingen niet zijn geïndiceerd gelet op de sterke afwijzing van verdachte richting hulpverlening.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 januari 2018. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een woninginbraak, diefstallen en overtredingen van de Opiumwet. Voorts heeft verdachte door niet ter terechtzitting te verschijnen blijk gegeven geen verantwoordelijk te willen nemen voor zijn handelen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een woninginbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden als sprake is van recidive.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden met aftrek van voorarrest, een passende straf is.

De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd. De partiële vrijspraak van het in zaak A ten laste gelegde is daartoe mede bepalend.

9 Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert ter zake van het in zaak A ten laste gelegde een materiële schadevergoeding van € 591,60 en een immateriële schadevergoeding van € 1.700,-te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat het materiële deel van de vordering inhoudende de mobiele telefoon niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd de kosten van de laptop en het immateriële deel van de vordering geheel hoofdelijk toe te wijzen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering af te wijzen voor zover deze ziet op de post ‘mobiele telefoon’. De raadsman verzoekt de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te verlagen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de post ‘mobiele telefoon’ afwijzen, nu aangeefster deze telefoon weer in haar bezit heeft en er daarmee dus geen schade is ontstaan. De benadeelde partij zal ten aanzien van de post ‘laptop’ niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat onvoldoende vast is komen te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het in zaak A bewezen verklaarde feit.

De benadeelde partij zal op het punt van de immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard omdat verdachte partieel wordt vrijgesproken van het geweldselement en de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. Uit het voegingsformulier blijkt dat de benadeelde – kort gezegd – gevoelens van angst heeft ervaren en de eerste week na de inbraak slecht sliep. Volgens de wet is het verhalen (op daders) van negatieve gevoelens alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting op de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Dergelijk letsel is niet gesteld of gebleken middels ingebrachte psychische rapportages, zodat de gestelde angst- en schrikgevoelens door benadeelde partij onvoldoende zijn om aanspraak te kunnen maken op immateriële schade.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A en het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor zover deze ziet op de post ‘mobiele telefoon’. Verklaart [benadeelde 1] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. J.H.J. Evers en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2018.

Bijlage 1

[bijlage]

[bijlage]

[bijlage]

[bijlage]