Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:10140

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
13/741132-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot jeugddetentie en oplegging PIJ-maatregel voor ontucht met een veertienjarig meisje en voor vernielingen, vermogensdelicten en geweldsfeiten die soms zijn gefilmd en op internet zijn geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741132-18 (A), 13/689222-17 (B), 13/746050-18 (C), 15/059676-16 (TUL) en 13/684383-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 6 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , gedetineerd in het Forensisch Centrum “ [locatie] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2018.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.C. Fransen, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft [persoon 1] (van de Raad voor de Kinderbescherming), [persoon 2] (jeugdreclasseringswerker van de William Schrikker Groep) en [persoon 3] (orthopedagoog en hoofdbehandelaar van OC [naam orthopedagogisch centrum] ) als deskundige gehoord.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

in zaak A

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(artikel 311/4 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 02 april 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Zwanenplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere ra(a)m(en), welk geweld bestond uit het éénmaal of meermalen (met kracht) met (een) ste(e)n(en), althans (een) hard(e) voorwerp(en), tegen/aan/in dat/die ra(a)m(en) te gooien en/of (in) te slaan;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair:

hij op of omstreeks 02 april 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (een) ra(a)m(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met (een) ste(e)n(en), althans met (een) hard(e) voorwerp(en), voornoemd(e) ra(a)m(en) in te gooien en/of stuk te slaan;

(artikel 350 juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 19 juni 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans één of meer, tas(sen) (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(artikel 311/4 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 19 juni 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [persoon 6] en/of [persoon 7] , beiden hoofdagent(en) van de Politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, heeft beledigd, door aan hem/hun de woorden toe te voegen: "Jullie zijn kankerleijers. Allemaal. Echt allemaal kankerleijers. Ik onthoud jullie koppen wel. Jullie gaan zien. Kankerleijers" en/of (vervolgens) richting hem/hun te spugen, althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(artikel 267 Wetboek van Strafrecht)

5. ( gevoegde zaak 13/ 741098-18)

hij op of omstreeks 08 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bromfiets (merk Piaggio ZIP) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht)

6. ( gevoegde zaak 746037-18)

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk diverse (glazen) flessen (fris)drank en/of (glazen) flessen sap, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door voornoemde flessen (met kracht) uit de schappen op de grond te gooien;

(artikel 350 Wetboek van Strafrecht)

7. ( gevoegde zaak 746037-18)

hij op of omstreeks 14 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans één of meer beker(s) frisdrank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Burger King, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

8. ( gevoegde zaak 746037-18)

hij op of omstreeks 16 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [persoon 8] heeft mishandeld door éénmaal of meermalen (met kracht) tegen de borst van voornoemde [persoon 8] te slaan en/of te stoten en/of te duwen en/of te porren, waardoor voornoemde [persoon 8] pijn en/of letsel heeft bekomen;

(artikel 300 juncto 47 Wetboek van Strafrecht)

9. ( gevoegde zaak 746037-18)

hij op of omstreeks 31 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of [persoon 12] en/of [persoon 13] en/of [persoon 14] , allen surveillant en/of brigadier en/of inspecteur en/of agent van de Politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling

heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Bitch, fuck blauw" en/of "het zijn allemaal kankerhomo's", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(artikel 267 Wetboek van Strafrecht)

10. ( gevoegde zaak 746037-18)

hij op of omstreeks 31 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 10] en/of [persoon 11] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [persoon 10] en/of [persoon 11] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik weet jullie koppen, ik ben sterk jo, wacht maar tot ik weer vrij ben, Ik pak jullie!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

in zaak B

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 maart 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, met [persoon 15] , geboren op [geboortedag 1] 2001, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn verdachtes penis in de mond van voornoemde [persoon 15] geduwd en/of gebracht;

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

in zaak C (voorheen: 13/152635.18)

hij op of omstreeks 11 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer cadeaukaarten en/of een geldbedrag van (in totaal) 2550 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Alberte Heijn B.V.,in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht, artikel 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

in zaak A heeft de officier van justitie ad informandum gevoegd

13/741098-18: 08 mei 2018, het Rembrandtpark, Amsterdam, Gem. Amsterdam, rijden zonder geldig rijbewijs

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde in zaak A

De rechtbank is van oordeel, net als de officier van justitie en de raadsman, dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

4.2

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde in zaak A

De rechtbank is van oordeel, net als de raadsman, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde heling van een bromfiets. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat sprake is van schuldheling. Zij acht hiervoor van essentieel belang dat verdachte, aangetroffen als bestuurder op de gestolen bromfiets, weigert te verklaren van wie hij de bromfiets zou hebben geleend. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden of wist dat de bromfiets was gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij de bromfiets heeft geleend en over een sleutel beschikte. Zijn verklaring wordt niet weerlegd door de inhoud van het dossier. Er is niet geverbaliseerd over enige schade aan de bromfiets of een verbreking van het slot. Ook de verklaring van de ‘bijzitter’ is niet als belastend op te vatten.

4.3

Ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde in zaak A

De rechtbank is van oordeel, anders dan de officier van justitie en net als de raadsman, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging. Hoewel op grond van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten is komen vast te staan dat verdachte de ten laste gelegde woorden jegens hen heeft geuit en de woorden wel bedreigend zijn bedoeld, kan uit de aard en strekking van deze woorden niet worden opgemaakt dat het gaat om een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

5 Waardering van het bewijs

5.1

De bewijsoverwegingen

5.1.1

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde in zaak A

De rechtbank acht bewezen, net als de officier van justitie, het in zaak A onder 2 subsidiair, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde. De raadsman heeft ten aanzien van deze feiten geen verweer gevoerd.

5.1.2

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in zaak A

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. In zijn pleitaantekeningen heeft hij verwezen naar arresten van de Hoge Raad waaruit kan worden afgeleid dat geen sprake is van medeplegen, aangezien verdachte geen rol heeft gehad bij het wegnemen van de fiets. Zelfs als de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , inhoudende dat zij de winst van de verkoop van de fiets hebben gedeeld, wordt meegenomen maakt dit nog niet dat sprake is van medeplegen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij op een afstand stond toen [medeverdachte] de fiets wegnam.

De rechtbank is van oordeel, net als de officier van justitie, dat de ten laste gelegde diefstal kan worden bewezen op grond van de aangifte, het proces-verbaal van het uitkijken van de beelden en de verklaring van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris en de verklaring van verdachte ter terechtzitting. Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte] samen naar de geparkeerde fietsen zijn gegaan, dat verdachte vlakbij de bewuste fiets op de uitkijk stond toen [medeverdachte] de fiets wegnam, dat ze samen met de fiets zijn weggegaan en de opbrengst van de verkoop van de fiets hebben gedeeld. Op grond hiervan is het medeplegen bewezen.

5.1.3

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde in zaak A

De raadsman heeft vrijspraak bepleit aangezien verdachte heeft verklaard aangever met geen vinger te hebben aangeraakt en de verklaring van aangever over de mishandeling geen steun vindt in het dossier. Uit de letselverklaring en bijgevoegde foto blijkt geen duidelijk letsel en mogelijk heeft aangever twee personen door elkaar gehaald.

De rechtbank is van oordeel, net als de officier van justitie, dat de ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. De aangifte vindt voldoende steun in het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat er camerabeelden zijn van de schermutseling tussen verdachte en [persoon 8] . Bovendien wordt met dit proces-verbaal de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij [persoon 8] niet heeft aangeraakt, weerlegd.

5.1.4

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde in zaak A

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit aangezien de verbalisanten hebben geverbaliseerd dat verdachte wartaal uitsloeg. Voorts is het niet aannemelijk dat een grote groep agenten zich in de goede eer en naam aangetast heeft gevoeld door de ten laste gelegde uitlatingen.

De rechtbank acht, net als de officier van justitie, de ten laste gelegde belediging van de verbalisanten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank gaat uit van het door de verbalisanten opgemaakte proces-verbaal waarin zij beschrijven wat verdachte heeft geroepen en dat zij zich door die uitlatingen beledigd hebben gevoeld. Bovendien heeft verdachte het ten laste gelegde deels bekend. Hij heeft immers verklaard dat hij verhaal wilde halen en een agent ‘bitch’ heeft genoemd. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt niet dat verdachte, zoals de verdediging aanvoert, slechts wartaal heeft uitgeslagen, nog daargelaten dat uit het proces-verbaal niet zonder meer blijkt dat verdachte degene was die aanvankelijk wartaal tegen de politie uitsloeg.

5.1.5

Ten aanzien van het ten laste gelegde in zaak B

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De verklaring van [persoon 15] is immers niet auditief geregistreerd hetgeen in strijd is met de Aanwijzing auditief en audiovisueel registeren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten, voorts is het verhoor niet ondertekend.

De rechtbank stelt vast dat in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van een vormverzuim, omdat het verhoor van [persoon 15] in strijd met voornoemde Aanwijzing niet auditief is geregistreerd. De rechtbank is echter van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van dit vormverzuim. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De raadsman heeft in zijn pleitnota slechts geconstateerd dat hier sprake is van een vormverzuim, zonder dit verder juridisch te duiden en daar juridische gevolgen aan te verbinden. Alleen in het kader van het ten laste gelegde jaar (de vraag of het incident in 2015 of 2016 heeft plaatsgevonden), voert de raadsman in zijn pleitnota aan “dat het ondoenlijk is om een goed beeld te krijgen van de betrouwbaarheid van de verklaring en de totstandkoming daarvan”. Daarbij doelt de raadsman op de getuigenverklaring van [persoon 15] . De raadsman heeft echter onvoldoende onderbouwd, waarom dient te worden getwijfeld aan de verklaring van [persoon 15] over het jaar waarin de ontucht heeft plaatsgevonden. Dit mede omdat de getuigenverklaring van [persoon 15] op essentiële onderdelen en in detail steun vindt in de verklaringen van [persoon 16] en [persoon 17] en in de aangifte van [persoon 15] zelf inzake de diefstal van haar telefoon. De rechtbank zal dan ook geen rechtsgevolg verbinden aan het geconstateerde vormverzuim.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de ‘ [verdachte] ’ is over wie belastend is verklaard.

De rechtbank is van oordeel, net als de officier van justitie, dat is komen vast te staan dat verdachte de persoon is die de ten laste gelegde ontuchtige handeling heeft gepleegd. Dit oordeel is gebaseerd op de verklaring van [persoon 15] over het ten laste gelegde en haar aangifte van een straatroof, de verklaring van getuige [persoon 16] en het verhoor van verdachte op 8 juni 2017. [persoon 15] heeft in haar aangifte van een straatroof een signalement gegeven van de [verdachte] die de ontuchtige handeling heeft gepleegd. Dit signalement past goed bij het uiterlijk van verdachte. Uit het verhoor van verdachte kan worden afgeleid dat hij in 2016 twee scheve voortanden en nog geen tatoeages in zijn nek had, hetgeen past bij het opgegeven signalement. Voorts komt de beschrijving die [persoon 15] en [persoon 16] hebben gegeven van de ligging (met name de route vanaf de IJ-pont naar de woning) de buitenkant (met name de kleur bakstenen) en de indeling van de woning van de dader overeen met de ligging, de buitenkant en indeling van de woning van verdachte, zoals hij die zelf heeft beschreven in zijn verhoor en ter zitting. Zowel [persoon 15] als [persoon 16] verklaren bovendien over de aanwezigheid van een vechthond in de woning en over een vader bij wie de dader woont. Dat komt overeen met de verklaring van verdachte dat hij in maart 2016 bij zijn vader woonde die toen een pitbull had.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit, omdat volgens hem niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de ontuchtige handeling in het ten laste gelegde jaar (2016) heeft plaatsgevonden. Uit de aangifte van [persoon 18] en de verklaring van getuige [persoon 16] moet immers worden afgeleid dat het ten laste gelegde in maart 2015 zou hebben plaatsgevonden en niet in maart 2016.

De rechtbank is van oordeel, net als de officier van justitie, dat is bewezen dat de ontuchtige handeling in maart 2016 heeft plaatsgevonden zoals is ten laste gelegd. De rechtbank baseert haar oordeel op de verklaring van [persoon 15] en de verklaring van getuige [persoon 16] in samenhang bezien met de aangifte van [persoon 15] van een straatroof. [persoon 15] heeft verklaard dat de ontuchtige handeling in maart 2016 heeft plaatsgevonden en dat zij daarna van haar telefoon is beroofd, waarvan zij aangifte heeft gedaan. Haar verklaring vindt steun in de verklaring van [persoon 16] die heeft verklaard dat het ten laste gelegde in 2016 heeft plaatsgevonden en dat [persoon 15] haar “enkele dagen” na de ten laste gelegde handeling heeft bericht dat ze van haar telefoon was beroofd. De aangifte van deze beroving dateert van 11 april 2016.

De raadsman heeft subsidiair, indien de rechtbank niet tot een vrijspraak komt, ter terechtzitting een verzoek gedaan tot het horen van [persoon 15] , [persoon 16] , [persoon 18] en verbalisant [verbalisant] als getuige. De raadsman acht dit noodzakelijk voor de waarheidsvinding. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] (pag. 03-0001) blijkt namelijk niet waarop haar bevindingen zijn gebaseerd en hoe verdachte bij de politie in beeld is gekomen. Door voornoemde personen nader te horen kan worden onderzocht of verdachte rechtmatig in beeld is gekomen.

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van voornoemde personen af en overweegt hiertoe dat het nader horen van deze personen niet noodzakelijk is met het oog op de waarheidsvinding en de volledigheid van het onderzoek. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd dat er aanwijzingen zijn voor nader te onderzoeken onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek, die het horen van de getuigen noodzakelijk maken. De rechtbank acht zich op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende ingelicht.

5.1.6

Ten aanzien van het ten laste gelegde in zaak C

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte geen diefstal heeft gepleegd en van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft de cadeaukaarten niet onrechtmatig weggenomen. Op het moment dat hij de kaarten uit het rek pakte had hij ze rechtmatig onder zich. Hij heeft ze vervolgens bij de kassa aan de kassière, mevrouw [persoon 19] , gegeven om ze te laten inscannen. Het is [persoon 19] die onrechtmatig heeft gehandeld door de cadeaukaarten op een onrechtmatige wijze op te waarderen en ze aan verdachte te geven.

De rechtbank acht, net als de officier van justitie, de ten laste gelegde diefstal bewezen op grond van de aangifte en de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte. Door zonder te betalen de cadeaukaarten van Albert Heijn mee te nemen, heeft hij zich deze kaarten wederrechtelijk toegeëigend. Dat hij daartoe het oogmerk had, blijkt uit zijn verklaring ter zitting dat hij met de andere twee jongens had afgesproken de kaarten mee te nemen zonder te betalen.

5.2

Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage 1 van dit vonnis zijn vervat.

6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in zaak A

1.

op 22 maart 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets toebehorende aan [persoon 4] ;

2. subsidiair:

op 02 april 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk ramen toebehorende aan [persoon 4] heeft vernield door met stenen voornoemde ramen in te gooien;

3.

op 19 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee tassen met inhoud toebehorende aan [persoon 5] ;

4.

op 19 juni 2018 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [persoon 6] en [persoon 7] , beiden hoofdagent van de Politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, heeft beledigd, door aan hen de woorden toe te voegen: "Jullie zijn kankerlijers. Allemaal. Echt allemaal kankerlijers. Kankerlijers" en vervolgens richting hen te spugen.

6.

omstreeks 01 januari 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk diverse flessen frisdrank en glazen flessen sap toebehorende aan de Albert Heijn heeft vernield door voornoemde flessen met kracht uit de schappen op de grond te gooien;

7.

op 14 januari 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee bekers frisdrank toebehorende aan Burger King;

8.

op 16 januari 2018 te Amsterdam [persoon 8] heeft mishandeld door éénmaal met kracht tegen de borst van voornoemde [persoon 8] te slaan waardoor voornoemde [persoon 8] pijn en letsel heeft bekomen;

9.

op 31 juli 2018 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [persoon 9] en [persoon 10] en [persoon 11] en [persoon 12] en [persoon 13] en [persoon 14] , allen surveillant of brigadier of inspecteur of agent van de Politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling

heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "Bitch, fuck blauw" en "het zijn allemaal kankerhomo's";

in zaak B

in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 maart 2016 te Amsterdam met [persoon 15] , geboren op [geboortedag 1] 2001, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij zijn penis in de mond van voornoemde [persoon 15] gebracht;

in zaak C

op 11 juli 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen cadeaukaarten toebehorende aan Albert Heijn B.V.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf en maatregelen

9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast en dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 bewezen geachte feiten in zaak A en de bewezen geachte feiten in zaak B en C zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 5 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld tot de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna PIJ-maatregel).

Uit het psychiatrisch en psychologisch onderzoek pro justitia blijkt dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een ongespecificeerde psychotrauma- of stress gerelateerde stoornis en zwakbegaafdheid bij verdachte, hetgeen doorwerkt in de gepleegde strafbare feiten. Ook staat in de rapporten vermeld, dat hoewel sprake is van een verharding bij verdachte pedagogische beïnvloeding nog mogelijk is waarbij een langdurige klinische opname noodzakelijk is. Een open setting als [naam orthopedagogisch centrum] is daarvoor onvoldoende. Verdachte heeft zich hier niet beïnvloedbaar getoond. Gezien de ernst en veelvuldigheid aan gepleegde strafbare feiten is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden. Deze maatregel is in het belang van verdachte en ook ter beveiliging van de maatschappij aangezien het risico op gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat.

De officier van justitie heeft de gevangenneming bevolen voor het feit in zaak B.

De vordering benadeelde partij is voldoende onderbouwd en de officier van justitie verzoekt de rechtbank de vordering toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Indien een PIJ-maatregel aan verdachte wordt opgelegd verzoekt de officier van justitie de vordering tenuitvoerleggingen af te wijzen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is niet passend gezien de geringe ernst van de feiten waarvoor verdachte kan worden veroordeeld. Als verdachte toch wordt veroordeeld voor het plegen van een ontuchtige handeling, dan is de PIJ-maatregel nog steeds een stap te ver. Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat de traumabehandelaar van OC [naam orthopedagogisch centrum] heel positief is over verdachte. Orthopedagoog [persoon 3] van OC [naam orthopedagogisch centrum] heeft ter terechtzitting verklaard dat een traumabehandeling in een klinische setting heel belangrijk is om recidive te voorkomen. Verdachte wil verder met de traumabehandeling in OC [naam orthopedagogisch centrum] en is bereid een behandeling in een kliniek voor beperkte duur te ondergaan. Hij heeft nog geen eerlijke kans gekregen in een ambulant kader.

In de dubbelrapportage is geen alternatief plan geformuleerd. Nu de heer [persoon 20] van de Reclassering Amsterdam telefonisch aan de raadsman heeft laten weten dat een plan B in eerste instantie wel was geformuleerd maar uit het rapport is gehaald en de psychiater ook spreekt over twee scenario’s (afhankelijk van het al dan niet bewezen verklaren van het feit van zaak B) is het wel van belang te weten wat het tweede scenario is (bij vrijspraak zaak B). Een alternatief scenario zou een deels voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen zijn met als bijzondere voorwaarden het deelnemen aan een traumabehandeling, meewerken aan interventies op het gebied van dagbesteding en huisvesting en meewerken aan een klinische behandeling van maximaal zes maanden. Voorts is in de dubbelrapportage niet benoemd hoe een behandeling daadwerkelijk vorm zou moeten krijgen. Op bovengenoemde punten zijn de rapporten onvolledig. Indien de rechtbank voornemens is verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, verzoekt de raadsman de rechtbank een aanvullend rapport te laten opstellen waarin een alternatief behandelplan is geformuleerd waar verdachte zich in kan vinden.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gevangenneming moet worden afgewezen, aangezien verdachte van het ten laste gelegde in zaak B moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft verzocht de vordering benadeelde partij ten aanzien van de fiets niet-ontvankelijk te verklaren aangezien verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor de vernielde ramen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft verzocht de vorderingen tenuitvoerlegging met parketnummers af te wijzen, aangezien verdachte moet worden vrijgesproken van de strafbare feiten waaraan deze vorderingen zijn gekoppeld zijnde het feit in zaak B en feit 5 in zaak A.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich bij de feiten in zaak A, B en C schuldig gemaakt aan een tiental overlast gevende, intimiderende en ook ernstige strafbare feiten, waarvan acht in 2018, één in 2017 en één in 2016.. Hij heeft vernielingen, vermogensdelicten en geweldsfeiten gepleegd, in de periode waarin hij verbleef in orthopedagogisch centrum [naam orthopedagogisch centrum] , waar behandeling met verblijf geboden wordt aan licht verstandelijk beperkte jongeren in de leeftijd van 15 tot 23 jaar.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte een aantal feiten heeft gefilmd en op internet heeft geplaatst om zijn volgers te bedienen en nieuwe volgers te trekken, met als doel dat hem dit uiteindelijk geld zou opleveren. Verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de negatieve gevolgen die zijn handelen voor anderen heeft gehad. Voorts weegt in strafverzwarende zin mee dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 1 oktober 2018 blijkt dat verdachte zich ook eerder veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke vermogens- en geweldsdelicten. In 2016 heeft verdachte ontucht gepleegd met een meisje van 14 jaar. Seksueel misbruik van minderjarigen vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Door de wetgever is de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan zestien jaar uitdrukkelijk beschermd. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase. Zij moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen niet of in onvoldoende mate in staat worden geacht zelf hun seksuele integriteit te bewaken en/of zelfstandig de (emotionele) gevolgen van seksueel contact in schatten. Ook bij dit feit heeft verdachte er geen blijk van gegeven rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer, maar heeft hij zichzelf voorop gesteld. Uit het dossier blijkt dat zijn handelen een zeer negatieve invloed heeft gehad op het leven van het jonge slachtoffer, voor wie het haar eerste seksuele ervaring was.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het ad informandum gevoegde strafbare feit, zijnde het rijden zonder geldig rijbewijs op 8 mei 2018 hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft bekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten die over verdachte zijn opgesteld en in het bijzonder op het psychiatrisch onderzoek pro justitia van 11 oktober 2018, opgesteld door deskundige psychiater [persoon 21] , en het psychologisch onderzoek pro justitia van 11 oktober 2018, opgesteld door GZ-psycholoog [persoon 22] .

Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt onder meer het volgende. Verdachte heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een ongespecificeerde psychotrauma- of stress gerelateerde stoornis en zwakbegaafdheid. Deze stoornissen zijn langdurig van aard en hebben invloed gehad bij het plegen van de ten laste gelegde feiten. Vanuit de antisociale persoonlijkheidsstoornis houdt verdachte geen rekening met de wensen, grenzen en eigendommen van anderen. Hij pakt wat hij kan en als hij boos is neemt hij wraak. Vanuit de zwakbegaafdheid overziet verdachte niet de gevolgen van zijn daden voor anderen en zichzelf. De psychiater adviseert verdachte dan ook ten aanzien van de bewezen geachte feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De kans op recidive van met name vermogensdelicten wordt ingeschat op hoog. Er zijn geen beschermende factoren vanuit zijn persoonlijkheid. Wanneer externe structuur en begeleiding wegvallen zal gewelddadig norm- en grensoverschrijdend gedrag toenemen.

De psychiater acht een langdurig intramuraal verblijf binnen een gesloten therapeutische setting nodig om een gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. De psychiater adviseert dit te bewerkstelligen middels het opleggen van een PIJ-maatregel. In zo’n setting kan gewerkt worden aan het verwerken van het verleden van verdachte en zal het antisociale, norm- en grensoverschrijdende gedrag verminderen.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt onder meer het volgende. Verdachte heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een licht verstandelijke beperking. Het is hoogst aannemelijk dat deze stoornissen ten tijde van het plegen van alle ten laste gelegde feiten aanwezig waren. De psycholoog trekt, alleen ten aanzien van de feiten waarover verdachte ten tijde van het rapport bekennend heeft verklaard, zijnde de straatroof, vernieling en belediging, de conclusie dat de licht verstandelijke beperking de gedragskeuzes van verdachte beïnvloedde ten tijde van het plegen van de delicten. De psycholoog adviseert dan ook verdachte ten aanzien van deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren omdat ze de andere feiten niet met verdachte heeft kunnen bespreken. Verdachte heeft moeite met het adequaat inschatten van sociale situaties en hij handelt dikwijls impulsief. Hij heeft moeite met het omgaan met autoriteit en vertoont zelfbepalend en conflictueus gedrag. Het ontbreekt hem aan inlevingsvermogen en empathie. In zijn denken is hij wantrouwend naar anderen, waardoor hij signalen negatief interpreteert. Wanneer hij eenmaal op een negatief spoor belandt, kan hij zijn gedrag moeilijk bijsturen, wat leidt tot impulsieve en buitenproportionele (delict-)gedragingen.

Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt als hoog ingeschat, hetgeen slechts door een langdurige, stevig inkaderende behandeling kan worden ingeperkt. Verdachte heeft enige motivatie voor het veranderen van zijn gedrag. Hij heeft een positieve gerichtheid op de toekomst alhoewel hij onrealistisch is in zijn vertrouwen dat hij zijn gedrag zelfstandig kan veranderen. Verdachte is ingebed in een crimineel milieu en het ontbreekt hem aan enig pro sociaal netwerk. Geslotenheid, bescherming van de maatschappij en stevig toezicht lijken aangewezen om de recidivekans te verlagen en verdere inbedding in een crimineel milieu te stoppen. De beperkte handelingsvaardigheden en de mogelijkheden die nog in pedagogisch opzicht worden gezien zijn zwaarwegende indicaties voor het toepassen van het minderjarigenstrafrecht. De contra-indicaties van een lange justitiële voorgeschiedenis, de antisociale persoonlijkheidsproblematiek en de stevige inbedding in het criminele milieu wegen hier niet tegenop. Er zal in de behandeling aandacht moeten zijn voor het vergroten van probleembesef, zelfinzicht, gedrags- en emotiecontrolemogelijkheden en sociale vaardigheden. Daarna kan verder worden gewerkt aan het verwerken van eventuele trauma’s.

De psycholoog adviseert deze interventies te laten plaatsvinden binnen de PIJ-maatregel. Een behandeling in een ambulant kader wordt niet meer haalbaar geacht. De huidige hulpverlening en behandeling bieden onvoldoende ondersteuning en toezicht om een blijvend positieve gedragsverandering te bewerkstelligen. Binnen een PIJ-maatregel bestaat de grootste kans dat verdachte door de langdurige geslotenheid zal meewerken aan behandeling. Binnen die geslotenheid wordt hem de kans geboden vertrouwelijke en duurzame behandelrelaties aan te gaan en in zijn eigen tempo te werken aan het vergroten van het probleembesef, zelfinzicht, gedrags- en emotieregulatie en sociale vaardigheden. De noodzakelijke langdurige forensische klinische behandeling kan met een PIJ-maatregel worden gegarandeerd. Er kan met verdachte worden gewerkt aan een realistisch toekomstperspectief, het verwerken van belastende levenservaringen en resocialisatie. Veroordeelde is gezien de antisociale persoonlijkheidsstoornis, licht verstandelijke beperking en criminele inbedding ongeschikt voor een groepsgericht leefklimaat, zodat plaatsing in een JJI niet geïndiceerd is. De PIJ-behandeling zal bij voorkeur in een volwassen setting moeten plaatsvinden zoals Boschoord (Trajectum) of de Wier (Fivoor) omdat die setting van SGLVG (sterk gedragsgestoord licht verstandelijk gehandicapt) beter aansluit bij verdachtes problematiek. De heer [persoon 20] van Reclassering Nederland kan zich vinden in de diagnostiek en het advies.

Ter terechtzittingen hebben de aanwezige deskundigen, mevrouw [persoon 1] van de Raad voor de Kinderbescherming, de heer [persoon 2] van de William Schrikker Groep en de heer [persoon 3] orthopedagoog en hoofdbehandelaar bij OC [naam orthopedagogisch centrum] , verklaard zich te kunnen vinden in de adviezen van de psychiater en psycholoog. De deskundigen beamen dat behandelingen in een ambulant kader, zoals ook de behandeling in OC [naam orthopedagogisch centrum] , gezien de ernst van de problematiek van verdachte niet kunnen slagen. Ze onderstrepen de noodzaak van een langdurige klinische behandeling om een gedragsverandering te kunnen realiseren.

De rechtbank neemt de adviezen van de psychiater en psycholoog over. De rechtbank zal de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate toerekenen aan verdachte.

Uitgangspunt is dat een jongvolwassene die ten tijde van het plegen van de strafbare feiten meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter toepassing geven aan het adolescentenstrafrecht indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Verdachte was ten tijde van het plegen van de delicten in de leeftijd van 18 tot 20 jaar. De rechtbank ziet in de inhoud van de rapporten van de psychiater en psycholoog en in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank is, op basis van voornoemde rapporten en de verklaringen van de deskundigen ter zitting, ervan overtuigd dat de PIJ-maatregel de enige kans is voor verdachte om zijn leven een andere wending te geven. Uit de rapporten en toelichting van de deskundigen blijkt heel duidelijk dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is. Deskundige [persoon 3] heeft opgemerkt dat verdachte gemotiveerd is voor behandeling, maar dat ondanks zijn goede wil een open setting onvoldoende structuur biedt om behandelingen te laten slagen. De rechtbank acht een meer vrije setting ontoereikend. Eerdere ambulante toezichten en behandelingen, ook onder schorsingsvoorwaarden, hebben steeds geen resultaat opgeleverd en een behandeling in een ambulant kader is daarmee een gepasseerd station. De rechtbank zal verdachte dan ook een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.

De rechtbank stelt vast dat het in zaak B gepleegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden en hetgeen ter terechtzitting is onderstreept door de deskundigen van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd.

Gelet op de hoeveelheid gepleegde misdrijven, de ernst van de feiten en de recidive, maar ook op het gegeven dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is ten aanzien van de gepleegde feiten, acht de rechtbank, naast de oplegging van genoemde PIJ-maatregel, oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank in zaak B de gevangenneming bevelen zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 4] vordert € 1574,- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten in zaak A rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is ter terechtzitting toegelicht door de benadeelde partij en ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor de gestolen fiets onderbouwd met een factuur. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of onredelijk voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 15 mei 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/059676-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 juni 2016 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie, met bevel dat van deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet echter aanleiding de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen vanwege de oplegging van de PIJ-maatregel.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 september 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/684383-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 november 2015 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 39 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet echter aanleiding de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen vanwege de oplegging van de PIJ-maatregel.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77g, 77i, 77s, 77gg, 245, 266, 267, 300, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair, 5 en 10 in zaak A is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde in zaak A en het ten laste gelegde in zaak B en zaak C heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 3 in zaak A en zaak C

Diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2 subsidiair en feit 6 in zaak A

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4 en 9 in zaak A

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 7 in zaak A

diefstal

Ten aanzien van feit 8 in zaak A

mishandeling

Ten aanzien van zaak B

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt daarnaast op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 4] , met adres [adres 2] toe tot een bedrag van € 1574,- (vijftienhonderdvierenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 4] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 4] , te betalen de som van € 1574,- (vijftienhonderdvierenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig dagen), met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15/059676-16.

Wijst af de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/684383-15.

Beveelt de gevangenneming van verdachte in zaak B. Deze beslissing is afzonderlijk schriftelijk vastgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]