Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1047

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
13-752193-17 RK 18-17
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen. Verzamelvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752193-17

RK nummer: 18/17

Datum uitspraak: 22 februari 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 december 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 september 2014 door the Circuit Law Court in Świdnica, 3rd Criminal Division, Polen, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van de volgende vonnissen, alle gewezen door the District Law Court of Kłodzko:

- VI KL 1080/10,
combined judgement gedateerd 23 november 2010. Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren.
Volgens informatie in het EAB onder d) is de opgeëiste persoon in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.
Bij beslissing van the Circuit Law Court in Świdnica is op 4 september 2012 bepaald dat de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, maar bij beslissing van 5 december 2013 heeft ditzelfde gerecht de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen en de tenuitvoerlegging gelast van het resterende strafdeel (twee jaren, acht maanden en elf dagen).

Uit het EAB volgt dat dit vonnis van 23 november 2010 een samengesteld vonnis is, waar de volgende uitspraken van the District Law Court of Klodzko zijn verdisconteerd:

- een vonnis van 13 november 2006 (VIII K 1118/06) –

- een vonnis van 6 maart 2007 (VIII K 1419/06)

- een vonnis van 2 juni 2010 (II K 401/06)

  • -

    VI K 569/13,
    gedateerd 16 oktober 2013. Dit betreft een bij verstek gewezen vonnis.
    Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, waarvan nog negen maanden en 27 dagen resten.

  • -

    VI K 852/13,
    gedateerd 17 april 2014. Ook dit vonnis is bij verstek gewezen.
    Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraffen door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

VI KL 1080/10

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat dit vonnis van 23 november 2010 is aan te merken als een verzamelvonnis. Dit brengt met zich dat zowel de beslissing waarbij onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en hem op grond daarvan een vrijheidsstraf is opgelegd als de beslissing waarbij de duur van die straf is gewijzigd en waarbij de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt, dienen te worden getoetst aan art. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ/art. 12 OLW (HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek)).

De rechtbank stelt op basis van het EAB en aanvullende informatie van de uitvaardigende instantie gedateerd 29 januari 2018, 2 februari 2018 en 7 februari 2018 het volgende vast.

Verdachte is in persoon aanwezig geweest bij de behandeling ter terechtzitting die heeft geleid tot het verzamelvonnis van 23 november 2010. Dit is de beslissing geweest waarbij de duur van de in 2006, 2007 en 2010 opgelegde gevangenisstraffen is gewijzigd.

Voor de onderliggende vonnissen van 13 november 2006 en van 6 maart 2007 geldt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting en dat die vonnissen - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met d OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren voor het verzamelvonnis voor zover dat ziet op de straffen, opgelegd bij de vonnissen met kenmerk VIII K 1118/06 en VIII K 1419/06

Ten aanzien van het vonnis van 2 juni 2010 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 26 mei 2010 persoonlijk is geïnformeerd over de datum van de inhoudelijke behandeling van 2 juni 2010. Hij is tijdens de behandeling niet verschenen. Een kopie van het vonnis met informatie over de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep en de termijn daarvoor, is per post aan de opgeëiste persoon toegestuurd. Hij heeft op 4 juni 2010 getekend voor ontvangst en geen hoger beroep ingesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voor het vonnis van 2 juni 2010 (II K 401/06) voldaan aan de in artikel 12, onder c OLW genoemde omstandigheid. Nu verdachte bovendien in persoon is verschenen op de behandeling die heeft geleid tot het verzamelvonnis van 23 november 2010, voldoet het EAB op dit onderdeel aan de vereisten van artikel 12 OLW.

VI K 569/13 en VI K 852/13:

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Voorts bevat het EAB de volgende informatie:

VI KK 569/13:
the person was served with the decision on the 18th of October 2013 and was expressly informed about the right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed or modified.

The person did not request a retrial or appeal within the applicable time frame.

Over de wijze waarop de dagvaarding/oproeping aan de opgeëiste persoon verzonden is bevat het EAB de volgende informatie:

On 13.09.2013 the accused [opgeëiste persoon] was sent, by post, a summons to appear in court. The summons, in which he was informed of the scheduled date and place of the trial, was picked up by an adult member of his household on 16.09.2013.
On 16.10.2013, at the main trial, pursuant to Art. 479 §1 of the criminal procedure code (k.p.k.) the court decided to conduct the proceedings in the absence of the accused. On 16.10.2013, at the main trial, pursuant to Art.482 §1 of k.p.k. the court ordered that the accused should be served both a copy of the default judgment and legal instruction with.

On 18.10.2013 an adult member of his household picked up the mail - containing the copy of the default judgment and the legal instruction – sent by the court to the accused.

On 26.10.2013 the default judgment became final and legally valid.

On 31.10.2013 the court ordered the execution of the default judgment.

In een brief gedateerd 2 februari 2018 deelt the Head of the 2nd Criminal Division at the District Law Court in Kłodzko het volgende mee:


In response to the letter concerning [opgeëiste persoon] the District Law Court of Kłodzko

advises that we are not in possession of any information on whether the offical letters collected by the adult member of the househoid were actually handed over to [opgeëiste persoon] or not.

According to Article 133 §2 of the criminal procedure code an officiel letter is considered to have been served on the addressee if in the situation where he is temporarily absent from home the said letter bas been collected by an adult member of his household who has agreed to hand it over to the addressee.
The current regulations do not provide that the actual delivery of the letter to the adressee effected in this way has to be confirmed or acknowledged in any form.

VI K 852/13:
the person was served with the decision on the 13th of May 2014 and was expressly informed about the right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed or modified.

The person did not request a retrial or appeal within the applicable time frame.

Over de wijze waarop de dagvaarding/oproeping aan de opgeëiste persoon verzonden is bevat het EAB de volgende informatie:

On 13.01.2014 the accused [opgeëiste persoon] was sent, by post, a summons to appear in court. The summons, in which he was informed of the scheduled date and place of the trial, was picked up by an adult member of his household on 15.01 .2014.

On 13.02.2014, at the main trial, the court decided to adjourn the trial until 17.04.2014. The accused was sent, by post, a summons informing him of the new scheduled date of the trial - it was plcked up by an adult member of his household on 01.03.2014.

On 17.04.2014, at the main trial, pursuant to Art479 §1 of the criminal procedure code (k.p.k.) the court decided to conduct the proceedings in the absence of the accused.

On 17.04.2014, at the main trial, pursuant to Art.482 §1 of k.p.k. the court ordered that the accused should be served both a copy of the default judgment and legal instruction with.

On 13.05.2014 an adult member of his household picked up the mail -. containing the copy of the default judgment and the legal instruction – sent by the court to the accused.

On 21.05.2014 the default judgment became final and legally valîd.

On 23.05.2014 the court ordered the execution of the default judgment.

Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in het geval dat de overlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis, de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Een dergelijke verklaring is niet verstrekt.

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 mei 2016, C-108/16 PPU (‘Dworzecki’), ECLI:EU:C:2016:346 zal de rechtbank de overlevering voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, opgelegd bij de vonnissen VI KK 568/13 en VI K 852/13 moeten weigeren.

4 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Gelet op haar beslissing zal de rechtbank alleen oordelen over de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis van 23 november 2010 is veroordeeld,
zaaksnummer VI KL 1080/10, doch uitsluitend voor zover dat ziet op het eerdere vonnis met kenmerk II K 401/06.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen.|

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen.|

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen.
Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen.
Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen.
Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Diefstal
Diefstal, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen
Diefstal, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen.

5 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten met betrekking tot vonnis II K 401/06, onderdeel van vonnis VI K 1080/10 waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor slechts die feiten te worden toegestaan.

Voor het overige moet de overlevering worden geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 310 en 311Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

7 Beslissing

VI K 1080/10, voor zover dat betrekking heeft op het vonnis II K 401/06:

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Law Court in Świdnica, 3rd Criminal Division, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

VI K 1080/10, voor zover dat betrekking heeft op de vonnissen VIII K 1118/06 en VIII K 1419/06:

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij de vonnissen onder registratienummers VIII K 1118/06 en VIII K 1419/06

VI K 568/13 en VI K 852/13:

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij de vonnissen onder registratienummers VI K 568/13 en VI K 852/13.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 februari 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.