Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
13/656963-11, 13/651452-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging TBS met 1 (één) jaar, voorwaardelijke beëindiging verpleging van overheidswege

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/656963-11, 13/651452-11

BESCHIKKING

op de op 15 december 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 14 december 2016 in de zaak tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

thans in het kader van transmuraal verlof begeleid door het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [naam] te [plaats 1] ,

feitelijk wonende op het adres [adres] , [plaats 2] ,

die bij vonnis van deze rechtbank d.d. 3 januari 2012 ter beschikking gesteld werd, teneinde van overheidswege te worden verpleegd, welke terbeschikkingstelling laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 januari 2016 voor de tijd van 1 (één) jaar werd verlengd, welke beslissing op 9 juni 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bevestigd.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie bij de behandeling in openbare raadkamer op

2 februari 2017 strekt tot het verlengen van de termijn van de terbeschikkingstelling met

1. één) jaar en tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het op 16 november 2016 op grond van artikel 509o, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van het FPC [naam] , strekkende tot verlenging van deze terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;

  • -

    de op 4 november 2016 respectievelijk 14 oktober 2016 op grond van artikel 509o, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering opgemaakte rapporten van de psycholoog J.M. Oudejans en de psychiater J. Marx, beiden niet verbonden aan de inrichting waarin de terbeschikkinggestelde wordt verpleegd, beide strekkende tot verlenging van deze terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar en voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

  • -

    het op 28 december 2016 uitgebrachte Adviesrapport voorbereiding voorwaardelijke beëindiging dwangverpleging TBS van GGZ Reclassering Inforsa [plaats 4] , opgesteld door M.P. Vogelvanger.

De rechtbank heeft op 2 februari 2017 de officier van justitie mr. A.C. Bennis, de terbeschikkinggestelde en diens raadsman mr. F.P. Holthuis, advocaat te Den Haag, alsmede de deskundigen H.A. Kaal, verbonden aan FPC [naam] , en M.P. Vogelvanger, verbonden aan GGZ Reclassering Inforsa, in openbare raadkamer gehoord. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

Aan genoemd advies van het FPC [naam] d.d. 16 november 2016 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Kernproblematiek

De [betrokkene] (hierna: betrokkene) is gediagnosticeerd met een psychotische stoornis NAO, cocaïneafhankelijkheid en een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en borderlinetrekken.

Behandelverloop

Betrokkene verblijft sinds april 2012 in FPC [naam] . Betrokkene is een man met beperkte intellectuele capaciteiten en een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur die voornamelijk vanwege de verregaande steun en kaders van zijn netwerk redelijk heeft kunnen functioneren. Zodra deze steun om welke reden dan ook wegvalt, komt een zeer instabiele man naar voren die zijn kwetsbaarheid tracht te reguleren middels drugsgebruik en (waarschijnlijk daardoor) psychotisch decompenseert. Deze psychotische decompensaties leiden onder meer tot seksueel ontremd, impulsief en agressief gedrag.

Binnen het duidelijke kader van een tbs-kliniek, met antispychotische medicatie en abstinentie van middelengebruik, functioneert betrokkene stabiel, maar zijn afhankelijkheid van derden is nog steeds zichtbaar. Bij het afgeven van de machtiging onbegeleid verlof op 8 december 2015 is daarom duidelijk gesteld dat er blijvende aandacht dient te zijn voor het netwerk.

Op 2 januari 2016 is betrokkene overgeplaatst naar de [naam afdeling] , de resocialisatieafdeling van de kliniek. Op 2 juni 2016 is hij gemachtigd voor transmuraal verlof. Betrokkene is via een stappenplan met een geleidelijke opbouw inmiddels volledig teruggekeerd naar zijn gezin in [plaats 3] . Er is een drietal zaken dat mogelijk in de toekomst stresserend kan worden en dat – teneinde de afwikkeling van de terbeschikkingstelling kansrijk te laten verlopen – om een oplossing vraagt. Ten eerste is er de huisvesting. Betrokkene wil bij zijn vriendin gaan wonen, maar kan vooralsnog niet op haar adres worden ingeschreven. Zijn vriendin heeft daar bezwaar tegen omdat zij niet gekort wil worden op haar uitkering. Ten tweede heeft betrokkene zijn kinderen nooit erkend. Mocht er iets met zijn vriendin gebeuren, dan kan hij geen enkel ouderlijk gezag claimen. Tenslotte beheert de moeder van betrokkene nog steeds zijn financiën. Het valt nu nog te bezien in hoeverre betrokkene en zijn omgeving bereid zijn tot samenwerking, opdat de kans op psychische deregulatie, voortkomende uit spanningen op voornoemde leefgebieden, zo goed als mogelijk uitgesloten kan worden.

Recidiverisico

Het recidivegevaar bij hypothetisch ontslag, wanneer de controlerende en sturende functie van de kliniek of een instelling als de reclassering volledig weg zou vallen, wordt momenteel nog op matig tot hoog geschat. Betrokkene blijft kwetsbaar voor terugval in cocaïnegebruik en psychotische ontregeling.

Koers en prognose

Er is geen noodzaak meer om betrokkene binnen een beveiligde setting te laten verblijven. Het resocialisatietraject van betrokkene richt zich op een volledige terugkeer in de maatschappij, in wonen en werken. Betrokkene is inmiddels haast volledig herenigd met zijn gezin. De reclassering zal onderzoek doen naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Er zal dan wel een oplossing gevonden moeten zijn voor de ongewisheid wat betreft de huisvesting en de kinderen van betrokkene. Niet kan worden uitgesloten dat daar meer tijd voor nodig is. In dat geval kan er worden gedacht aan proefverlof.

Advies

Geadviseerd wordt om de termijn van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar te verlengen. Als betrokkene zich blijft houden aan de verlofvoorwaarden en zich positief opstelt richting begeleiding vanuit de reclassering, dan behoort een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging tot de mogelijkheden. Mocht de reclassering adviseren de dwangverpleging onder voorwaarden te beëindigen, dan wordt geadviseerd dit advies ter harte te nemen. De kliniek zal dan binnen het kader van FPT op gepaste afstand betrokken blijven. Mochten de problemen in de relatie van betrokkene echter van dien aard zijn dat er sprake is van een aanhoudende instabiele woonsituatie, dan zou het kunnen lonen om voor de resocialisatie van de betrokkene meer tijd te nemen. In dat geval wordt geadviseerd om termijn van de dwangverpleging met 1 (één) jaar te verlengen, waarna de kliniek en de reclassering de mogelijkheden van proefverlof zullen onderzoeken.

De deskundige Kaal heeft dit advies ter zitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Betrokkene heeft recentelijk een terugval in cocaïnegebruik gehad. Een groot verschil met zijn vorige terugval is dat betrokkene nu depotmedicatie toegediend krijgt. De depotmedicatie zorgt ervoor dat betrokkene in geval van cocaïnegebruik niet psychotisch zal decompenseren. De terugval van betrokkene geeft geen aanleiding tot aanpassing van het gegeven advies.

Aan genoemde rapportage van psycholoog J.M. Oudejans d.d. 4 november 2016 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van cocaïneafhankelijkheid (in gedwongen remissie) en een psychotische kwetsbaarheid die wordt geclassificeerd als een psychotische stoornis NAO. Het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag, vergelijkbaar met het indexdelict, wordt bij betrokkene bepaald door de kans dat hij opnieuw cocaïne gebruikt. Dat risico wordt momenteel afgedekt door de angst van betrokkene om opnieuw (seksuele) delicten te plegen, zijn inzicht in de risico’s van cocaïnegebruik, de begeleiding en het toezicht dat hij krijgt rondom het gebruik van middelen, en het verzekerde gebruik van anti-psychotische medicatie (in depotvorm) dat hem helpt om rust in zijn hoofd te scheppen, overzicht te bewaren en abstinent te blijven van cocaïne. Met deze overwegingen en risicofactoren is er, wanneer iedere vorm van begeleiding en structuur abrupt zou wegvallen, op de middellange termijn een matig verhoogde kans op recidive van delicten vergelijkbaar met het indexdelict. Op de korte termijn zal betrokkene er, gegeven een steunend sociaal netwerk, werk waar hij voldoening aan ontleent, zijn besef van de risico’s van cocaïne en zijn angst voor een nieuwe psychotische ontregeling, wel in slagen om abstinent te blijven van cocaïne en zal hij ook de anti-psychotische medicatie blijven gebruiken. Op de langere termijn bestaat echter de reële kans dat betrokkene qua werk teveel hooi op zijn vork gaat nemen, teveel en te hard gaat werken, er niet in slaagt de resulterende stress adequaat te hanteren, de medicatie onregelmatig gaat nemen of staakt (ook omdat het hem belemmert om hard(er) te werken), en dan terugvalt in het gebruik van cocaïne om de stress het hoofd te bieden en het harde werk vol te houden. Aldus wordt geconcludeerd dat er bij beëindiging van de terbeschikkingstelling sprake is van een matig recidiverisico op langere termijn.

Geadviseerd wordt om de termijn van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar te verlengen en de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen. Wat betreft de voorwaarden zijn, om de risico’s af te dekken, vooral de urinecontroles van belang, naast toezicht op het gebruik van de medicatie en meer praktische, coachende begeleiding als het gaat om het risico dat betrokkene teveel hooi op zijn vork neemt en daarmee spanningen schept die hij niet goed kan hanteren.

Aan genoemde rapportage van psychiater J. Marx d.d. 14 oktober 2016 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Anders dan de kliniek is de rapporteur van oordeel dat er bij betrokkene geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Het risico op seksueel gewelddadig gedrag hangt voornamelijk samen met het gebruik van cocaïne. Zolang betrokkene abstinent blijft van middelen, wordt het risico als laag ingeschat. Stressverhogende factoren kunnen worden gezien als een opmaat voor een verhoogde kans op cocaïnegebruik en terugval. Hoewel de rapporteur de zorgen van de kliniek ten aanzien van de potentiële stressoren deelt, worden deze anders gewogen. Een decompensatie voltrekt zich bij betrokkene in een aantal stappen, en er is een signalerend netwerk dat tijdig aan de bel kan trekken. Geadviseerd wordt om de termijn van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar te verlengen en de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen. De voorwaarden zullen zich vooral moeten richten op abstinentie van middelen (onder andere met behulp van urinecontroles), het continueren van de (craving verminderende) protectieve antipsychotica en behandeling/begeleiding door het Forensisch ACT team. Daarnaast kunnen voorwaarden worden geformuleerd die zich richten op het voorkomen van potentieel spanning verhogende factoren (huisvesting en financiën).

Aan genoemd Adviesrapport d.d. 28 december 2016 wordt onder andere het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

In de eerste jaren in FPC [naam] verloopt de behandeling voorspoedig omdat betrokkene zich goed inzet. In 2014 wordt een onderzoek naar de mogelijkheden voor voorwaardelijke beëindiging van de verpleging gevraagd. Aanvankelijk wordt positief geadviseerd, doch wordt dit advies na verscheidene terugvallen in cocaïnegebruik en psychotische decompensatie bijgesteld. Spanningen in de familierelaties zouden hiervan de oorzaak zijn. Tijdens de heropname is er aandacht geweest voor de familieverhoudingen en heeft betrokkene opnieuw behandeling gevolgd gericht op middelengebruik. Tevens is overgegaan op depotmedicatie. Betrokkene zegt door de depotmedicatie geen zucht naar drugs te ervaren. Hij is ook gemotiveerd om medicatie te blijven gebruiken. Het signaleren van spanningen en het in de gaten houden van de draagkracht/draaglast verhouding is voor betrokkene moeilijk en is een blijvend aandachtspunt. Betrokkene wil graag voldoen aan de verwachtingen van anderen. Hierin schuilt het gevaar zich te overvragen en terug te grijpen naar cocaïne om zich te kunnen handhaven met mogelijk psychotische decompensatie tot gevolg.

Binnen de huidige structuur waarbij betrokkene medicatietrouw en abstinent van middelen blijft, wordt het recidiverisico ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om betrokkene in aanmerking te laten komen voor voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege onder de opgestelde voorwaarden.

De deskundige Vogelvanger heeft dit advies ter zitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. De recente terugval van betrokkene in cocaïnegebruik geeft geen aanleiding tot aanpassing van het advies.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft de rechtbank verzocht de terbeschikkingstelling te verlengen met 1 (één) jaar en de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen.

De terbeschikkinggestelde heeft zich, bij de behandeling in openbare raadkamer, bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden.

Gelet op voormeld advies, het verhandelde in raadkamer en artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar wordt verlengd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk dient te worden beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat er voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde worden gesteld. De rechtbank neemt de door de reclassering opgestelde voorwaarden hiervoor over.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] voornoemd met 1 (één) jaar en beëindigt de verpleging van overheidswege voorwaardelijk onder de volgende voorwaarden:

  1. De [betrokkene] pleegt geen strafbare feiten.

  2. De [betrokkene] zal zich gedurende de looptijd van de tbs-maatregel niet buiten de grenzen van Nederland begeven, tenzij daartoe door het Openbaar Ministerie toestemming is gegeven.

  3. De [betrokkene] werkt mee aan een ambulante behandeling gericht op zijn psychiatrische problemen en verslavingsproblematiek.

  4. De [betrokkene] gebruikt medicatie conform voorschrift en zolang de behandelaar dit nodig acht.

  5. De [betrokkene] onthoudt zich gedurende de looptijd van de tbs-maatregel van het gebruik van harddrugs, softdrugs en alcohol.

  6. De [betrokkene] werkt mee aan bloed-, urine en ademanalysecontroles indien zijn begeleiders en/of behandelaars dergelijke controle geïndiceerd achten.

  7. De [betrokkene] geeft openheid van zaken betreffende zijn financiële situatie en bestedingspatroon.

  8. De [betrokkene] houdt zich aan de aanwijzingen van en afspraken met de toezichthouder van Inforsa reclassering.

  9. De [betrokkene] stelt zich controleerbaar op en geeft toestemming aan Inforsa reclassering om met alle personen en instellingen, die van belang zijn voor de controle op de naleving van de voorwaarden, contact op te nemen en informatie uit te wisselen.

  10. De [betrokkene] blijft met Inforsa reclassering in gesprek over zijn werk en waakt voor overbelasting.

  11. De [betrokkene] zal meewerken aan een time-out plaatsing bij FPC [naam] wanneer Inforsa reclassering dit nodig acht.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2017.