Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9889

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
13-751849-17 RK 17-5996
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Detentieomstandigheden in Italiaanse penitentiaire inrichtingen en de rapportages van ‘Associazione Antigone’:

Bij uitspraak van 26 oktober 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7856) heeft deze rechtbank geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Italië zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.

De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de mededeling van het Italiaanse Ministerie van Justitie, afdeling Penitentiaire administratie, Algemene Directie Gedetineerden en Behandeling dat “er op dit moment in de Italiaanse penitentiaire inrichtingen geen enkele gedetineerde in kamers is geplaatst in ruimtes die kleiner zijn dan 3 m2.”

Deze mededeling dateert van 9 oktober 2017, nadat het Openbaar Ministerie onder de aandacht van de uitvaardigende justitiële autoriteit had gebracht dat uit het statistisch rapport zou kunnen worden opgemaakt dat gedetineerden in een vijftal inrichtingen mogelijk over minder dan 3 m2 personal space in cellen beschikken.

In het nieuwe rapport van Antigone zijn nieuwe gegevens opgenomen. Per 31 oktober 2017 zouden gedetineerden in negen gevangenissen minder dan 3 m2 personal space hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is de mededeling van het Italiaanse Ministerie van Justitie dermate recent, dat aan de nieuwe gegevens van Antigone niet een zodanig gewicht toekomt dat zij nopen tot een heroverweging van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 oktober 2017 heeft geoordeeld met betrekking tot de detentieomstandigheden in Italië.

Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de mededeling dat sommige gevangenissen een bezettingsgraad van 150 % hebben, afkomstig is van het Italiaanse Ministerie van Justitie dat op 9 oktober 2017 heeft gegarandeerd dat er per gedetineerde 3 m2 personal space beschikbaar zal zijn.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.849-17 (EAB 1)

RK-nummer: 17/5996

Datum uitspraak: 7 december 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 september 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 april 2017 door de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court - Office of execution of penalties Imperia (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats 1] (Italië) op [geboorteplaats 2] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het [Huis van Bewaring] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 september 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Italiaanse taal. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de zitting van 12 oktober 2017, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en de beantwoording van reeds gestelde aanvullende vragen af te wachten.

Op deze zitting heeft de rechtbank de termijn als bedoeld in artikel 22, eerste lid, OLW met dertig dagen verlengd, omdat de rechtbank er niet in slaagt binnen die termijn uitspraak te doen.

Op de openbare zitting van 12 oktober 2017 heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de vertaling van de antwoorden op de aanvullende vragen af te wachten.

Bij tussenuitspraak van 26 oktober 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in afwachting van de antwoorden van uitvaardigende justitiële autoriteit over de gerezen onduidelijkheid over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon.

Op de openbare zitting van 24 november 2017 heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een:

- order of execution in view of incarceration n. 421/2016 SIEP of 20 January 2017 issued by the Office of the Prosecutor of the Republic of Imperia en

- judgment of 5 April 2016 of the Court of Imperia irrevocable on 23 July 2016.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeventien jaren, zes maanden en zes dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde order. Met deze Order heeft de bevoegde Italiaanse autoriteit verschillende vrijheidsstraffen, waaronder de bij het judgment van 5 april 2016 opgelegde vrijheidsstraf van acht maanden, samengevoegd tot een totaalstraf van de genoemde duur.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

De order of execution van 20 januari 2017

Onder verwijzing naar Rb. Amsterdam 26 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7856 stelt de rechtbank vast dat de procedure die heeft geleid tot de order of execution van 20 januari 2017 niet een procedure is die aan artikel 12 OLW moet worden getoetst, omdat het Italiaanse Openbaar Ministerie in die procedure niet beschikt over een beoordelingsmarge zoals bedoeld in het arrest Zdziaszek (HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629, punt 88).

4.2

Het judgment van 5 april 2016

4.2.1

Inhoud van de stukken

Onderdeel d) van het EAB houdt het volgende in:

d) Decision rendered: in custody present

- The person concerned has been summoned in person or otherwise informed of the date and place of the hearing which led to the decision rendered in absentia

Onderdeel d) van het EAB is niet in overeenstemming met onderdeel d) van het EAB-modelformulier, zoals dat is gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ.

Op verzoek van het parket heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog onderdeel d) van het EAB-modelforumlier ingevuld. Dit onderdeel houdt onder meer het volgende in:

d) Gelieve te melden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:

1 X Ja, uit het bovenschrift van de uitspraak kan worden afgeleid dat de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing en dat hij werd bijgestaan door een zelf gekozen raadsman.

(…)

Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 november 2017 houdt in dat het voorarrest van de opgeëiste persoon in de Nederlandse strafzaak met parketnummer 20/001885-16 is gestart op 17 oktober 2015 en is beëindigd op 10 maart 2016.

Het M-formulier van 12 oktober 2017 houdt onder meer het volgende in:

Sending Sirene: ` Germany

(…)

Family Names: [opgeëiste persoon]

First Names: [voornaam opgeïste persoon]

(…)

Response To Your Message: (…) Please be informed that the person was

imprisoned in Germany for the Italian EAW from

21.06.2016 until 08.09.2016 (…)

4.2.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het is niet geloofwaardig dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot het vonnis van 5 april 2016 heeft geleid. Nadat de opgeëiste persoon in Nederland op 10 maart 2016 was vrijgelaten, is hij meteen naar Duitsland vertrokken. Daar is hij weer aangehouden op grond van een Italiaans EAB. Volgens de Duitse beslissing tot weigering van de overlevering is vanaf 2 mei 2016 om aanvullende gegevens verzocht aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon zat toen dus al vast. Het is onbestaanbaar dat hij in de tussentijd in Italië op een zitting is geweest.

Als de opgeëiste persoon op de zitting in Italië zou zijn verschenen, dan zou de Italiaanse rechter hem niet hebben laten gaan. Op dat moment lag er immers al het EAB uit San Remo van 8 november 2012. Het is dus ook om deze reden niet logisch en onwaarschijnlijk dat de opgeëiste persoon inderdaad op die zitting is verschenen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde nader informatie op te vragen over de periode waarin de opgeëiste persoon in Duitsland in detentie heeft doorgebracht.

4.2.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire verweer niet kan slagen en heeft zich verzet tegen inwilliging van het subsidiaire verzoek. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De rechtbank moet het doen met de informatie uit Italië.

Het is niet onlogisch of onwaarschijnlijk dat de opgeëiste persoon in Italië niet is aangehouden op grond van het EAB uit San Remo. Dat EAB betekent dat de opgeëiste persoon gesignaleerd stond. Anders dan in Nederland, zijn in Italië de systemen niet op elkaar afgestemd. Het kan daar dus voorkomen dat een persoon die op een zitting verschijnt bij een rechtbank verschijnt en die gesignaleerd staat niet wordt aangehouden op basis van die signalering.

4.2.4

Oordeel van de rechtbank

Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 november 2017 neemt de onduidelijkheid weg die de aanleiding vormde voor de tussenuitspraak, te weten de omstandigheid dat de opgeëiste persoon volgens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2017 in de periode van 17 oktober 2015 tot 9 juni 2016 – en dus ten tijde van de zitting in Italië – in Nederland in voorarrest zou hebben gezeten.

In beginsel moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van de mededeling dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot het vonnis heeft geleid.

Wat de raadsman heeft aangevoerd, geeft geen reden tot twijfel. De Duitse autoriteiten hebben immers meegedeeld dat de opgeëiste persoon vanaf 21 juni 2016 in Duitsland gedetineerd is geweest. Er is dan ook geen reden om eraan te twijfelen dat de opgeëiste persoon tussen zijn vrijlating in Nederland op 10 maart 2016 en zijn detentie in Duitsland vanaf 21 juni 2016 in Italië in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting.

Artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.

De rechtbank verwerpt het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd een valse naam opgeven

6 Detentieomstandigheden

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat er met betrekking tot de detentieomstandigheden in Italië nieuwe informatie is ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van deze rechtbank van 26 oktober 2017.

Er is een nieuw rapport van de Italiaanse organisatie Associazione Antigone (hierna: Antigone) dat is opgemaakt ten behoeve van een aanstaand bezoek van de UN Committee Against Torture. De raadsman wijst op de passage in het rapport [op de pagina waar noot 22 voorkomt], waarin wordt verwezen naar de bezettingsgraad van 113,5 %. Dat percentage geeft echter een vertekend beeld, omdat bij de berekening daarvan gevangenissen zijn meegenomen die vanwege renovatie gesloten zijn. Sommige gevangenissen hebben lage percentages overbevolking, maar andere hebben een percentage van 150 %. Volgens Antigone is in sommige gevangenissen minder dan 3 m2 ‘personal space’ per gedetineerde beschikbaar.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. Het overgelegde rapport bevat geen nieuwe informatie. Het rapport is inhoudelijk gelijk aan het eerdere rapport. De informatie over de bezettingsgraad van 150 % is volgens noot 27 afkomstig van het Italiaanse Ministerie van Justitie. Dat Ministerie heeft ook meegedeeld dat per gedetineerde ten minste 3 m2 beschikbaar is.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij uitspraak van 26 oktober 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7856) heeft deze rechtbank

geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat

personen die in Italië zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.

De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de mededeling van het Italiaanse Ministerie van Justitie, afdeling Penitentiaire administratie, Algemene Directie Gedetineerden en Behandeling dat “er op dit moment in de Italiaanse penitentiaire inrichtingen geen enkele gedetineerde in kamers is geplaatst in ruimtes die kleiner zijn dan 3 m2.”

Deze mededeling dateert van 9 oktober 2017, nadat het Openbaar Ministerie onder de aandacht van de uitvaardigende justitiële autoriteit had gebracht dat uit het statistisch rapport zou kunnen worden opgemaakt dat gedetineerden in een vijftal inrichtingen mogelijk over minder dan 3 m2 personal space in cellen beschikken.

In het nieuwe rapport van Antigone zijn nieuwe gegevens opgenomen. Per 31 oktober 2017 zouden gedetineerden in negen gevangenissen minder dan 3 m2) personal space hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is de mededeling van het Italiaanse Ministerie van Justitie dermate recent, dat aan de nieuwe gegevens van Antigone niet een zodanig gewicht toekomt dat zij nopen tot een heroverweging van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 oktober 2017 heeft geoordeeld met betrekking tot de detentieomstandigheden in Italië.

Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de mededeling dat sommige gevangenissen een bezettingsgraad van 150 % hebben, afkomstig is van het Italiaanse Ministerie van Justitie dat op 9 oktober 2017 heeft gegarandeerd dat er per gedetineerd 3 m2 personal space beschikbaar zal zijn.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Office of the Prosecutor of the Republic attached to the Court - Office of execution of penalties – Imperia (Italië) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 7 december 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.