Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:1022

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
13/741218-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

geen oplegging ISD-maatregel gericht op terugkeer maar eerst vreemdelingrechtelijk traject volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/741218-17 en 13/083151-15 (TUL)

Datum uitspraak: 23 februari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans vreemdelingrechtelijke gedetineerd in het [plaats detentie]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 december 2017 en 9 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Staal en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Boumanjal, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk

- een dagverblijf en/of

- een camera (in een dagverblijf) en/of

- een toilet en/of toiletborstel

in elk geval enig(e) goed(eren), (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (telkens) (met kracht) een of meermalen in/op/tegen de ra(a)m(en)/ruit(en) en/of mu(u)r(en) en/of de grond en/of de camera in/van dat dagverblijf te spugen en/of door op/over het toilet en/of de toiletborstel te

plassen/urineren.

2.

hij op of omstreeks 12 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen de aldaar (in uniform geklede en/of met bureaudienst belaste) [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] (respectievelijk dienstdoende als surveillant(en) en/of hoofdagent en/of agent en/of brigadier en/of hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam) ter uitvoering van het bepaalde in art 55c van het Wetboek van Strafvordering zijn, verdachtes, vingerafdrukken wilde(n) nemen en/of zijn, verdachtes, foto('s) wilde(n) maken/nemen ter vaststelling van zijn, verdachtes, identiteit, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig (met kracht)

- ( wild) met zijn, verdachtes, arm(en) om zich heen te slaan en/of

- opsporingsambtenaar [verbalisant] op/tegen zijn borst te slaan en/of

- ( wilde) schoppende en/of trappende bewegingen te maken naar en/of in de richting van die opsporingsambtena(a)r(en) en/of - opsporingsambtenaar [verbalisant] op/tegen zijn (boven)been en/of schenen te schoppen en/of te trappen en/of

- te rukken en/of te trekken en/of zich te bewegen in een andere richting dan de richting waarin die opsporingsambtena(a)r(en) hem, verdachte wilde(n) bewegen/brengen en/of

- op/tegen de progris-zuil te schoppen en/of te trappen en/of

- met zijn, zijn arm(en) te grijpen naar en/of in de richting van het busje pepperspray van opsporingsambtenaar [verbalisant] .

3.

hij op of omstreeks 12 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk (een) ambtena(a)r(en),

- te weten (de in uniform geklede) [verbalisant]

(dienstdoende als hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam) gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met bureaudienst en/of de insluiting van hem, verdachte, in zijn tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd door een of meer malen op de kleding van voornoemde [verbalisant] te spugen en/of

- te weten (de in uniform geklede) [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of [verbalisant] en/of (respectievelijk dienstdoende als surveillant(en) en/of hoofdagent en/of agent en/of brigadier bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam) gedurende en/of te zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten belast met bureaudienst en/of de insluiting van hem, verdachte, in zijn/hun tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd door een of meermalen naar en/of in zijn/hun richting te spugen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De raadsman heeft zich met betrekking tot de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel vindt hij, net als de officier van justitie, dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de beledigingen, genoemd onder het tweede gedachtestreepje van feit 3.

De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn conclusie met betrekking tot de bewezenverklaring en acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:

op 12 september 2017 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk

- een dagverblijf en

- een camera in een dagverblijf en

- een toilet en toiletborstel

toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, onbruikbaar heeft gemaakt door tegen het raam en de muur en de grond en de camera in dat dagverblijf te spugen en door over het toilet en de toiletborstel te plassen;

ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:

op 12 september 2017 te Amsterdam, toen de aldaar (in uniform geklede en met bureaudienst belaste) [verbalisant] en [verbalisant] en [verbalisant] en [verbalisant] en [verbalisant] en [verbalisant] (respectievelijk dienstdoende als surveillanten, hoofdagent, agent, brigadier en hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam), zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- met zijn, verdachtes, armen om zich heen te slaan en

- opsporingsambtenaar [verbalisant] tegen zijn borst te slaan en

- schoppende bewegingen te maken in de richting van die opsporingsambtenaren en

- opsporingsambtenaar [verbalisant] tegen zijn bovenbeen en schenen te schoppen en

- te rukken en te trekken en zich te bewegen in een andere richting dan de richting waarin die opsporingsambtenaren hem, verdachte wilden brengen en

- tegen de progris-zuil te schoppen en

- te grijpen naar het busje pepperspray van opsporingsambtenaar [verbalisant] .

ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde:

op 12 september 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar,

- te weten de in uniform geklede [verbalisant] (dienstdoende als hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam) gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met bureaudienst en de insluiting van hem, verdachte, in zijn tegenwoordigheid heeft beledigd door op de kleding van voornoemde [verbalisant] te spugen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee (2) jaren, zonder aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel op dit moment prematuur is. Er is nog niet vastgesteld of verdachte moeilijk of niet uitzetbaar is. De ISD-maatregel wordt bovendien door rechtbanken en gerechtshoven te pas en te onpas aan vreemdelingen opgelegd. Momenteel zit verdachte in vreemdelingenbewaring. Er is geen sprake van een urgent overlastgevend patroon. De strafbare feiten spelen zich meestal af binnen de muren van het politiebureau. De ISD-maatregel is verder disproportioneel omdat verdachte ook vrijwillig wil meewerken met de reclassering. Volstaan dient te worden met een straf gelijk aan het voorarrest of met een voorwaardelijke straf.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Reclassering Nederland van
18 oktober 2017, opgemaakt door E. Wijbenga. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in dat verdachte voldoet aan harde en zachte ISD-criteria. Verdachte is illegaal in Nederland en heeft een inreisverbod. Verdachte komt vrijwel zeker uit Marokko maar werkt niet mee aan zijn terugkeer. De reclassering onthoudt zich in het rapport verder van een strafadvies. Als mogelijkheden noemt de reclassering het opleggen van de ISD-maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringsinterventie. Ter terechtzitting heeft een deskundige van de reclassering het rapport nader toegelicht, en daarbij geadviseerd dat aan verdachte de ISD maatregel wordt opgelegd. Vanuit de ISD-afdeling voor vreemdelingen te Veenhuizen zou kunnen worden gewerkt aan terugkeer van verdachte naar zijn land van herkomst.

De rechtbank overweegt dat op zich aan alle voorwaarden wordt voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van een dergelijke maatregel aan deze verdachte op dit moment nog niet opportuun is. De ISD-maatregel zou zijn gericht op een terugkeer naar het land van herkomst. Verdachte is na de beëindiging van de voorlopige hechtenis op 23 oktober 2017 in vreemdelingenbewaring geplaatst. De rechtbank merkt op dat een zaak als de onderhavige, waarbij een ISD-maatregel gericht op uitzetting van een illegale vreemdeling wordt gevorderd, niet geheel los gezien kan worden van het vreemdelingenrechtelijke traject. Het vreemdelingenrechtelijke dossier zou dan ook aan het strafdossier toegevoegd moeten worden. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtbank Midden-Nederland het eerste beroep tegen de vreemdelingenbewaring van verdachte bij uitspraak van 19 januari 2018 (ECLI:RBMNE:2018:245, niet gepubliceerd) ongegrond heeft verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat in het besluit tot oplegging van de vreemdelingenbewaring is vermeld dat verdachte tijdens de vorige inbewaringstelling niet bij de Marokkaanse autoriteiten is gepresenteerd vanwege de slechte onderlinge diplomatieke verhoudingen tussen Marokko en Nederland. Sinds november/december 2017 zijn deze verhoudingen sterk verbeterd en worden weer laissez-passers afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten. De vreemdelingenrechter is onder deze omstandigheden van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat er thans geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van verdachte, die thans in vreemdelingendetentie zit en van wie door de vreemdelingenrechter gelet op het voorgaande zeer recent is aangenomen dat er een begin van aannemelijkheid is dat Marokko zal meewerken aan de terugkeer van verdachte, de ISD-maatregel gericht op een terugkeer, op dit moment nog niet aan de orde dient te zijn. De rechtbank acht het passend dat in dit geval eerst het vreemdelingenrechtelijke traject, gericht op de terugkeer en uitzetting, doorlopen dient te worden.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit de stukken is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van het arrestantendagverblijf, een camera, een toilet en toiletborstel in dat dagverblijf door daarop te spugen en te plassen. Verder heeft hij zich hevig verzet tegen de aldaar aanwezige politieambtenaren en zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar. Hierdoor heeft verdachte niet alleen het ambtelijk gezag ondermijnd maar ook de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam schade berokkend. Hij heeft de werkzaamheden van de politieambtenaren verder ernstig bemoeilijkt en door het spugen op de politieambtenaar heeft hij een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van deze verbalisant. Met zijn handelen heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor het gezag van de politie.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank verder rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 november 2017 dat 10 pagina’s beslaat. Zoals de officier van justitie ook heeft aangegeven, is verdachte in de periode van 2017 en 2018 in de 53 dagen dat hij niet gedetineerd zat, vijf keer in aanraking met justitie gekomen. Verdachte voldoet in principe aan alle voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel). Dit weerhoudt hem er echter niet van om opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten.

Alhoewel de feiten waarvoor verdachte veroordeeld wordt doorgaans, bij first-offenders, met boetes worden afgedaan, is dit in het geval van verdachte geen passende straf. De combinatie van het fysieke en verbale geweld tegen de politie, alsook de omstandigheid dat verdachte eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld, maakt dat de rechtbank geen andere mogelijkheid ziet dan verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Amsterdam vordert € 116,16 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht niet aan verdachte opleggen, nu deze naar zijn aard niet strekt tot bescherming van een organisatie als de Nationale Politie.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 14 september 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/083151-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 30 juni 2015 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat de voorwaardelijke straf van 3 dagen gevangenisstraf reeds bij een andere strafzaak is tenuitvoergelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 57, 180, 266, 267 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken.

Ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:

Wederspannigheid.

Ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (een) maand.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Amsterdam toe en veroordeelt verdachte te betalen € 116,16 (zegge: honderdzestien euro en zestien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 30 juni 2015.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 februari 2018.