Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9953

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
AMS 17/4568
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toevoeging ingetrokken met terugwerkende kracht

Toevoeging voor echtscheiding met nevenvorderingen ingetrokken na resultaatsbeoordeling / behaalde resultaat echtscheiding komt boven norm van 50% heffingvrij vermogen / geen zwaarwegende omstandigheden / ongegrond met toepassing van 6:22

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. de Beet),

en

Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mrs. [naam] en [naam] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te Haarlem, de derde-partij.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende toevoeging met kenmerk [nummer] ingetrokken.

Bij besluit van 27 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De derde-partij heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigden. Derde-partij is verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft verweerder aan eiseres een toevoeging (kenmerk [nummer] ) verleend inzake een echtscheiding met nevenvorderingen. Eiseres is in de echtscheidingsprocedure bijgestaan door de derde-partij, tevens haar toenmalige advocaat.

1.3

In de echtscheidingsprocedure zijn de volgende beschikkingen genomen:

- Bij beschikking van 18 juni 2014 heeft de rechtbank Noord-Holland de echtscheiding uitgesproken en is tevens beslist over de verdeling van de gemeenschap van goederen;1

- Bij beschikking van 16 maart 2016 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland zich uitgesproken over de hoogte en verdeling van de kosten van de ingeschakelde deskundige;2

- Bij beschikking van 25 mei 2016 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland zich uitgesproken over de verdeling van de waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [naam] van de ex-echtgenoot van eiseres.3

1.4

Bij brief van 29 juni 2016 heeft verweerder het voornemen geuit de aan eiseres verleende toevoeging met terugwerkende kracht in te trekken. Verweerder heeft namelijk van de derde-partij het bericht ontvangen dat de rechtsbijstand in de zaak van eiseres is geëindigd. Uit de door de advocaat meegezonden stukken blijkt dat eiseres na afloop van de echtscheidingsprocedure recht heeft op een bedrag dat hoger is dan 50% van het heffingvrij vermogen.

1.5

Eiseres heeft op 5 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verweerder. Verweerder heeft dit later aangemerkt als een prematuur bezwaar tegen het primaire besluit.

1.6

Verweerder heeft in het primaire besluit de aan eiseres verleende toevoeging ingetrokken op grond van artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

1.7

Bij brief van 29 december 2016 heeft de derde-partij desgevraagd op het primaire besluit gereageerd.

1.8

In bezwaar hebben voorts diverse emailwisselingen plaatsgevonden tussen partijen en zijn diverse aanvullende bezwaarschriften/stukken verzonden.

1.9

Op 19 mei 2017 is eiseres gehoord door verweerders Commissie voor Bezwaar. De derde-partij is eveneens gehoord.

Het bestreden besluit

2. Verweerder handhaaft in het bestreden besluit de intrekking van de toevoeging van eiseres. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de zaak definitief is beëindigd met de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 25 mei 2016. Op grond van de verdeling zoals door de rechtbank bepaald, heeft verweerder berekend dat eiseres na de echtscheiding een bedrag ontvangt dat de voor haar geldende normgrens van € 12.218,50 overschrijdt, namelijk: € 28.209,49.

3. Eiseres is het hier niet mee eens. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiseres onder het kopje ‘Bespreking beroepsgronden’ bespreken.

Het wettelijk kader

4. Op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb wordt, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken indien op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen heeft.

Bespreking beroepsgronden

Het toetsmoment / de woning en de restschuld

5.1

Verweerder heeft de woning, de daaraan gekoppelde levensverzekering en de hypotheek onder verwijzing naar de Werkinstructie Resultaatbeoordeling (de Werkinstructie) niet bij de resultaatbeoordeling betrokken.

5.2

Eiseres voert allereerst aan dat verweerder een onjuist toetsingsmoment hanteert. Het toetsingsmoment moet zijn de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van
25 mei 2016, terwijl de berekening in het bestreden besluit rekenschap geeft van de Akte van Verdeling van 15 mei 2017. Hierdoor is ten onrechte de restschuld van de woning van eiseres niet meegenomen in de resultaatbeoordeling. Eiseres verwijst in dit kader naar het voorbeeld uit de ‘Bijlage bij werkinstructie resultaatbeoordeling’, pagina 2 onder punt 4. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2014 in rechtsoverweging 2.8.5 is opgenomen dat partijen de onderwaarde van het huis ieder voor de helft zullen dragen. Omdat dit is opgenomen in de beschikking, dient verweerder de restschuld mee te nemen in de resultaatbeoordeling, aldus eiseres.

5.3

De rechtbank overweegt dat in de totstandkomingsgeschiedenis4 van artikel 34g van de Wrb staat dat bij de definitieve afhandeling van de zaak wordt beoordeeld of op basis van het financiële resultaat in de zaak waarvoor rechtsbijstand is verleend kan worden gesteld dat de rechtszoekende in staat kan worden geacht de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen. De draagkracht wordt beoordeeld op het moment waarop de zaak is afgehandeld. Dat wil zeggen dat niet van belang is of de rechtsbijstand is beëindigd. Immers, in een dergelijk geval hoeft de zaak nog niet te zijn afgehandeld. Dit is bijvoorbeeld het geval als in hoger beroep of cassatie wordt gegaan. De zaak is dan pas afgehandeld indien het gerechtshof of respectievelijk de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, aldus de wetgever. In dit geval is de toevoeging aan eiseres verleend voor een echtscheiding met nevenvorderingen. Voor de resultaatbeoordeling moet van het einde van de echtscheidingsprocedure worden uitgegaan en wel het moment waarop de in dat geding aan de orde zijnde vonnissen in kracht van gewijsde zijn gegaan. Hiermee wordt bedoeld het moment dat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken. Op dat moment is de zaak waarvoor de toevoeging is verleend, definitief afgehandeld.5 Eiseres noch haar ex-echtgenoot heeft hoger beroep ingesteld, dus in het geval van eiseres is dat drie maanden vanaf 26 mei 2016 (de dag waarop de beschikking van 25 mei 2016 aan partijen is verzonden). In het bestreden besluit noemt verweerder echter de beschikking van 25 mei 2016 als toetsmoment. Nu uit de berekeningen in het bestreden besluit en de toelichting van verweerder ter zitting wel blijkt dat verweerder effectief van een toetsmoment is uitgegaan dat is gelegen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, ziet de rechtbank aanleiding dit gebrek in het bestreden besluit te passeren met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.4

Ten aanzien van de gronden van eiseres over de woning en de restschuld overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de Werkinstructie tellen te ontvangen roerende en onroerende zaken niet mee voor de resultaatbeoordeling. Blijkens de beschikking van 25 mei 2016 – waarin wordt verwezen naar de verdelingsbeschikking van 18 juni 2014 – is eiseres in de gelegenheid gesteld om de betreffende woning over te nemen. Nu uit de Akte van Verdeling van 15 mei 2017 blijkt dat eiseres de woning en de daaraan gekoppelde levensverzekering en de hypotheek inderdaad heeft verkregen, heeft verweerder deze vermogensbestanddelen terecht niet in de resultaatbeoordeling betrokken. Het voorbeeld waar eiseres naar verwijst, ziet op de situatie dat de opbrengst van het huis bij echtscheiding nog niet bekend is en het huis dus nog niet is verkocht (aan een derde). In het geval van eiseres is dat niet aan de orde. Zij heeft de woning immers overgenomen overeenkomstig de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2014. Deze beschikking is verder uitgewerkt in de Akte van Verdeling van 15 mei 2017. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de waarde van de woning en de daarbij behorende restschuld onder verwijzing naar het beleid buiten beschouwing heeft mogen laten, ongeacht of in de beschikking van de rechtbank staat dat de ex-echtgenoten de onderwaarde van het huis ieder voor de helft zullen dragen, zoals eiseres subsidiair heeft betoogd. De beroepsgrond slaagt niet.

De bankrekeningen

6.1

Verweerder is voor de resultaatbeoordeling uitgegaan van de bedragen die zijn opgenomen in rechtsoverweging 2.8.8. van de beschikking van 18 juni 2014. Hieruit volgt dat is gebleken van:

  • -

    een op naam van de ex-echtgenoot staande bankrekening met een negatief saldo per 1 januari 2013 van € 78,47;

  • -

    een en/of bankrekening met een saldo per 1 januari 2013 van € 2.796,25;

  • -

    een en/of internetspaarrekening met een saldo per 1 januari 2013 van € 510,32.

Volgens de beschikking hebben partijen afgesproken dat de ex-echtgenoot zijn eigen rekening behoudt en dat eiseres de helft van het negatieve vermogen aan hem zal vergoeden. Partijen zijn verder overeengekomen dat de en/of bankrekening zal worden toebedeeld aan de vrouw, waarbij het genoemde saldo minus een bedrag van € 830,-, derhalve een bedrag van € 1.966,25, bij helfte zal worden verdeeld. Partijen zijn het er verder over eens dat het saldo van de internetspaarrekening al is verdeeld.

Op basis van het bovenstaande komt verweerder uit op een behaald resultaat van € 1.199,05.

6.2

Eiseres voert aan dat verweerder voor de resultaatbeoordeling niet zuiver heeft gehandeld door uit te gaan van de banksaldi op 1 januari 2013. Omdat op dit moment het salaris net gestort is, maar de vaste lasten er nog niet vanaf zijn, geeft dit een vertekend beeld van het vermogen van eiseres.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen uitgaan van de bedragen zoals genoemd in de beschikking van 18 juni 2014. Zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht, is voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap deze beschikking van de rechtbank leidend. Het kan voorkomen dat de ex-echtgenoten na een beschikking van de rechtbank andere afspraken maken, of dat de verdeling toch anders loopt in de praktijk, maar verweerder hoeft daar in beginsel geen rekening mee te houden. De beschikking van de rechtbank is een objectief stuk waar verweerder zich aan vast kan houden bij de resultaatbeoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.

De auto en de vouwwagen

7.1

Verweerder is voor de resultaatbeoordeling uitgegaan van rechtsoverweging 2.8.6. van de beschikking van 18 juni 2014. Op basis hiervan komt verweerder tot een bedrag van
- € 1.750,- dat moet worden verrekend met het door eiseres behaalde resultaat.

7.2

Ten aanzien van de auto en de vouwwagen voert eiseres aan dat de auto al in 2013 is verkocht voor € 3000,- omdat hij stuk was. In 2014 had zij dus geen auto meer tot haar beschikking, maar moest zij van de rechtbank Noord-Holland wel € 2.250,- aan haar ex‑echtgenoot betalen.

7.3

De rechtbank stelt vast dat uit de beschikking van 18 juni 2014 blijkt dat eiseres en haar ex-echtgenoot zijn overeengekomen dat eiseres een bedrag van € 2.250,- voor de auto aan haar ex-echtgenoot zal betalen en dat zij een bedrag van € 500,- zal ontvangen voor de vouwwagen. De opbrengst komt voor eiseres dus neer op een bedrag van - € 1.750,-. Los van het feit dat de stelling van eiseres dat de auto al in 2013 was verkocht voor € 3000,- niet is onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de resultaatbeoordeling heeft mogen uitgaan van de bedragen zoals genoemd in de beschikking van 18 juni 2014. De beroepsgrond slaagt niet.

De beleggingsverzekeringen

8.1

Verweerder is voor de resultaatbeoordeling uitgegaan van rechtsoverweging 2.8.11. van de beschikking van 18 juni 2014. Hierin staat dat partijen zijn overeengekomen dat de beleggingsverzekeringen bij [naam] en het [naam] worden afgekocht en dat de waarde bij helfte zal worden verdeeld. Partijen hebben afgesproken dat de beleggingsrekening van de [naam] om niet aan de ex-echtgenoot zal worden toebedeeld. Ten aanzien van de beleggingsverzekering bij [naam] heeft de ex-echtgenoot aangegeven dat hij deze verzekering niet meer heeft en dat hij de helft van de waarde per

1 januari 2013 van € 484,36 aan eiseres zal voldoen. Ten slotte zijn partijen overeengekomen dat de aandelen bij [naam] zullen worden verkocht en dat de waarde bij helfte verdeeld zal worden. Op basis hiervan komt verweerder tot een behaald resultaat van
€ 5.804,19.

8.2

Eiseres voert aan dat de in de resultaatbeoordeling meegenomen beleggingsverzekeringen geen beleggingsverzekeringen, maar lijfrentepolissen zijn. Eén stond op naam van de ex-echtgenoot van eiseres en één op naam van eiseres zelf. Volgens pagina drie van de werkinstructie worden lijfrentepolissen bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten indien deze niet aan een hypotheek zijn gekoppeld en al bestonden bij aanvang van de zaak. Ten onrechte is in de beschikking van 18 juni 2014 opgenomen dat het gaat om beleggingsverzekeringen. Dit is een fout geweest van de advocaten in de echtscheidingsprocedure.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook ten aanzien van de beleggingsverzekeringen mocht uitgaan van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2014. Als een fout in de beschikking staat, had eiseres daar destijds tegen op moeten komen. Eiseres heeft dit niet gedaan. Verweerder heeft er dus van uit mogen gaan dat sprake was van beleggingsverzekeringen waarvan de waarde wordt verdeeld overeenkomstig de beschikking van 18 juni 2014. Dat eiseres het niet eens is met de wijze waarop de derde‑partij haar belangen heeft behartigd in de echtscheidingsprocedure, doet in dit geval niet ter zake, nu het aan verweerder noch de rechtbank is om daar een oordeel over te geven. Artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb gaat uit van (het resultaat van) de zaak waarvoor rechtsbijstand is verleend en niet van de kwaliteit van de verleende rechtsbijstand.6 De beroepsgrond slaagt niet.

De kosten van de deskundige

9.1

Verweerder heeft voor de resultaatbeoordeling alleen de deskundigenkosten die zijn gemaakt ter waardering van de ondernemingen van de ex-echtgenoot meegerekend. De facturen van 19 april 2013 en van 24 juli 2014 heeft verweerder op basis van de omschrijving buiten beschouwing gelaten. Verweerder komt tot een bedrag van - € 14.221,75 dat moet worden verrekend met het door eiseres behaalde resultaat.

9.2

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet alle kosten van de in de echtscheidingsprocedure ingeschakelde deskundigen heeft betrokken bij de resultaatbeoordeling. De vraag die aan de deskundige werd voorgelegd, viel uiteen in twee vragen: wat zijn de geldstromen van de ex-echtgenoot van eiseres en hoe dient de waarde van zijn onderneming te worden vastgesteld? Voor het totaal van deze vragen was een deskundig oordeel noodzakelijk. Het volledige bedrag was € 16.339,25. Dit zou in het geheel in mindering moeten worden gebracht. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de opdrachtverstrekking aan bureau [naam] . Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de kosten slechts ten dele in mindering zijn gebracht.

9.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder twee facturen van bureau [naam] buiten beschouwing heeft gelaten bij de resultaatbeoordeling. Het gaat om de factuur van

19 april 2013 en de factuur van 24 juli 2014. In de omschrijving van de factuur van

19 april 2013 staat het volgende: “Advies- en begeleidingswerkzaamheden. Adviesopdracht via advocatenkantoor [naam] ”. In de omschrijving van de factuur van 24 juli 2014 staat: “Advies- en begeleidingswerkzaamheden. Bedrijfskundige advies- en begeleidingswerkzaamheden privé”. In de overige vijf facturen die wel door verweerder zijn meegerekend, staat de volgende omschrijving: “Advies- en begeleidingswerkzaamheden. Voorschotnota – Werkzaamheden de heer [naam] conform afspraak”.

De rechtbank stelt ook vast dat zich in het dossier (gedingstuk A30) een email van 17 december 2014 bevindt van eiseres aan [naam] van bureau [naam] . In de email staat het volgende:

“Geachte heer [naam] ,

Mijn advocaat de heer [naam] heeft contact met uw kantoor opgenomen inzake

bijstand omtrent de waardering van het bedrijf van mijn ex-man inzake echtscheiding. Ik heb vernomen wat het uurtarief is en dat er een voorschotnota wordt verzonden. Ik ga akkoord met deze voorwaarden en wil uw kantoor vragen mij bij te staan.
Mijn advocaat neemt contact op met de heer [naam] voor de afspraken met de deskundige.

Met vriendelijke groet,

[naam] ”

De rechtbank stelt verder vast dat [naam] bij emailbericht van 17 december 2014 de volgende email aan de derde-partij en de heer [naam] heeft gestuurd. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende: “We gaan de voorschotnota versturen. Na betaling kunnen we aan het werk.”

De rechtbank stelt voorts vast dat in de beschikking van 18 juni 2014 in rechtsoverweging 2.8.12. het volgende staat:

“De onderneming zal worden toe gescheiden aan de man. Ter zitting hebben partijen verzocht om de verdeling op het punt van de waardering van de onderneming aan te houden teneinde partijen de gelegenheid te geven om tot overeenstemming te komen. De rechtbank zal derhalve de zaak aanhouden tot 2 juli 2014 pro forma. Indien partijen niet tot overeenstemming over de waarde van de onderneming komen, dienen partijen zich uit te laten over de vraag wie zij tot deskundige benoemd willen hebben en dienen zij aan te geven welke vragen er precies aan deze deskundige gesteld moeten worden.”

9.4

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de factuur van 19 april 2013 buiten beschouwing heeft mogen laten, aangezien deze dateert van voor de beschikking van 18 juni 2014 en uit de omschrijving niet blijkt om wat voor advies- en begeleidingswerkzaamheden het gaat en of en hoe deze zich verhouden tot de verdeling van de waarde van de onderneming van de ex-echtgenoot. Uit de omschrijving van de factuur van 24 juli 2014 blijkt dat het om privéwerkzaamheden zou gaan. Ook die factuur heeft verweerder daarom buiten beschouwing mogen laten. De beroepsgrond slaagt niet.

De besloten vennootschap [naam]

10. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de opbrengst van de B.V. van de ex-echtgenoot van eiseres zoals is vastgelegd in de beschikking van 25 mei 2016, niet in geschil is. Dit betekent dat verweerder het bedrag van € 37.178 heeft mogen meenemen in de resultaatsbeoordeling als behaald resultaat.

Conclusie berekening resultaatsbeoordeling

11. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank, net als verweerder in het bestreden besluit, tot een totaal behaald resultaat van € 28.209,49. Niet in geschil is dat 50% van het heffingsvrij vermogen in 2016 lag op een bedrag van € 12.218,50. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres deze norm heeft overschreden.

Zwaarwegende omstandigheden

12.1

Ter zitting heeft eiseres een beroep gedaan op de verstrekkende gevolgen van het bestreden besluit. Eiseres heeft de opbrengst van de echtscheiding gebruikt om het huis over te nemen waarin zij nu met haar drie minderjarige kinderen woont. Als zij nu zelf de advocaatkosten moet betalen, komt zij met haar drie kinderen op straat te staan, aldus eiseres.

12.2

De rechtbank vat dit op als een beroep op zwaarwegende omstandigheden als bedoeld in artikel 34g, eerste lid, aanhef, van de Wrb en overweegt hiertoe als volgt. Uit aantekening 8 bij artikel 34g van de Wrb in het Handboek Toevoegingen 2007 volgt dat indien de rechtzoekende (lees: eiseres) de opbrengst van de zaak voor een bepaald doel heeft bestemd, zoals de aankoop van een woning, geen sprake is van zwaarwegende omstandigheden. Dit beleid is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet onredelijk.7 Dit beroep slaagt niet.

Eindconclusie

13. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

14. Omdat de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit heeft geconstateerd (zie rechtsoverweging 5.3), veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding om ook aan de derde-partij kosten te vergoeden.

16. De rechtbank draagt verweerder voorts op het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zaaknummer/rekestnummer: C/15/204761 / FA RK 13-2362 (es) en C/15/204783 / FA RK 13-2372 (vd).

2 Zaaknummer/rekestnummer: C/15/204761 / FA RK 13-2362.

3 Zaaknummer/rekestnummer: C/15/204761 FA RK 13-2362 (es) en C/15/204783 / FA / RK 13-2372 (vd).

4 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 29685, nr 3, blz 22 e.v.

5 Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3514 en de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 november 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:2353.

6 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3148.

7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2455.