Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:10009

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
13/729080-13 18/3351
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift 552a Sv. Conservatoir beslag 94a Sv. Schijnconstructie? Rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat klager van de hoed en de rand wist of in elk geval redelijkerwijze kon vermoeden hoe de vork in de steel zat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/729080-13

RK: 18/3351

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. W. de Vries, [adres, te plaats] ,

klager.

1 Procesgang

1.1.

Het klaagschrift is op 23 mei 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.2.

Het Openbaar Ministerie heeft op 4 september 2018 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

1.3.

De rechtbank heeft op 11 september 2018 de (gemachtigde) raadsman van klager en de officieren van justitie, mrs. J.M. Kees en S.W.M. van der Linde, in openbare raadkamer gehoord.

1.4.

Klager is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inleiding

2.1.

Het Openbaar Ministerie heeft een onderzoek genaamd Offside ingesteld naar de vermeende criminele organisatie van de familie [naam familie 1] . Een van de hoofdverdachten in dat onderzoek is [persoon 1] . Het Openbaar Ministerie verdenkt hem onder meer van deelneming aan een criminele organisatie (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), oplichting (artikel 326 Sr) en arbeidsuitbuiting (artikel 273 Sr). Klager is in het onderzoek ook als verdachte aangemerkt. Hij wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, oplichting, valsheid in geschrift en witwassen.

2.2.

In de zaak tegen [persoon 1] (parketnummer 13/710134-10) is op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een aantal bankpassen waaronder een pas ten name van klager in beslag genomen en is op grond van de machtiging SFO van 18 september 2014 ten laste van klager, die door het Openbaar Ministerie wordt gezien als een stroman bij de aan- en verkoop van [naam hotel 1] aan de [adres 1] te [plaats 2] , zogenoemd conservatoir anderbeslag ex artikel 94a lid 4 Sv gelegd op:

  • -

    een vordering van klager op [naam bedrijf BV 1] ( [persoon 2] ) ter hoogte van € 2.400.000,-

  • -

    ABN AMRO-privérekening [rekeningnummer 1] t.n.v. klager, met een saldo van € 9.341,50;

  • -

    ABN AMRO-spaarrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. klager, met een saldo van € 475.000,-;

  • -

    ABN AMRO-vermogensspaarrekening [rekeningnummer 3] t.n.v. klager, met een saldo van € 900.000,-.

2.3.

In de strafzaak tegen klager is op 22 oktober 2014 ex artikel 94 Sv ‘klassiek’ beslag gelegd op de woning van klager aan de [adres 2] te [plaats 1] . Met een machtiging handhaven conservatoir beslag ex artikel 103 Sv van de rechter-commissaris van 26 mei 2015 is het klassieke beslag op de woning omgezet naar conservatoir voordeel- en geldboetebeslag ex artikel 94a Sv.

3 Inhoud van het klaagschrift

3.1.

Het klaagschrift strekt ertoe dat het beslag wordt opgeheven en/of de afgifte/teruggave aan een ander dan klager te verbieden, met last tot teruggave/afgifte aan klager.

3.2.

De raadsman van klager heeft zich heel kort samengevat op het standpunt gesteld dat het (op zijn minst) buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar van de verkoopopbrengst van [naam hotel 1] moet worden aangemerkt en dat er geen sprake is van een ‘schijnconstructie’.

4 Ontvankelijkheid van klager

4.1.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klaagschrift omdat dit moet worden gezien als een verkapt beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 29 december 2017 op het klaagschrift van 17 oktober 2017, waarin over hetzelfde werd geklaagd als in het onderhavige klaagschrift. De twee schriftelijke getuigenverklaringen die door klager zijn ingebracht en die betrekking hebben op het aankoopbedrag van [naam hotel 1] zijn mogelijk ‘nieuwe feiten’, maar zij zijn – in het licht van de vele overige aanwijzingen voor de verhaalsfrustratie met betrekking tot de verkoopopbrengst – niet van zodanige aard dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling, aldus de officieren van justitie.

4.2.

De rechtbank overweegt het volgende. Hernieuwd beklag ten aanzien van hetzelfde voorwerp is slechts mogelijk op grond van nieuwe feiten en omstandigheden. De klager is niet-ontvankelijk in zijn beklag indien aan die voorwaarde niet is voldaan (HR 21 oktober 1997, LJN ZD0838, NJ 1998, 172 en HR 4 september 2007, LJN BA2161). Niet is vereist dat de feiten en omstandigheden waarop in het hernieuwde beklag een beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich eerst na de behandeling van het eerdere klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. In het algemeen geldt dat een hernieuwd beklag ontvankelijk is indien een beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag (HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:580, HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:122 en HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2863).

4.3.1.

Klager heeft bij klaagschrift van 22 juni 2015 geklaagd over het voortduren van het beslag op de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] . Bij beschikking van 15 september 2015 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard. Bij klaagschrift van 17 oktober 2017 heeft klager opnieuw geklaagd over het voortduren van het beslag op voornoemde woning. De rechtbank heeft dat beklag op 29 december 2017 ongegrond verklaard. Klager klaagt voor de derde keer over het beslag dat op zijn woning is gelegd. In het klaagschrift wordt geen beroep gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het laatste klaagschrift was gebaseerd. Ondanks dat in het klaagschrift wordt aangekondigd, dat ‘met betrekking tot het beslag in het licht van de ontnemingsvordering opnieuw een alternatief voor het beslag op het huis naar voren [wordt] gebracht’, heeft klager geen beroep gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop de eerdere klaagschriften waren gebaseerd. Aan de in beslag genomen bankpassen, ten aanzien waarvan de rechtbank in haar beschikking van 29 december 2017 het beklag ongegrond heeft verklaard, wordt in het geheel geen aandacht geschonken. Dit brengt mee dat klager ten aanzien van zijn beklag over het voortduren van het beslag op de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] en de bankpassen niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4.3.2.

Klager heeft bij klaagschrift van 17 oktober 2017 ook geklaagd over het voortduren van het beslag op de vordering op [naam bedrijf BV 1] en op de saldi op zijn bankrekeningen. De rechtbank heeft die klacht op 29 december 2017 eveneens ongegrond verklaard. Klager heeft aangevoerd dat in het onderhavige klaagschrift het standpunt dat sprake is van een schijnconstructie (uitgebreider dan in het vorige klaagschrift) wordt ondergraven en dat daarenboven na de beschikking van de rechtbank van 29 december 2017 zich een ontwikkeling heeft voorgedaan in die zin dat nu door twee getuigen schriftelijk wordt bevestigd dat het aankoopbedrag van het pand op de [adres 1] niet van de familie [naam familie 1] maar van de familie [naam familie 2] afkomstig is. In raadkamer heeft de raadsman naar voren gebracht dat de afkomst van het aankoopbedrag bevestigt dat het buiten gerede twijfel is dat de verkoopopbrengst van [naam hotel 1] niet aan verdachte [naam familie 1] behoort, maar aan klager. Aangezien wordt verzocht om ‘een nieuwe toets’ en het klaagschrift wordt ondersteund met aanvullende informatie is klager ontvankelijk, aldus de raadsman van klager.

4.4.

De rechtbank ziet in de schriftelijke verklaringen van [persoon 3] en [persoon 4] van onderscheidenlijk 8 en 9 april 2018, bijlage 8 bij het klaagschrift, aanleiding om klager in zijn klaagschrift te ontvangen voor zover dit betrekking heeft op het beslag op de vordering op [naam bedrijf BV 1] en op de saldi op de bankrekeningen.

5 Het beoordelingskader

5.1.

De raadsman heeft in raadkamer aangevoerd dat de door de Hoge Raad aangelegde toets dat een inbreuk kan worden gemaakt op het eigendomsrecht tenzij het buiten gerede twijfel is dat de klager eigenaar is van het in beslag genomen voorwerp niet strookt met het eigendomsrecht. Dat recht brengt mee dat instanties daar pas inbreuk op mogen maken als het buiten gerede twijfel is dat het voorwerp dat in beslag wordt genomen toebehoort aan degene voor wie er een legitimatie bestaat dat op diens eigendomsrecht een inbreuk mag worden gemaakt. Het Openbaar Ministerie mag met andere woorden pas afpakken als het buiten gerede twijfel is dat het beslagen voorwerp aan de verdachte toebehoort, aldus de raadsman. De rechtbank dient (daarom) ten volle te toetsen of zich het geval voordoet dat het buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar van dat voorwerp moet worden aangemerkt en hiervan in haar beslissing blijk te geven en vervolgens te onderzoeken (en daarvan blijk moeten geven) of zich een situatie, zoals bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv, voordoet, aldus de raadsman.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823).

5.3.

In een geval als het onderhavige, waarin op de voet van artikel 94a Sv beslag rust op de in beslag genomen voorwerpen en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, moet als maatstaf worden aangelegd of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat in beslag genomen voorwerpen moet worden aangemerkt. Als dat laatste het geval is dan dient de rechtbank tevens te onderzoeken, en daarvan blijk geven, of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15).

5.4.

De rechtbank moet bij dat laatstbedoelde onderzoek – met inachtneming van het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer in een beklagprocedure kenmerkt – beoordelen of feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen aan de beslagene zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te frustreren (verhaalsfrustratie) en dat de beslagene dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden (HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2746). Anders dan de raadsman kennelijk zou willen zien, gaat het hier dus niet om een oordeel ten gronde. Een en ander neemt niet weg dat de rechtbank zorgvuldig dient vast te stellen of zich de bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet (vgl. de conclusie van AG Knigge van 3 juni 2014 ECLI:NL:PHR:2014:1375 in het bijzonder de kantlijnnummers 4.4 tot en met 4.15).

6 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

6.1.

De officieren van justitie hebben te kennen gegeven dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de familie [naam familie 1] vooralsnog wordt geschat op minimaal € 37.880.962,- en dat tegen onder anderen [persoon 1] een ontnemingsvordering zal worden ingediend en dat het conservatoire beslag op de ABN AMRO-bankrekeningen en de vordering op [naam bedrijf BV 1] dient te worden gehandhaafd om te kunnen dienen als verhaalsobjecten in de executiefase indien de rechter aan de leden van de familie [naam familie 1] (onder wie [persoon 1] ) een geldboete en/of ontnemingsmaatregel oplegt.

6.2.

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat in zaaksdossier 03.B [adres 1] / [naam hotel 1] (ten aanzien waarvan omwille van proceseconomische redenen de vervolging is gestaakt) de witwasverdenking jegens de familie [naam familie 1] staat beschreven, die er kort gezegd uit bestaat dat de criminele herkomst en de eigendom van het hotel werden verhuld, terwijl de familie [naam familie 1] de werkelijke rechthebbende is.

6.3.

In de visie van het Openbaar Ministerie bestaan er voldoende aanwijzingen dat er ten aanzien van de tegoeden op de ABN AMRO-rekening alsmede de vordering op [naam bedrijf BV 1] op [klager] – kort gezegd: de verkoopopbrengst van [adres 1] – sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 94a lid 4 Sv, waarbij de familie [naam familie 1] de werkelijke rechthebbende op deze vermogensbestanddelen is en deze kennelijk aan [klager] zijn gaan toebehoren om het verhaal daarop te bemoeilijken/frustreren.

6.4.

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat in het licht van alle feiten en omstandigheden zoals beschreven in de zaaksdossiers ZD03.B ( [naam hotel 1] ) en ZD04.A (Deelname criminele organisatie 140 Sr) blijkt dat de familie [naam familie 1] de feitelijke beschikking had over de verkoopopbrengst van [adres 1] en als enige hierover kon en mocht beschikken. Zij hebben er samengevat op gewezen dat de familie [naam familie 1] de beschikking had over de (enige) bankpas van de ABN AMRO-rekening van klager (die is aangetroffen in een bureaulade in het kantoor van [persoon 5] ); dat alleen met deze pas betalingen konden worden verricht vanaf de rekening van klager (door middel van een zogeheten e.dentifier); dat de familie [naam familie 1] betrokken is geweest bij het aanvragen van bankrekeningen voor klager en diens rechtspersonen; dat uit IP-adressen van het internetbankieren blijkt dat enkel vanaf de locaties van [naam familie 1] -hotels werd ingelogd op de rekening van klager; dat alle administratie behorende bij de rekeningen op naam van klager bij de [naam familie 1] Groep werd aangetroffen en dat geldopnames van deze rekening uitsluitend plaatsvonden nabij dezelfde locaties van de [naam familie 1] Groep (nog jaren nadat de verbouwing van [adres 1] is afgerond). Zij hebben verder opgemerkt dat de familie [naam familie 1] als heer en meester kon beschikken over de op deze bankrekening gestorte verkoopopbrengst van [adres 1] en dat dit blijkt uit de inhoud van de WeChat-gesprekken en uit het OVC-gesprek in de [plaats detentie] op 18 december 2014. [persoon 1] bepaalde wat er gebeurde met het saldo van de * [rekeningnummer 1] rekening; wanneer en aan wie gelden worden overgemaakt en of er wel of niet vanuit de verkoopopbrengst een lening mocht worden afgelost ( [naam hotel 2] ). Kort gezegd gebeurde er helemaal niets met deze gelden zonder de uitdrukkelijke toestemming van [persoon 1] , aldus de officieren van justitie.

7 Het oordeel van de rechtbank

7.1.1.

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

7.1.2.

[naam bedrijf BV 2] en [naam bedrijf BV 1] zijn vennootschappen die worden bestuurd door [persoon 2] . [persoon 2] heeft door middel van zijn vennootschappen in 2012 de exploitatie van het [naam hotel 1] aangekocht en twee jaar later tevens het pand aan de [adres 1] , waarin het hotel gevestigd is. In de tussenliggende periode (2012-2014) waarin [persoon 2] het hotel exploiteerde, werd de [adres 1] gedurende 24 maanden door [persoon 2] gehuurd. De huurpenningen werden maandelijks betaald op de ABN AMRO-rekening [rekeningnummer 1] t.n.v. klager. Op 26 maart 2014 werd het eigendom van [adres 1] door klager geleverd aan [naam bedrijf BV 1] . De koopprijs bedroeg € 5.600.000,-. Hiervan werd het gedeelte van € 3.200.000,- voldaan door storting op de kwaliteitsrekening van de notaris. Vervolgens is bij eindafrekening op 27 maart 2014 door de notaris het bedrag van € 2.329.460,84 overgemaakt op de genoemde rekening [rekeningnummer 1] van klager. Vanaf deze privérekening zijn vervolgens op 6 april 2014 overboekingen gedaan naar de aan deze rekening gekoppelde rekeningen [rekeningnummer 2] (€ 900.000,-) en [rekeningnummer 3] (€ 925.000,-).

7.1.3.

Op 30 september 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van de [naam familie 1] Groep Holding BV, [adres 3] te [plaats 1] . In een archiefkast die in gebruik was bij [persoon 5] , direct achter haar bureau, werden diverse ordners met daarin administratie aangetroffen met betrekking tot [klager] , zijn vennootschappen en bankrekeningen. Bij deze administratieve stukken werd een bankpas van de ABN AMRO-rekening [rekeningnummer 1] , pasnummer [nummer 1] , op naam van [klager] , aangetroffen en in beslag genomen. Deze privérekening staat op naam van klager. Uit de later bij de ABN AMRO gevorderde gegevens is gebleken dat de bankpas met nummer [nummer 1] tot dat moment de enige bankpas was die door de bank op deze bankrekening was afgegeven. Deze pas is nodig is om door middel van een zogeheten e.dentifier in te loggen op de website van ABN AMRO om te kunnen internetbankieren en om betalingen te kunnen verrichten. Uit de door ABN AMRO verstrekte gegevens over de bankrekening [rekeningnummer 1] blijkt dat er vanaf september 2013 tot en met mei 2014 alleen betalingen werden verricht vanaf IP-adressen die behoren bij adressen van hotels van de [naam familie 1] Groep. Bij de [naam familie 1] Groep is ook rekeningadministratie aangetroffen van andere bankrekeningen op naam van klager en zijn vennootschappen. Het gaat om onder meer de Rabobank-privérekening [rekeningnummer 4] . Bij een geldautomaat van de ABN AMRO op het [adres 4] te [plaats 1] werd in de periode 3 maart 2014 tot en met 14 juli 2014 door middel van 13 geldopnames in totaal € 22.750,- opgenomen (één opname van Rabobank rekening [rekeningnummer 4] en 12 opnames van ABN Amro Bank rekening [rekeningnummer 1] ). Deze geldautomaat is gelegen in de directe omgeving van [naam hotel 3] , [adres 5] te [plaats 1] en de plaats waar de administratie van de [naam familie 1] Groep werd gedaan, [adres 6] te [plaats 1] (tot aan de verhuizing van de administratie naar [naam hotel 4] ). Bij deze opnames is telkens gebruik gemaakt van pasnummer [nummer 1] behorende bij de ABN AMRO-rekening [rekeningnummer 1] t.n.v. klager. Een week na de aanhouding van [persoon 1] en [persoon 5] op 30 september 2014, heeft [persoon 6] telefonisch een nieuwe bankpas aangevraagd bij ABN AMRO. Hij heeft zich hierbij voorgedaan als zijn broer [klager] en heeft enkele door de bank gestelde beveiligingsvragen beantwoord. De volgende dag, op 9 oktober 2014, heeft de bank een nieuwe pas, met nummer [nummer 2] , verzonden. Op 13 oktober 2014 is de nieuwe pas geactiveerd. Vervolgens is in 9 tranches van € 50.000,- in totaal € 450.000,- vanaf de bankrekening van [klager] naar China overgeboekt. De ABN AMRO heeft dit bedrag op verzoek van het onderzoeksteam teruggeboekt, waarna het in beslag genomen werd. De bankpas met nummer [nummer 2] bleek in het bezit van [persoon 6] tijdens zijn aanhouding op 21 oktober 2014.

Op 30 juli 2012 werd in onderzoek 13DON een doorzoeking verricht in het kantoor van de [naam familie 1] Groep, [adres 6] te [plaats 1] . Bij de destijds in beslag genomen administratie werd een fax aangetroffen van 25 oktober 2006 van de Rabobank aan [persoon 8] met de mededeling dat hij hierbij drie rekeningnummers ontvangt van de rechtspersonen [klager] Holding BV i.o., [klager] Vastgoed BV i.o en [klager] Exploitatie BV i.o. In het register van de Kamer van Koophandel staat het telefoonnummer van [persoon 8] ( [telefoonnummer] ) geregistreerd bij de rechtspersonen [klager] Holding BV en [klager] Exploitatie BV.

Bij de aanhouding van [persoon 6] op 21 oktober 2014 en de doorzoeking van de woning [adres 2] te [plaats 1] werd een iPhone in beslag genomen, die in gebruik was bij [persoon 6] . In de telefoon werden diverse WeChat gesprekken aangetroffen tussen [persoon 6] (“ [naam 1] ”) en zijn broer [klager] (“ [naam 2] ”). De gesprekken (chatberichten) hebben betrekking op betalingen van [persoon 1] . Uit de WeChat-berichten tussen de gebroeders [naam familie 2] kan worden opgemaakt dat [persoon 1] in de periode van 30 juli 2013 tot en met 9 mei 2014 vanaf genoemde rekening geldbedragen naar China heeft overgemaakt. [persoon 1] bepaalde welke betalingen plaatsvonden en wanneer dat gebeurde. De communicatie tussen [persoon 6] en [klager] wijst erop dat zij uitsluitend in zijn opdracht handelingen verrichten, zoals verifiëren of betalingen zijn aangekomen, het doorgeven van boodschappen aan derden, of het uitvoeren van betalingen in China.

Tijdens een gesprek op 20 februari 2015 tussen [persoon 8] , [persoon 1] , [persoon 5] en [persoon 7] (echtgenote van [persoon 8] ) wil [persoon 5] [persoon 8] informeren dat [persoon 6] tevergeefs heeft getracht om € 450.000,- van de Nederlandse privérekening van [klager] naar China over te boeken en dat dit geld door de politie is onderschept.

7.2.

Klager stelt eigenaar te zijn van de vordering en de saldi op de rekeningen die op zijn naam staan. Hoewel de officieren van justitie in hun schriftelijke reactie van 7 december 2017 hebben geconcludeerd dat niet buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar van de saldi en de vordering moet worden aangemerkt, is dat voor de rechtbank, mede op grond van de derdenverklaring van de ABN AMRO van 10 november 2014, wel boven redelijke twijfel verheven. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht, stellende dat de beslagen voorwerpen hem in eigendom toebehoren, zich beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem.

7.3.

De vraag die moet worden beantwoord is of feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat sprake is van verhaalsfrustratie en dat klager dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden

7.4.

De rechtbank is, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van oordeel dat aannemelijk geworden is dat op naam van klager, die nauwelijks in Nederland verbleef, bankrekeningen zijn geopend terwijl de feitelijke beschikking over het saldo daarop bij de familie [naam familie 1] berustte. Het gaat onder meer om de ABN AMRO-rekening met nummer [rekeningnummer 1] t.n.v. klager de rekening waarop in maart 2014 door de notaris de verkoopopbrengst van het pand [adres 1] is gestort. De bankpas met nummer [nummer 1] behorende bij de privérekening [rekeningnummer 1] die op naam van klager staat, was in het bezit van [persoon 1] en/of [persoon 5] en werd aangetroffen bij de doorzoeking bij de [naam familie 1] Groep op 30 september 2014. Klager beschikte dus niet over de bankpas behorende bij zijn privérekening. Ruim twee jaar na de verkoop van de exploitatie van [naam hotel 1] (op 23 maart 2012) zijn er geldopnames gedaan met de pas [nummer 1] , terwijl er toen al lang niet meer werd verbouwd in het pand aan de [adres 1] . Uit de WeChat-berichten komt naar voren dat klager wetenschap heeft van het feit dat [persoon 1] de ABN AMRO-rekening met nummer [rekeningnummer 1] beheert. Al met al zijn er voldoende aanwijzingen dat [persoon 1] niet alleen de beschikking over de tegoeden op deze bankrekening had, maar ook de zeggenschap. Hij bepaalde wat er met het tegoed gebeurde, terwijl klager in China in zijn opdracht – via [persoon 6] – diverse uitvoeringshandelingen verricht.

7.5.

Er bestaan aldus voldoende aanwijzingen dat sprake is van een schijnconstructie met als doel verhaalsmogelijkheden op [persoon 1] te frustreren. De feiten en omstandigheden zijn zo concreet, dat op grond daarvan het sterke vermoeden gewettigd is dat klager dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden. Er is met andere woorden sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 94a lid 4 Sv. Hetgeen klager in zijn klaagschrift naar voren heeft gebracht inclusief de schriftelijke verklaringen van [persoon 3] en [persoon 4] heeft de rechtbank, gelet op het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer in een beklagprocedure kenmerkt, niet tot een ander oordeel gebracht.

7.6.1.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat het beslag moet worden opgeheven omdat het niet voldoet aan de beginselen van een behoorlijke procesode. Klager stelt dat zelfs indien een vermoeden bestaat van een schijnconstructie, het beginsel van subsidiariteit ertoe noopt dat eerst zal moeten worden bepaald of er een alternatief is waarbij derden (van wie dus nog niet vaststaat of zij betrokken zijn bij de schijnconstructie) buiten de strafzaak kunnen worden gehouden. Klager beroept zich met referte aan het EHRM-arrest Džinić tegen Kroatië (EHRM 17 mei 2016, nr 38359/13) op het eigendomsrecht, zoals beschermd door artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM, dat volgens hem door voortduring van de gelegde beslagen wordt geschonden. Klager heeft er in dit verband op gewezen dat de duur van het gelegde beslag aanzienlijk is te noemen, namelijk vanaf november 2014, het niet in lijn der verwachting ligt dat op korte termijn in de hoofdzaak een onherroepelijk oordeel wordt geveld en dat klager ten gevolge van het beslag op de liquiditeit ernstig beperkt wordt in de mogelijkheden om zaken te doen. Anderbeslag zou slechts moeten worden gehanteerd indien beslaglegging bij de verdachte in wiens strafzaak het beslag wordt gelegd onvoldoende soelaas biedt, aldus klager.

7.6.2.

De officieren van justitie hebben hiertegen ingebracht dat al eerder door het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat er zoveel mogelijk beslag is gelegd op het vermogen van de hoofdverdachte(n), maar dat veel vermogen van de familie [naam familie 1] is ondergebracht bij rechtspersonen (de diverse hotelbedrijven) die geen verdachte zijn in het onderzoek 13Offside. Daarnaast is het bekende onroerend goed van verdachten volledig hypothecair belast. Er stonden dus geen alternatieve beslagmogelijkheden open, aldus de officieren van justitie.

7.6.3.

Aangezien de rechtbank van oordeel is dat voldoende aanwijzingen bestaan dat klager van de hoed en de rand wist of in elk geval redelijkerwijze kon vermoeden hoe de vork in de steel zat, is zij tevens van oordeel dat de vlieger van de subsidiariteit hier niet opgaat. Zoals de rechtbank in haar beschikking van 15 september 2015 heeft overwogen, is artikel 94a, vierde lid Sv juist in het leven geroepen om beslag te kunnen leggen in geval sprake is van een schijnconstructie met frustratieverhaal als doel.

7.7.

Het beklag zal ten aanzien van de bankrekeningen en de vordering van klager op [naam bedrijf BV 1] dan ook ongegrond worden verklaard.

8 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag voor zover het betrekking heeft op de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] en de bankpassen niet-ontvankelijk en verklaart het beklag voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en F. Dekkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.