Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:10035

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
13/679006-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, rijdend op een bromfiets, een rood verkeerslicht genegeerd en heeft het slachtoffer, die zich op het zebrapad bevond, geen voorrang verleend. Artikel 6 bewezen. Taakstraf 40 uur en OBM 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/679006-17

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.H. van Dijk, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 10 augustus 2016 te Amsterdam, als bestuurder van een bromfiets, zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte wordt verweten dat hij, als beginnend bestuurder en rijdend op een bromfiets met ondeugdelijke remmen en die niet voldeed aan de wettelijke maximumconstructiesnelheid, gekomen bij een voetgangersoversteekplaats – ondanks dat het verkeerslicht voor verdachte rood licht uitstraalde – het slachtoffer [slachtoffer] , die zich op die oversteekplaats bevond, geen voorrang heeft verleend en vervolgens tegen [slachtoffer] is aangereden, waardoor [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Subsidiair is aan hem ten laste gelegd dat hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt. Artikel 5 WVW.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde aanmerkelijke schuld aan het verkeersongeval. Het letsel van het slachtoffer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

4.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het hem primair als subsidiair ten laste gelegde. Verdachte treft geen verwijt in de zin van artikel 6 WVW en het door rood licht rijden en/of niet tijdig remmen betekent nog niet het veroorzaken van gevaar in de zin van artikel 5 WVW.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 10 augustus 2016 stak slachtoffer [slachtoffer] op de Rozengracht een voetgangersoversteekplaats over, toen het verkeerslicht voor haar groen licht uitstraalde. Verdachte reed op dat moment als bestuurder van een bromfiets over de Rozengracht, komende uit de richting van de Dam, gaande in de richting van de Marnixstraat. Verdachte vervolgde zijn weg, terwijl het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde. In de aanloop naar voornoemde voetgangersoversteekplaats passeerde verdachte een fietser, getuige [getuige] , die naar eigen zeggen reeds 5 á 10 seconden voor het rode verkeerslicht stond te wachten. [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer] overstak bij een groen verkeerslicht. Verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden waardoor verdachte en [slachtoffer] ten val kwamen. Bij [slachtoffer] werd vastgesteld dat haar knieschijf uit de kom was. Verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij het verkeerslicht naderde, dat hij zag dat het verkeerslicht op oranje sprong en volgens hem ook op rood, dat hij zag dat de vrouwelijke voetganger de weg overstak en dat hij vervolgens pas is gaan remmen. Verdachte reed op dat moment naar eigen zeggen op de rijbaan tussen de trambaan en de fietsstrook.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] plotseling de weg overstak en dat hij om die reden niet tijdig kon remmen. De rechtbank volgt deze lezing van verdachte niet. Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden blijkt namelijk dat [slachtoffer] zich, op het moment van de aanrijding, al bijna halverwege de weg op de voetgangersoversteekplaats bevond. Verdachte reed ten tijde van het ongeval op de rijbaan gelegen tussen de trambaan en de fietsstrook. [slachtoffer] moet de fietsstrook daarom reeds hebben overgestoken voordat zij zich op de rijbaan, de plek van de aanrijding, kon bevinden. Zij had dus al een aantal passen gelopen voordat verdachte haar aanreed. Ook de verklaring van [getuige] dat het voor verdachte geldende verkeerslicht reeds enkele seconden rood licht uitstraalde, ondersteunt de conclusie dat het oversteken door [slachtoffer] niet ‘plotseling’ kan zijn geweest. Als verdachte voldoende oplettend had gereden, zou hij haar moeten hebben gezien. De Rozengracht – de plek van het ongeval – is een rechte weg en [slachtoffer] stak over op een punt dat is bedoeld als voetgangersoversteekplaats en ook als zodanig wordt aangegeven middels een op de weg aangebracht zebrapad, verkeerslichten en –borden. Niet is gebleken dat het zicht van verdachte op enigerlei wijze werd belemmerd. Hij heeft ook verklaard dat hij het verkeerslicht heeft gezien. Hoewel hij zich dus bewust was van het naderen van de voetgangersoversteekplaats, heeft hij zijn verkeersgedrag daar niet op afgestemd. In dit geval is sprake van meer dan momentane onoplettendheid. [slachtoffer] moet immers langere tijd voor verdachte zichtbaar zijn geweest, terwijl zij bezig was de weg over te steken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd en geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] , als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat door het geheel van deze gedragingen een ernstig gevaar in het leven geroepen is waarop het overige verkeer niet bedacht is en ook niet op bedacht hoeft te zijn. Verdachte heeft met zijn rijgedrag te veel risico genomen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een dusdanige ernstige verkeersfout, dat gesproken kan worden van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag. Schuld in de zin van artikel 6 WVW is daarmee bewezen.

Vrijspraak van het onderdeel ‘zwaar lichamelijk letsel’.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bij het slachtoffer [slachtoffer] veroorzaakte letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit een recent overzichtsarrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1051) volgt dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, in elk geval kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit de letselverklaring die ten behoeve van [slachtoffer] is opgemaakt blijkt dat haar knieschijf als gevolg van het ongeval uit de kom was. [slachtoffer] heeft enkele weken een brace gedragen. Ongeveer 6 weken na het ongeval is gerapporteerd dat het goed gaat met [slachtoffer] , dat zij weinig pijnklachten ervaart en dat zij kan starten met fysiotherapie. Niet is gebleken van een noodzaak tot operatief ingrijpen, dat sprake is van zodanig letsel dat uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt of dat de mate van herstel onzeker is. De rechtbank is van oordeel dat het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel daarom niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Van dat deel van de tenlastelegging zal verdachte, net zoals door de verdediging is bepleit, dan ook worden vrijgesproken. Wel is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit in ieder geval tijdelijke ziekte en/of verhindering van de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Nadere overwegingen

Uit de verkeersongevallenanalyse (VOA) is gebleken dat het remsysteem van de bromfiets van verdachte niet deugdelijk functioneert. De rechtbank overweegt dat op basis van de VOA echter niet kan worden vastgesteld of het remsysteem ook vóór het ongeval ondeugdelijk functioneerde of dat dit gebrek als gevolg van het ongeval is ontstaan. Daarom kan niet worden vastgesteld dat het ondeugdelijke remsysteem van invloed is geweest op de toedracht van het ongeval. Om die reden spreekt de rechtbank verdachte vrij van dat onderdeel van de tenlastelegging.

De rechtbank stelt vast dat verder uit de VOA is gebleken dat de bromfiets van verdachte niet voldeed aan de maximumconstructiesnelheid. Echter, uit het dossier blijkt niet dat verdachte de maximaal toegestane snelheid zou hebben overschreden ten tijde van het ongeval. De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel in de tenlastelegging daarom ook geen onderdeel uitmaakt van het ten laste gelegde gevaarzettende gedrag. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.

Ook voor wat betreft het feit dat verdachte beginnend bestuurder is, oordeelt de rechtbank dat dit geen onderdeel uitmaakt van het ten laste gelegde gevaarzettende gedrag. Verdachte wordt daarom ook van dit onderdeel in de tenlastelegging vrijgesproken.

4.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 10 augustus 2016 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bromfiets, daarmee rijdende over de Rozengracht zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] , een knie(schijf) uit de kom, zijnde zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rozengracht, komende van de richting van de Westerkerk en gaande in de richting van de Marnixstraat,

verdachte is, gekomen ter hoogte van het voetgangersoversteekplaats niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte is een op de Rozengracht gelegen voetgangersoversteekplaats genaderd, welke werd aangegeven middels een in zijn rijrichting gekeerd bord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

verdachte heeft, in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 1 en/of 2 van voormeld reglement, een voetganger, te weten [slachtoffer] , die op die voetgangersoversteekplaats, gezien zijn (verdachtes) rijrichting, doende was om die Rozengracht van rechts naar links gaande, over te steken, geen voorrang verleend,

verdachte is vervolgens tegen deze voetganger aangereden waardoor voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven letsel, zijnde zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (OBM) wordt opgelegd van drie maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak.

8.2

Het strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat rekening dient te worden houden met een overschrijding van de redelijke termijn en met de omstandigheid dat verdachte als gevolg van deze strafzaak zijn baan is kwijtgeraakt. De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten en aan verdachte, gelet op zijn beperkte inkomen, een taakstraf op te leggen in plaats van een geldboete.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding. Verdachte heeft, rijdend op een bromfiets, een rood verkeerslicht genegeerd en heeft het slachtoffer, die zich op het zebrapad bevond, geen voorrang verleend, als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het negeren van een rood verkeerslicht is een ernstige overtreding, omdat in het verkeer medeweggebruikers op elkaar moeten kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld.

Als gevolg van het ongeval was de knieschijf van het slachtoffer uit de kom en heeft zij gedurende 6 weken een brace moeten dragen. Het slachtoffer heeft hiervan pijn en hinder ondervonden.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel en een tijdelijke ziekte heeft opgelopen, wordt als uitgangspunt een geldboete van
€ 1.000,- en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van 3 maanden opgelegd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat en de hoogte daarvan rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting door de verdediging naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als gevolg van het ongeval zijn baan bij [bedrijf 1] is kwijtgeraakt, maar dat hij inmiddels een nieuwe baan heeft als loodsmedewerker bij [bedrijf 2] . Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte.

Redelijke termijn

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak kan in een strafzaak op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt artikel 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dient de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Hoewel de redelijke termijn in voornoemde zin niet is overschreden ziet de rechtbank wel aanleiding om van het uitgangspunt van het LOVS af te wijken vanwege het tijdsverloop tussen de dag van het ongeval en het wijzen van dit vonnis.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank het opleggen van een taakstraf van 40 uur en een geheel voorwaardelijke OBM voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden acht. Het opleggen van een onvoorwaardelijke OBM is in dit geval niet langer opportuun.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 augustus 2018.

Bijlage

[...]