Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9880

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
13/680152-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (omkatten van gestolen voertuigen) en is veroordeeld voor oplichting, heling en witwassen (13Subra).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680152-15 (13Subra) (Promis)

Datum uitspraak: 28 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[GBA] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op

9, 10, 12 en 13 oktober en 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Bennis en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Steller naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is, na wijziging op de zittingen van 9 en 13 oktober 2017 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich (in de zaak 13Subra) in de periode van 27 maart 2014 tot en met 12 oktober 2015 heeft schuldig gemaakt aan

  1. (mede)plegen van oplichting van 23 verkopers van voertuigen, door zich voor te doen als bonafide koper en die verkoper te bewegen tot het beschikbaar stellen van gegevens;

  2. (mede)plegen van oplichting van 19 kopers van voertuigen, door omgekatte voertuigen te koop aan te bieden en te verkopen en de koper daarmee te bewegen tot afgifte van een geldbedrag;

en/of
(mede)plegen van poging tot oplichting van twee kopers van (omgekatte) voertuigen;

3. ( (mede)plegen van (gewoonte)witwassen, door chassisnummers/framenummers, kentekenplaten en/of tenaamstellingen van 19 uit misdrijf afkomstige voertuigen te wijzigen (omkatten) en daarmee te verhullen wie de rechthebbende van die voertuigen was;

en/of

(mede)plegen van (gewoonte)opzetheling van 19 voertuigen;

4. deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot voertuigen, namelijk het gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften, oplichting, diefstal en witwassen;

5. (mede)plegen van het gebruik maken van valse en/of vervalste overschrijvingsbewijzen.

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

2.3

Verbeterde lezing tenlastelegging

2.3.1

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde oplichting

De rechtbank leest de in de eerste regel van de onder 2 ten laste gelegde oplichting genoemde datum “27 maart 2015” als “27 maart 2014”, omdat – gelet op de overige inhoud van de tenlastelegging – van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

2.3.2

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, witwassen

In raadkamer is vastgesteld dat in de tenlastelegging onder 3, met betrekking tot het witwassen, het bestanddeel ontbreekt dat verdachte de in die tenlastelegging genoemde handelingen ten aanzien van voertuigen heeft verricht terwijl hij “wist dat die voertuigen uit enig misdrijf afkomstig waren”. Immers, de volgende zinsnede ontbreekt:

“terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat voornoemde (personen)auto’s en/of motor(en) en/of scooter(s) en/of voertuig(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf”.

De vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of dit kan worden beschouwd als een (kennelijke) misslag en de tenlastelegging – zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad - verbeterd kan worden gelezen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo’n verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), maar een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van verdachte is vereist.

De rechtbank onderkent dat de in de tenlastelegging ontbrekende zinsnede een bestanddeel is van het (kennelijk) ten laste gelegde (gewoonte)witwassen. Bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan dat feit (zonder verbeterde lezing) niet worden gekwalificeerd als strafbaar feit. Dat de steller van de tenlastelegging beoogd heeft (gewoonte)witwassen als bedoeld in artikel 420bis juncto artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ten laste te leggen, lijdt echter (mede gelet op de onder de tenlastelegging vermelde wetsartikelen en de in de aanhef van de tenlastelegging genoemde kwalificatie) geen twijfel.

Uit de behandeling ter terechtzitting alsmede uit de gevoerde verdediging, waarbij het ten laste gelegde witwassen uitvoerig aan bod is geweest, leidt de rechtbank af dat verdachte wist waarvan hij werd beschuldigd en tegen welke verdenking hij zich moest verdedigen. De rechtbank beschouwt het dan ook als een kennelijke misslag van de officier van justitie dat deze in de tenlastelegging het bestanddeel dat verdachte de in die tenlastelegging genoemde handelingen heeft verricht terwijl hij “wist dat de daarin genoemde voertuigen uit enig misdrijf afkomstig waren” niet heeft opgenomen en zal, nu de rechtbank uit het voorgaande afleidt dat verdachte daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad, de tenlastelegging verbeteren door daaraan de woorden “terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat voornoemde (personen)auto’s en/of motor(en) en/of scooter(s) en/of voertuig(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf” toe te voegen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Onderzoek 13Subra

4.1.1

Aanleiding onderzoek 13Subra en ‘modus operandi’

Uit verkregen informatie van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (hierna: LIV) is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) sinds oktober 2014 in een korte tijd meerdere kentekens op zijn naam had gesteld en voor deze kentekens ook duplicaatkentekens had aangevraagd. Ook door het toenemend aantal aangiften en meldingen dat kentekens zonder toestemming van de eigenaar van het betreffende voertuig op naam van anderen werd gezet rees het vermoeden dat [medeverdachte 1] zich, al dan niet samen met anderen, bezighield met voertuigcriminaliteit. Naar aanleiding van deze informatie is op 4 juni 2015 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 13Subra. Tijdens dit onderzoek kwamen verdachte, [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) als medeverdachten naar voren.

Uit het onderzoek 13Subra ontstond het vermoeden dat verdachten zich bezighielden met voertuigcriminaliteit en dat daarbij gebruik werd gemaakt van een steeds terugkerende werkwijze (modus operandi). Deze werkwijze kan als volgt worden omschreven. Door verdachten werden personen, die hun voertuig via een internetsite zoals www.marktplaats.nl te koop hadden aangeboden, telefonisch benaderd. Zij deden zich voor als bonafide kopers. Verdachten toonden interesse in het te koop aangeboden voertuig en zij vroegen vaak al bij het eerste contact of de verkopers in het bezit waren van een papieren kentekenbewijs. In veel gevallen werd een bezichtiging gepland. Bij deze bezichtigingen werden de gegevens van de voertuigen, zoals het Voertuig Identificatie Nummer (hierna: VIN, ook wel chassisnummer of framenummer genoemd) en kentekenbewijs, bekeken. In een aantal gevallen werden deze gegevens op verzoek van verdachten door de verkopers telefonisch, via whatsapp, of per e-mail aan verdachten verstrekt. In géén van de gevallen vond een verkoop plaats. Kort, soms een dag, na de bezichtiging en/of ander contact tussen verdachten en de verkoper van het voertuig, werd het kenteken van dat voertuig op naam gesteld van één van de verdachten.

Uit onderzoek is gebleken dat een groot aantal gegevens die nodig zijn om kentekenbewijzen te vervalsen via de internetsite van de Rijks Dienst voor Wegverkeer (hierna: de RDW) zijn te achterhalen. Alleen de controleletter, die op deel 2 van het papieren kentekenbewijs staat vermeld, het chassisnummer/framenummer en de daaruit af te leiden meldcode zijn daar niet te vinden. Deze gegevens kunnen alleen via het voertuig en de kentekenbewijzen, die in het bezit zijn van de te naam gestelde, worden achterhaald. Door de verkopers, al dan niet tijdens een bezichtiging, te vragen naar de bij dat voertuig behorende gegevens, hebben verdachten noodzakelijke informatie verzameld voor het kunnen (doen) overschrijven van dat kenteken op naam van één van de verdachten. De RDW verstrekte vervolgens de nieuwe kentekencard en overschrijvingscode aan verdachten.

Vervolgens werd voor dat kenteken een duplicaat kentekenplaat aangevraagd bij, in veel gevallen, de kentekenplatenfabriek [fabriek] . De duplicaat kentekenplaat met ophoogcode werd op een gestolen voertuig geplaatst. Uit onderzoek is gebleken dat van deze gestolen voertuigen de chassisnummers/framenummers waren gewijzigd en daarmee overeenkwamen met de betreffende op het kentekenbewijs genoemde chassisnummer/framenummer, als ware het een ‘echt’ voertuig. Hiermee is sprake van een gekloond voertuig. Vervolgens werd het voertuig te koop aangeboden op marktplaats.nl of bij een garagebedrijf of scooterhandel. Verdachten deden zich daarbij voor als bonafide verkopers. De gekloonde voertuigen werden verkocht aan nietsvermoedende kopers. Verdachten waren immers in het bezit van een nieuwe kentekencard en een overschrijvingscode. Ook kwam het chassisnummer/framenummer op deze kentekencard overeen met het chassisnummer/framenummer op het te koop aangeboden voertuig. De kopers hadden aldus in beginsel geen reden te vermoeden dat er iets mis was met de voertuigen.

De hiervoor beschreven werkwijze, waarin een reeks aan strafbare feiten is aangewend, zoals oplichting van verkopers en kopers van voertuigen, heling en witwassen, had geen ander doel dan het tegen reële marktwaarde verkopen van gestolen voertuigen.

Daar waar wordt gesproken over “omkatten” van voertuigen, begrijpt de rechtbank hieronder -mede- “klonen” van voertuigen.

In het onderzoek 13Subra is de hiervoor beschreven werkwijze in 23 zaken aan het licht gekomen. Deze zaken komen aan bod in de zaaksdossier 1 t/m 16 en 20 t/m 26. In ieder van deze zaaksdossiers wordt verdachte verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting van de verkopers. In de zaaksdossiers 1 t/m 11, 13 t/m 16, 20 en 22 t/m 25 wordt hem tevens verweten kopers van voertuigen te hebben opgelicht (en of dit geprobeerd te hebben) alsmede (met uitzondering van zaaksdossier 13) zich schuldig te hebben gemaakt aan heling en witwassen. Daarnaast wordt verdachte verweten te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie en gebruik te hebben gemaakt van vervalste overschrijvingsbewijzen.

In dit vonnis zullen deze zaaksdossiers in paragraaf 4.1.4 in chronologische volgorde worden besproken.

4.1.2

Standpunten

4.1.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde oplichting, reeds omdat er geen bewijs is dat verdachte bij een bezichtiging aanwezig is geweest. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) oplichting in de zaaksdossiers 8 t/m 10, 22, 24 en 25 en poging oplichting in zaaksdossier 11.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 3 ten laste gelegde, witwassen, nu onvoldoende bewijs voorhanden is voor de uitvoering van verhullingshandelingen in de zin van artikel 420bis Sr.

Verder heeft de officier van justitie ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde heling betoogd dat bewezen kan worden dat verdachte wist dat hij een omgekat en daarmee van misdrijf afkomstig voertuig voorhanden heeft gehad met betrekking tot de zaaksdossiers 8 t/m 11, 24 en 25.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde, deelname aan een criminele organisatie heeft de officier van justitie tot bewezenverklaring gerekwireerd en betoogd dat voldoende bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte zich gedurende langere tijd actief heeft bezig gehouden met diverse activiteiten binnen de criminele organisatie. De werkzaamheden betroffen het op naam zetten van het ‘leen’ kenteken, het aanvragen van een duplicaatcode voor het verkrijgen van duplicaat kentekenplaten en het vervolgens verkopen van de omgekatte voertuigen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde aangevoerd dat niet is vast te stellen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste overschrijvingsbewijzen en heeft gevorderd verdachte van dat feit vrij te spreken.

4.1.2.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte als (mede)pleger betrokken is geweest bij het bezichtigen van de voertuigen voor het verkrijgen van gegevens en hij derhalve van feit 1 dient te worden vrijgesproken.

Ook van het onder 2 ten laste gelegde dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de zaaksdossiers 8, 9, 10 ,11, 22, 24 en 25 had verdachte niet het oogmerk om zich en/of andere wederrechtelijk te bevoordelen.

Verdachte moet ook worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde witwassen. Als het omkatten onderdeel is van de oplichting, is het onderdeel van het grondfeit, waarmee het verhullen van de identiteit niet ook nog als gewoontewitwassen ten laste kan worden gelegd. Het omkatten is dan onderdeel van het eigen misdrijf. Niet kan worden bewezen dat verdachte uitvoeringshandeling heeft verricht.

Niet blijkt dat verdachte de voertuigen van zaaksdossiers 1 t/m 7 en 14 t/m 23 voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van de overige zaaksdossiers blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat verdachte bij het voorhanden krijgen van de voertuigen wist dat deze van enig misdrijf afkomstig waren, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde heling.

Ook ten aanzien van feit 4 wordt vrijspraak bepleit. Verdachte heeft geen opzet gehad op het plegen van strafbare feiten en daarmee ook niet op het plegen van strafbare feiten in een samenwerkingsverband, laat staan op het deel uitmaken van een samenwerkingsverband dat tot doel heeft strafbare feiten plegen. Daarnaast is niet gebleken dat hij op enigerlei wijze in contact stond met medeverdachten. Wat overblijft is een veronderstelde misdadige samenwerking met medeverdachte [medeverdachte 1] . Dat maakt nog geen organisatie, dat zou hooguit tot medeplegen van de andere ten laste gelegde feiten kunnen leiden.

De raadsman heeft tot slot ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde aangevoerd dat niet is vast te stellen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste overschrijvingsbewijzen en heeft verzocht verdachte van dat feit vrij te spreken.

4.1.3

Beoordeling feit 1: oplichting van verkopers

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat [verdachte] van feit 1, (mede)plegen van oplichting van de verkopers, moet worden vrijgesproken. Er is in de zaaksdossiers namelijk geen enkel aanknopingspunt voorhanden dat [verdachte] betrokken is geweest bij de oplichting van verkopers.

4.1.4

Beoordeling van de zaaksdossiers, ten aanzien van de feiten 2: oplichting kopers en 3: witwassen en heling

4.1.4.1 Zaaksdossiers 1 tot en met 7, 14 tot en met 16, 20 en 23

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte in de zaaksdossiers 1 tot en met 7, 14 tot en met 16, 20 en 23 moet worden vrijgesproken van het medeplegen van oplichting van kopers, witwassen en heling omdat deze zaaksdossiers geen aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bevatten.

4.1.4.2 Zaaksdossiers 8 tot en met 11, 13, 22, 24 en 25

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 8 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn scooter van het merk Piaggio, met kenteken [kenteken] , te koop had aangeboden op marktplaats.nl. Begin april 2015 werd [naam persoon] gebeld via het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Tijdens het gesprek werd gevraagd of [naam persoon] in het bezit was van een papieren kentekenbewijs. Op 7 april 2015 had de bezichtiging plaatsgevonden in Maarssen in aanwezigheid van de stiefvader van [naam persoon] , [naam persoon] . Ten tijde van die bezichtiging had het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] gebruik gemaakt van een zendmast in Maarssen, evenals de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer (* [telefoonnummer] ) behoort toe aan [medeverdachte 2] . Volgens de politie is [medeverdachte 2] ook de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] . [medeverdachte 3] zou de gebruiker zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , zo leidt de politie uit een ander politieonderzoek genaamd 13Atik af.

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 9 april 2015 de scooter met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Op 13 april 2015 heeft [medeverdachte 1] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

Op 14 april 2015 heeft [naam persoon] , eigenaar van [naam winkel] , de scooter met kenteken [kenteken] gekocht voor € 2.200,- en op zijn naam laten stellen. [naam persoon] heeft verklaard de scooter gekocht te hebben van [verdachte] , een kopie van diens legitimatiebewijs te hebben gemaakt en het vrijwaringsbewijs van de scooter aan hem mee te hebben gegeven. Het vrijwaringsbewijs van de scooter is aangetroffen in de woning van [verdachte] . [naam persoon] heeft € 400,- contant betaald en heeft € 1.800,- overgemaakt op het rekeningnummer ten name van [naam persoon] . Dit bleek het rekeningnummer te zijn van [medeverdachte 1] . [naam persoon] heeft de scooter doorverkocht aan [naam persoon] onder wie de scooter in beslag werd genomen. Uit onderzoek bleek dat het VIN niet door de fabrikant was aangebracht. De scooter, met origineel kenteken [kenteken] , bleek tussen 12 en 13 april 2015 te zijn gestolen van [naam persoon] .

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 9 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn scooter, met kenteken [kenteken] , te koop had aangeboden op marktplaats.nl. Op 16 april 2015 werd [naam persoon] gebeld via het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Tijdens het gesprek werd gevraagd of [naam persoon] in het bezit was van een papieren kentekenbewijs. Op 17 april 2015 heeft de bezichtiging plaatsgevonden in Weert. Twee mannen kwamen naar de scooter kijken. Ten tijde van die bezichtiging heeft het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] gebruik gemaakt van een zendmast in Weert, evenals de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer (* [telefoonnummer] ) behoort toe aan [medeverdachte 2] . Volgens de politie is [medeverdachte 2] ook de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] . [medeverdachte 3] zou de gebruiker zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , zo leidt de politie uit een ander politieonderzoek genaamd 13Atik af.

Tijdens de bezichtiging hadden de mannen gevraagd of zij het chassisnummer mochten vergelijken met het nummer op het kentekenbewijs. [naam persoon] heeft toen het kentekenbewijs gegeven. In de straat waar de bezichtiging had plaatsgevonden hingen camera’s. Bij het uitkijken van deze beelden is [medeverdachte 2] herkend door de verbalisanten [naam verbalisant] , [naam verbalisant] en [naam verbalisant] .

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 18 april 2015 de scooter met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Op 22 april 2015 heeft [medeverdachte 1] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

Op 22 april 2015 heeft verbalisant [naam verbalisant] een scooter met kenteken [kenteken] zien rijden. [verdachte] bleek de bestuurder te zijn en [medeverdachte 1] de bijrijder. [verdachte] heeft [naam verbalisant] de kentekencard van de scooter overhandigd. Het chassisnummer van de scooter kwam overeen met de kentekencard.

Op 23 april 2015 heeft [naam persoon] , de scooter met kenteken [kenteken] gekocht van [verdachte] voor € 1.500,- waarbij [verdachte] zich heeft gelegitimeerd met zijn identiteitsbewijs. [naam persoon] heeft de scooter doorverkocht aan [naam persoon] onder wie de scooter in beslag is genomen. Uit onderzoek bleek dat het VIN niet door de fabrikant was aangebracht. De scooter, met origineel kenteken [kenteken] , bleek tussen 22 en 23 april 2015 te zijn gestolen van [naam persoon] .

Een telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] heeft telefonisch contact gehad met het telefoonnummer van [naam persoon] . In een telefoon van [verdachte] staat dit nummer opgeslagen onder de naam “ [naam persoon] ”. [naam persoon] is de roepnaam van [medeverdachte 3] .

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 10 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] haar scooter, met kenteken [kenteken] , te koop had aangeboden op marktplaats.nl. [naam persoon] werd gebeld door een jongen genaamd [naam persoon] via het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] en had met hem een afspraak gemaakt voor de bezichtiging op 20 april 2015 in Assendelft. Twee mannen kwamen naar de scooter kijken en hadden [naam persoon] naar het kentekenbewijs en het chassisnummer gevraagd. Eén van de jongens had het kentekenbewijs in zijn handen. Ten tijde van die bezichtiging had het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] gebruik gemaakt van een zendmast in Assendelft, evenals de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer (* [telefoonnummer] ) behoort toe aan [medeverdachte 2] . Volgens de politie is [medeverdachte 2] ook de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] . [medeverdachte 3] zou de gebruiker zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , zo leidt de politie uit een ander politieonderzoek genaamd 13Atik af.

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 21 april 2015 de scooter met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Op 29 april 2015 heeft [medeverdachte 1] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

Op 2 mei 2015 heeft [naam persoon] / [naam winkel] , de scooter met kenteken [kenteken] gekocht van [verdachte] voor € 1.700,-, waarbij [verdachte] zich heeft gelegitimeerd met zijn identiteitsbewijs. In de woning van [verdachte] werd het vrijwaringsbewijs voor het voertuig met kenteken [kenteken] aangetroffen. Daarnaast werd op één van de telefoons van [verdachte] een foto aangetroffen van de scooter met duplicaatkenteken [kenteken] . Op deze foto is [medeverdachte 1] herkend als de persoon die het voertuig met een hogedrukspuit en een borstel aan het schoonmaken is. Onder [naam winkel] werd de scooter in beslag genomen. Uit onderzoek bleek dat het VIN niet door de fabrikant was aangebracht. De scooter, met origineel kenteken [kenteken] , bleek tussen 30 april 2015 en 1 mei 2015 te zijn gestolen van [naam persoon] .

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 11 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn auto van het merk BMW X6, met kenteken [kenteken] , te koop had aangeboden op marktplaats.nl. [naam persoon] werd gebeld door een jongen genaamd [naam persoon] via het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] en had met hem een afspraak gemaakt voor de bezichtiging op 30 april 2015 in Barendrecht. Twee mannen kwamen naar de auto kijken. Eén van de mannen was [naam persoon] , de ander stelde zich voor als [naam persoon] . De mannen hadden de auto bekeken. [naam persoon] had aangegeven dat hij de auto zo snel mogelijk wilde kopen. Op 2 mei 2015 had [naam persoon] op verzoek van de mannen nog een foto van het kentekenbewijs gemaild naar het e-mailadres van [naam persoon] , [emailadres] .

Ten tijde van die bezichtiging heeft het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] gebruik gemaakt van een zendmast in Barendrecht, evenals de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] behoort toe aan [medeverdachte 2] . Volgens de politie is [medeverdachte 2] ook de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] . [medeverdachte 3] zou de gebruiker zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , zo leidt de politie uit een ander politieonderzoek genaamd 13Atik af. In een telefoon van [verdachte] staat het nummer * [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam “ [naam persoon] ”. [naam persoon] is de roepnaam van [medeverdachte 3] .

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 2 mei 2015 de auto met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Op 6 mei 2015 heeft [medeverdachte 1] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

[naam persoon] heeft verklaard dat hij werd gebeld door de eigenaar van [naam winkel] en dat hem werd verteld dat zijn auto bij [naam winkel] te koop was aangeboden. [naam persoon] had op marktplaats.nl gezocht en had gezien dat zijn auto door een ander te koop werd aangeboden.

Op 7 mei 2015 werd [verdachte] op heterdaad aangehouden op verdenking van heling van een gestolen auto met kenteken [kenteken] . [verdachte] was samen met een andere man met een donkere huidskleur naar autobedrijf [naam winkel] gekomen en had voornoemde auto te koop aangeboden. [naam winkel] vertrouwde het niet en had gezien dat dezelfde auto op marktplaats te koop werd aangeboden. Nadat hij contact had opgenomen met de beheerder van die marktplaatsadvertentie, [naam persoon] , had [naam winkel] de politie gebeld. Bij zijn aanhouding had [verdachte] twee telefoons bij zich, op één van de telefoons werd een foto aangetroffen van de auto met kenteken [kenteken] , voorzien van een ophoogcode. Voorts was op die telefoon een filmpje opgeslagen dat was opgenomen op 7 mei 2015 waarin te zien was dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen in een auto zaten en enthousiast over een BMW X6 aan het praten waren.

De auto werd in beslag genomen en uit onderzoek bleek dat het VIN van die auto niet door de fabrikant was aangebracht. De auto, met origineel kenteken [kenteken] , bleek tussen 2 en 3 mei 2015 te zijn gestolen van [naam persoon] / [naam winkel]

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 13 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn scooter, van het merk Piaggio N/A met kenteken [kenteken] , sinds maart 2015 te koop had aangeboden op marktplaats.nl. [naam persoon] heeft verklaard dat hij eind april/begin mei 2015 wel eens had afgesproken met een potentiële koper en dat deze koper dan wilde kijken of het chassisnummer overeenkwam met het kentekenbewijs. Uit het dossier is gebleken dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] op 7 en 8 april 2015 contact heeft gehad met [naam persoon] . Volgens de politie is [medeverdachte 2] de gebruiker van dit telefoonnummer.

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 18 mei 2015 de scooter met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Op 20 mei 2015 heeft [verdachte] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

Op 22 mei 2015 heeft [naam persoon] , via marktplaats.nl, een scooter met kenteken [kenteken] gekocht voor een bedrag van € 2.100,-. Uit onderzoek naar het marktplaats account is gebleken dat aan dit account de gebruikersnaam ‘ [naam persoon] ’ was gekoppeld alsmede het e-mailadres [emailadres] . Op 28 oktober 2015 werden [naam persoon] twee foto’s getoond, waarbij [medeverdachte 5] werd herkend als de verkoper van de scooter. In de nacht van 17 op 18 oktober 2015 werd de scooter van [naam persoon] gestolen. Om die reden is niet bekend geworden welk gestolen voertuig is gekloond en aan [naam persoon] is verkocht.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 22 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn motor van het merk Piaggio, met kenteken [kenteken] , op 25 juni 2015 te koop had aangeboden op marktplaats.nl. Op diezelfde dag werd hij door een man gebeld met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Op 27 juni 2015 kwamen twee jongens de motor bezichtigen op de Pampuslaan in Amsterdam. Eén van de mannen had het kentekenbewijs bekeken en de andere man het chassisnummer. [naam persoon] heeft [medeverdachte 3] bij een enkelvoudige fotoconfrontatie herkend als één van die mannen. Ten tijde van de bezichtiging heeft het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , alsmede het nummer eindigend op * [telefoonnummer] , gebruik gemaakt van een zendmast in de onmiddellijke omgeving van de Pampuslaan in Amsterdam. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer * [telefoonnummer] van 12 tot en met 15 mei 2015 gebruik heeft gemaakt van het IMEI-nummer eindigend op * [telefoonnummer] . Bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] is de telefoon aangetroffen met dit IMEI-nummer. Van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] is vastgesteld dat dit nummer net als nummer * [telefoonnummer] contact heeft gehad met [naam persoon] . [medeverdachte 3] zou de gebruiker zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] , zo leidt de politie uit een ander politieonderzoek genaamd 13Atik af.

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 29 juni 2015 de motor met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Deze overschrijving heeft plaatsgevonden bij de Primera op het [filiaal] te Amsterdam. Op de camerabeelden is [verdachte] herkend als de persoon die de overschrijving heeft gedaan. Op 1 juli 2015 heeft [medeverdachte 1] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

Op 8 juli 2015 heeft [naam persoon] , de motor met kenteken [kenteken] via marktplaats gekocht voor € 6.000,-. [naam persoon] had contact gehad met een persoon die gebruik maakte van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer in de periode van 27 juni 2015 tot en met 12 juli 2015 in voornoemde telefoon met IMEI-nummer eindigend op * [telefoonnummer] had gezeten. Voorts is uit onderzoek gebleken dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] opvolgend op het nummer eindigend op * [telefoonnummer] in hetzelfde telefoontoestel zat, het telefoontoestel dat in de woning van [medeverdachte 2] is aangetroffen. De motor is op 8 juli 2015 in de Bruna in het filiaal [filiaal] overgeschreven op naam van [naam persoon] . [naam persoon] heeft verklaard dat de verkoper van de motor met hem was meegegaan naar het postkantoor. Op de camerabeelden van de Bruna is [medeverdachte 5] herkend als de verkoper van de motor.

[naam persoon] heeft de motor doorverkocht aan [naam persoon] , onder wie de motor in beslag is genomen. Uit onderzoek bleek dat het VIN niet door de fabrikant was aangebracht. De motor, met origineel kenteken [kenteken] , bleek tussen 30 juni en 1 juli 2015 te zijn gestolen van [naam persoon] .

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 24 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn driewielige motor, van het merk Piaggio met kenteken [kenteken] , op 8 juli 2015 te koop heeft aangeboden op marktplaats.nl. Op 8 juli 2015 werd hij door een man gebeld met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . [naam persoon] heeft verklaard dat de man onder meer had gevraagd of hij in het bezit was van een papieren kentekenbewijs. Op 9 juli 2015 kwamen twee mannen de motor bezichtigen in Purmerend. Het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] heeft ten tijde van die bezichtiging uitgepeild in Purmerend. Dit telefoonnummer behoort toe aan [medeverdachte 2] . Op verzoek van de mannen had [naam persoon] de kentekenpapieren laten zien. De mannen wilden nakijken of het chassisnummer overeenkwam met het kentekenbewijs. [naam persoon] heeft er na deze bezichtiging voor gekozen om zijn motor te laten verkopen door een bedrijf, genaamd [bedrijf] . [naam persoon] heeft verklaard dat hij door [bedrijf] gebeld werd met de mededeling dat een potentiële koper in de winkel was, genaamd [naam persoon] , die in Amsterdam Noord via marktplaats.nl op 11 juli 2015 een zelfde motor met hetzelfde kenteken, te weten [kenteken] heeft bezichtigd, maar dat op dit kenteken een ophoogcode stond.

Getuige [naam persoon] , die een driewielige motor wilde kopen, heeft contact gehad met een man die zich [naam persoon] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . [naam persoon] heeft verklaard dat zij niet tot de koop was overgegaan omdat er geen alarmkastje op de motor zat en de ‘masterkey’ ontbrak. Op 13 juli 2015 werd [naam persoon] gebeld door het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] waarbij werd medegedeeld dat de verkoper de originele sleutel van het voertuig had. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] van 13 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 gebruik heeft gemaakt van de telefoon met IMEI-nummer eindigend op * [telefoonnummer] . Bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] is de telefoon aangetroffen met het IMEI-nummer * [telefoonnummer] .

Op 14 juli 2015 heeft [naam persoon] een sms-bericht ontvangen van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] met de inhoud “4500”. Op een foto die de politie hen toonde hebben [naam persoon] en haar vriend [medeverdachte 1] beiden herkend als de man die hen de motor te koop had aangeboden.

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 9 juli 2015 de motor met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Deze overschrijving heeft plaatsgevonden bij de Primera op het [filiaal] te Amsterdam. Op de camerabeelden van de Primera is [verdachte] door een politieagent herkend als de persoon die de overschrijving heeft gedaan. Op 11 juli 2015 heeft [verdachte] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

Op 28 juli 2015 heeft [naam persoon] de motor met kenteken [kenteken] via marktplaats.nl gekocht voor
€ 4.600,-. De adverteerder was genaamd ‘ [naam persoon] ’ en maakte gebruik van de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . [naam persoon] had aan ‘ [naam persoon] ’ gevraagd waarom het stuurslot niet goed op zijn plaats zat. ‘ [naam persoon] ’ zei dat er was geprobeerd om de motor te stelen. Daarom had de motor ook een duplicaatcode op het kentekenplaat. De overschrijving vond plaats in de Primera in het filiaal [filiaal] te Amsterdam. Op de camerabeelden van de Primera is [medeverdachte 5] door politieagenten herkend als de verkoper van de motor. Onder [naam persoon] is de motor in beslag genomen.

Uit onderzoek bleek dat het VIN niet door de fabrikant was aangebracht. De motor, met origineel kenteken [kenteken] , bleek te zijn gestolen van [naam persoon] .

De rechtbank gaat bij de beoordeling van zaaksdossier 25 van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Uit de stukken is gebleken dat [naam persoon] zijn motor, van het merk BMW met kenteken [kenteken] , te koop had aangeboden op marktplaats.nl. Op 16 juli 2015 werd hij door een man gebeld met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Op diezelfde dag kwamen twee mannen de motor bezichtigen in Odijk. Het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] heeft ten tijde van die bezichtiging uitgepeild in Odijk. [naam persoon] heeft verklaard dat één van de mannen het chassisnummer met de kentekenpapieren heeft gecontroleerd. [naam persoon] heeft [medeverdachte 3] herkend als één van de mannen die bij de bezichtiging aanwezig was.

Uit informatie van het LIV is gebleken dat [verdachte] op 28 juli 2015 de motor met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gesteld. Deze overschrijving heeft plaatsgevonden bij de Primera op het [filiaal] te Amsterdam. Op 30 juli 2015 heeft [verdachte] een duplicaat kentekenplaat voor dit kenteken aangevraagd.

[naam persoon] heeft verklaard dat hij op 7 augustus 2015 telefonisch werd benaderd door [verdachte] . [verdachte] vertelde dat zijn vader was overleden en dat hij zijn motor van het merk BMW, met kenteken [kenteken] , wilde verkopen. [naam persoon] heeft de motor van [verdachte] gekocht voor € 11.000,-. [naam persoon] heeft dit bedrag overgemaakt op het rekeningnummer ten name van [verdachte] . Op de dag dat [naam persoon] het geld had overgemaakt naar [verdachte] werd er bij het opname ING-servicepunt Amsterdam [filiaal] € 10.000 opgenomen.

Uit onderzoek bleek dat het VIN niet door de fabrikant was aangebracht. De motor, met origineel kenteken [kenteken] , bleek te zijn gestolen van [naam persoon] .

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor is beschreven heeft [verdachte] de tenaamstelling van de voertuigen in de zaaksdossiers 8, 9, 10 en 11 steeds gewijzigd. [medeverdachte 1] heeft voor deze voertuigen de duplicaatkentekens aangevraagd en verkregen. [verdachte] heeft op zijn beurt vervolgens weer de omgekatte voertuigen verkocht, of met betrekking tot zaaksdossier 11 tezamen met [medeverdachte 1] een omgekat voertuig te koop aangeboden.

In zaaksdossier 13 heeft [verdachte] de scooter van [naam persoon] op zijn naam doen zetten, en heeft hij voor dit voertuig een duplicaat kentekenplaat aangevraagd.

In zaaksdossier 22 heeft [verdachte] de tenaamstelling van de motor van [naam persoon] gewijzigd, met behulp waarvan [medeverdachte 1] een duplicaat kentekenplaat kon aanvragen.

In zaaksdossier 24 heeft [verdachte] de tenaamstelling van de motor van [naam persoon] gewijzigd en heeft hij voor deze motor een duplicaat kentekenplaat aangevraagd.

In zaaksdossier 25 heeft [verdachte] de tenaamstelling van de motor van [naam persoon] gewijzigd en heeft hij voor deze motor een duplicaat kentekenplaat aangevraagd. Vervolgens heeft [verdachte] de omgekatte motor verkocht aan [naam persoon] .

Feit 3: medeplegen witwassen

Als onderdeel van de werkwijze van de criminele organisatie werd steeds de tenaamstelling van het door de (marktplaats)verkoper aangeboden voertuig gewijzigd en een duplicaat kentekenplaat voor dat voertuig aangevraagd. De duplicaat kentekenplaat werd vervolgens op een gestolen voertuig geplaatst en het chassisnummer/framenummer op dat voertuig werd gelijkgemaakt aan het nummer op het nieuwe kentekenbewijs dat was verkregen bij de wijziging van de tenaamstelling. Niet kan worden vastgesteld wie feitelijk het chassisnummer/framenummer heeft gewijzigd en de duplicaat kentekenplaat erop heeft geschroefd en daarmee de fysieke handelingen heeft gepleegd om de identiteit van het gestolen voertuig te wijzigen en de herkomst van het gestolen voertuig te verhullen. Wel kan worden vastgesteld wie de tenaamstelling van het (op marktplaats) te koop staand voertuig heeft gewijzigd en wie vervolgens het duplicaat kenteken heeft aangevraagd. De wijziging van de tenaamstelling was noodzakelijk om een duplicaat kentekenplaat aan te kunnen vragen. Het duplicaat kentekenplaat was noodzakelijk om een gestolen voertuig om te kunnen katten. De rechtbank is van oordeel dat het wijzigen van die tenaamstelling en het aanvragen en verkrijgen van een duplicaat kentekenplaat zeer belangrijke onderdelen zijn van het omkatproces van het gestolen voertuig. Met deze handelingen werd een wezenlijke bijdrage geleverd aan het verhullen van de herkomst van de gestolen voertuigen en het verhullen van wie de rechthebbende op die voertuigen was. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, dan ook van oordeel dat het wijzigen van de tenaamstelling en het aanvragen en verkrijgen van duplicaat kentekenplaten, ieder voor zich én samen, medeplegen van witwassen opleveren.

Verdachte heeft in voornoemde zaaksdossiers keer op keer de tenaamstelling gewijzigd. In de zaaksdossiers 24 en 25 heeft hij ook nog eens het duplicaat kentekenplaat aangevraagd. In alle zaaksdossiers heeft verdachte zich dus schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. In zaaksdossier 13 is medeplegen van witwassen echter niet ten laste gelegd zodat in dit zaaksdossier daarover geen oordeel hoeft te worden gegeven.

Opmerking verdient dat verdachte steeds de tenaamstelling heeft gewijzigd van het door de (marktplaats)verkoper aangeboden voertuig en niet van het (gestolen) voertuig. Dit laatste staat als uitvoeringshandeling in de tenlastelegging opgenomen. Deze uitvoeringshandeling zal niet bewezen kunnen worden. Dit doet echter niet af aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte met het wijzigen van de tenaamstelling van het door de (marktplaats)verkoper aangeboden voertuig een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het omkatproces van het gestolen voertuig en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Feit 3: medeplegen heling: voorhanden hebben voertuigen

[verdachte] heeft in de zaaksdossiers 8 tot en met 11 en 25 de omgekatte voertuigen verkocht dan wel geprobeerd te verkopen. In deze zaaksdossiers staat dus vast dat [verdachte] de omgekatte (gestolen) voertuigen voorhanden heeft gehad. In zaaksdossiers 22 en 24 kan niet bewezen worden dat [verdachte] de omgekatte (gestolen) voertuigen daadwerkelijk voorhanden heeft gehad. [verdachte] zal in deze zaaksdossiers dan ook worden vrijgesproken van het medeplegen van heling. In zaaksdossier 13 is medeplegen van heling niet ten laste gelegd.

Feit 2: medeplegen van oplichting kopers

[verdachte] heeft in de zaaksdossiers 8 tot en met 11 en 25 de omgekatte voertuigen verkocht dan wel geprobeerd te verkopen. Hij heeft zich daarmee (samen met een ander of anderen) schuldig gemaakt aan oplichting van de kopers. In de zaaksdossiers 13, 22 en 24 kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de verkoop of poging tot verkoop heeft gedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat [verdachte] in deze zaaksdossiers kan worden aangemerkt als medepleger van oplichting. Hij heeft in deze zaaksdossiers de tenaamstelling gewijzigd van de voertuigen en in zaaksdossiers 13 en 24 ook het duplicaatkentekenplaat aangevraagd. Dit zijn wezenlijke handelingen om de kopers op te kunnen lichten. Dat vervolgens kopers zouden worden opgelicht, wist hij ook doordat hij daarvoor, in zaaksdossiers 8 tot en met 11, zelf de (omgekatte) voertuigen had verkocht.

Feit 3: opzet op witwassen en heling en feit 3: oogmerk oplichting

[verdachte] heeft in voornoemde zaaksdossiers keer op keer voertuigen die hij niet in zijn bezit had op zijn naam gezet, hij heeft in de zaaksdossiers 13, 24 en 25 duplicaat kentekenplaten voor deze voertuigen aangevraagd en in de zaaksdossiers 8 t/m 11 en 25 de (omgekatte) voertuigen verkocht waarop deze duplicaat kentekenplaten waren bevestigd. Zonder een verklaring van [verdachte] , die ontbreekt, kan de rechtbank uit deze gedragingen geen andere conclusie trekken dan dat hij wist dat de voertuigen die hij verkocht en voorhanden had uit misdrijf afkomstig waren en dat de herkomst van deze voertuigen werd verhuld. Door deze voertuigen met deze wetenschap te verkopen, moet [verdachte] ook het oogmerk hebben gehad om de kopers op te lichten en zichzelf en/of zijn mededaders wederrechtelijk te bevoordelen. Deze conclusie wordt nog versterkt doordat [verdachte] is doorgegaan met het plegen van voertuigcriminaliteit nadat hij in zaaksdossier 11 werd aangehouden met de omgekatte BMW X6.

4.1.5

Conclusie ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten

Verdachte zal ten aanzien van alle aan hem in feit 1 ten laste gelegde zaaksdossiers, te weten 1 t/m 16 en 20 t/m 26 worden vrijgesproken van medeplegen van oplichting van de verkopers.

Verdachte zal ten aanzien van de hem in feit 2 ten laste gelegde zaaksdossiers 1 t/m 7, 14 t/m 16, 20 en 23 worden vrijgesproken van medeplegen van oplichting van de kopers.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het aan verdachte in feit 2 ten laste gelegde medeplegen van oplichting van de kopers in de zaaksdossiers 8 t/m 10, 13, 22, 24 en 25 en tot (medeplegen van) poging tot oplichting van de kopers in de zaaksdossiers 11 en 24.

Verdachte zal van de hem in feit 3 ten laste gelegde zaaksdossiers 1 t/m 7, 14 t/m 16, 20 en 23 worden vrijgesproken van medeplegen van (gewoonte)witwassen.

In de zaaksdossiers 8 t/m 11, 22, 24 en 25 komt de rechtbank tot bewezenverklaring van (medeplegen van) witwassen.

Verdachte zal van de hem in feit 3 ten laste gelegde zaaksdossiers 1 t/m 7, 14 t/m 16, 20 en 22 t/m 24 worden vrijgesproken van medeplegen van (gewoonte)heling.

In de zaaksdossiers 8 t/m 11 en 25 acht de rechtbank medeplegen van gewoonteheling bewezen.

4.1.6

Criminele organisatie, feit 4

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een criminele organisatie hanteert de rechtbank het volgende beoordelingskader.

Voor een veroordeling ter zake van deelname aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld:

1. dat sprake is geweest van een organisatie,

2. dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, en

3. voor iedere verdachte, dat hij aan die organisatie heeft deelgenomen.

Er dient in de eerste plaats een samenwerkingsverband te zijn om te kunnen spreken van een organisatie. Dit samenwerkingsverband hoeft niet steeds in volle omvang te hebben bestaan. Voldoende is dat er een kern is van personen die de eigenlijke organisatie uitmaken en dat zich daarbinnen en/of daar omheen personen bevinden die met elkaar samenwerken. Daarnaast moet sprake zijn van een zekere structuur. Deze hoeft niet hiërarchisch te zijn, niet vast te liggen en ook is niet vereist dat er een afgebakende taakverdeling is. Zelfs is niet vereist dat alle betrokkenen bij de organisatie elkaar kennen of met elkaar hebben samengewerkt. Organisaties zijn netwerken met een soms minder zichtbare, mogelijk zelfs wisselende structuur. Soms zijn het gelegenheidsnetwerken, gebaseerd op of voortkomend uit vriendschappen of zakelijke relevantie. Voldoende is dat er een harde kern is die over een bepaalde periode met elkaar heeft samengewerkt. Ten slotte mag een samenwerkingsverband niet min of meer toevallig zijn en dient dit verband een zekere duur te hebben.

Een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet ten minste een duidelijke kern hebben die het gemeenschappelijk oogmerk deelt. Het oogmerk van het gestructureerd samenwerkingsverband moet - mede - gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven. Het gaat bij het oogmerk om het naaste doel: de groep kan zich - daarnaast - ook met legale en onschuldige dingen bezig houden. Er hoeft zelfs nog geen misdrijf te zijn begaan, dan wel een strafbare poging of voorbereiding daartoe.

Voor deelneming aan een criminele organisatie is niet nodig dat een verdachte zelf aan de beoogde strafbare feiten heeft meegedaan. Het gaat niet om betrokkenheid bij een bepaald delict, maar om betrokkenheid bij de organisatie. Daarnaast moet hij minimaal die gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. Als een handeling dus in enige relatie staat tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, kan zij al een deelneming opleveren. Zelfs gedragingen die als medeplichtigheid aan een misdrijf kunnen worden beschouwd, waarop het oogmerk van de criminele organisatie was gericht, kunnen als deelnemingshandeling worden gekwalificeerd. Wel is vereist dat de dader opzet moet hebben gehad op het criminele oogmerk van de organisatie en zijn eigen handelen. Daarbij heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk beslist dat voldoende is dat verdachte in zijn algemeenheid wist van het criminele oogmerk en dat voor bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte ook opzet had op concreet door de organisatie beoogde misdrijven. Precieze wetenschap over de daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten is aldus geen vereiste voor een veroordeling ter zake van deelneming.

Organisatie

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een organisatie constateert de rechtbank dat verdachte en medeverdachten onderling en in verschillende samenstellingen en situaties met elkaar hebben samengewerkt tot het verwezenlijken van het uiteindelijke doel, het verkopen van een omgekat voertuig. Deze samenwerking heeft ten minste gedurende een periode van ongeveer 7 maanden, van april 2015 tot en met oktober 2015 plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat een aantal verdachten zich gedurende langere tijd op grote schaal en systematisch heeft bezig gehouden met het oplichten van verkopers van voertuigen, door hen de benodigde gegevens over hun voertuigen te ontfutselen, de kentekens van die voertuigen zonder medeweten van die verkopers op naam van één van de verdachten te zetten en voor die kentekens duplicaat kentekenplaten aan te vragen. Vervolgens werden deze duplicaat kentekenplaten op gestolen voertuigen geplaatst en verkocht voor hoge geldbedragen. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een vaste werkwijze bij het plegen van voornoemde strafbare feiten, waarbij een aantal verdachten zich nadrukkelijk bezig houdt met bepaalde onderdelen van het gehele traject. Zo zijn er verdachten die zich bezighouden met het oplichten van verkopers en zijn er verdachten die zich hebben bezighouden met het omkatten van de voertuigen en het verkopen daarvan.

Hoewel dat niet is vereist, kan een kenmerk van een gestructureerde organisatie worden gevonden in de rolverdeling. De rechtbank leidt, uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, de navolgende rolverdeling af. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zich (samen met een ander) voornamelijk beziggehouden met het oplichten van de verkopers en heeft, door zich voor te doen als bonafide koper, daarmee de voor het wijzigen van de tenaamstelling van een kentekenbewijs benodigde informatie verkregen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben zich vervolgens beziggehouden met het wijzigen van die tenaamstellingen, het aanvragen van duplicaat kentekenplaten en het verkopen van omgekatte voertuigen. Kentekenbewijzen op naam van verdachte en een aan hem gerichte brief van de RDW zijn in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen. Er werden kennelijk gegevens uitgewisseld in het kader van de strafbare feiten.

In deze structuur hebben verdachten (samen met anderen) geruime tijd intensief met elkaar samengewerkt.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband kan worden vastgesteld. Op grond van voornoemde omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte daar onderdeel van uitmaakte.

Oogmerk

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of dat samenwerkingsverband het oogmerk heeft gehad om het ten laste gelegde doel, kort gezegd voertuigcriminaliteit, te bewerkstelligen. Uit het gehele dossier blijkt duidelijk dat verdachte en zijn medeverdachten zich bezig hielden met het verkopen van omgekatte voertuigen en dat hun hele samenwerkingsverband op dat doel was gericht. In het onderhavige onderzoek zijn in een periode van anderhalf jaar 23 zaken aan het licht gekomen, waarin door verdachten (in wisselende samenstellingen) is samengewerkt tot het verwezenlijken van het beoogde doel. Het oogmerk van de organisatie was duidelijk gericht op het verkopen van omgekatte voertuigen.

Deelname

Tot slot dient te rechtbank te beoordelen of verdachte wetenschap had van het oogmerk van de organisatie en, zo ja, of zijn bijdrage van dermate gewicht is geweest, dat kan worden gesproken van een strafbare deelname.

Verdachte heeft zich in totaal 7 keer schuldig gemaakt aan oplichting van kopers en 2 keer aan poging daartoe, heeft zich 7 keer schuldig gemaakt aan witwassen en 5 keer aan heling/gewoonteheling. Het aandeel van verdachte in de organisatie was groot. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie, te weten het verkopen van omgekatte voertuigen. Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de organisatie en deze bijdrage heeft in aanzienlijke mate het oogmerk van de organisatie verwezenlijkt.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

4.1.7

Vrijspraak, feit 5

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem in feit 5 ten laste, omdat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte ten tijde van de overschrijvingen gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste overschrijvingsbewijzen. Immers, er zijn in het onderzoek 13Subra geen valse of vervalste documenten aangetroffen die betrekking hebben op één van de ten laste gelegde zaaksdossiers. Uit de beschikbare bewijsmiddelen is enkel het vermoeden gerezen dat bij de overschrijvingen gebruik moet zijn gemaakt van valse of vervalste overschrijvingsbewijzen, maar dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het hem onder 5 ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

5.1

Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing, dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde (zoals in rubriek 5.2 is vermeld), op de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen.

5.2

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

in de periode 1 april 2015 tot en met 12 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen hierna genoemde (aspirant) kopers hebben bewogen tot de afgifte van een hierna genoemd geldbedrag,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk:

  • -

    een verkoper van een ander voertuig benaderd met het doel gegevens te verkrijgen waarmee het kenteken van dat voertuig op een andere naam kon worden gezet en/of

  • -

    een kenteken van een voertuig doen laten overschrijven op een andere naam, waardoor een nieuw kentekenbewijs werd verkregen en/of

  • -

    een duplicaatcode aangevraagd voor het verkrijgen van (duplicaat) kentekenplaten en/of

  • -

    een voertuig (laten) voorzien van een ander, niet bij dat voertuig behorend, VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of aldus (laten) voorzien van een valse identiteit en/of

  • -

    dat voertuig, voorzien van een ander, niet bij dat voertuig behorend VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of aldus voorzien van een valse identiteit, te koop aangeboden en/of

  • -

    nadat een (aspirant) koper zich had gemeld, een afspraak voor een ontmoeting en/of bezichtiging gemaakt en/of

  • -

    nadat de (aspirant) koper verdachte en/of zijn mededader(s) had ontmoet, zich uitgegeven voor de rechtmatige eigenaar althans voor een te goeder trouw zijnde verkoper en/of zich voorgedaan als beschikkingsbevoegd over het in de advertentie genoemde voertuig en/of

  • -

    aan die (aspirant) koper dat voertuig, voorzien van een ander, niet bij dat voertuig behorend VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of aldus voorzien van een valse identiteit, laten zien en/of

  • -

    daarbij de indruk gewekt dat het op dat voertuig aanwezige VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en/of aldus bij dat voertuig hoorde en/of dat het een "eerlijk" voertuig betrof en/of

  • -

    vervolgens nadat er een verkoopprijs overeen was gekomen, dat voertuig aan de (aspirant) koper verkocht en geleverd en/of

  • -

    nadat het voertuig was geleverd en/of een levering was overeengekomen, de bij dat voertuig aanwezige papieren en sleutels, aan die (aspirant) koper overhandigd, waardoor die (aspirant) koper vervolgens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, immers werd aldus met betrekking tot:

ZD08

een scooter, merk en type Piaggio met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in de periode van 5 april 2015 tot en met 14 april 2015 [naam persoon] en/of [naam winkel] bewogen tot afgifte van een geldbedrag en

ZD09

een scooter, merk en type Piaggio met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in de periode van 16 april 2015 tot en met 23 april 2015 [naam persoon] en/of [naam winkel] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 1.500,- euro en

ZD10

een scooter, merk en type Piaggio C38 met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in of omstreeks de periode van 20 april 2015 tot en met 2 mei 2015 [naam persoon] en/of [naam winkel] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 1.700,- euro en

ZD13

een scooter, merk en type Piaggio, met een onbekend gebleven origineel kenteken, valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in of omstreeks de periode van 16 april 2015 tot en met 22 mei 2015
[naam persoon] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 2.100,- euro en

ZD22

een motorscooter, merk en type Piaggio met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in de periode van 25 juni 2015 tot en met 8 juli 2015 [naam persoon] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 6.000,- euro en

ZD24

een motorscooter, merk en type Piaggio met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in of omstreeks de periode van 8 juli 2015 tot en met 28 juli 2015 [naam persoon] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 4.600,- euro en

ZD25

een motorscooter, merk en type BMW met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in de periode van 16 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015 [naam persoon] en/of [naam winkel] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 11.000,- euro;

ten aanzien van het in onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

in de periode 1 april 2015 tot en met 12 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen hierna genoemde (aspirant) kopers hebben trachten te bewegen tot de afgifte van een hierna genoemd geldbedrag,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk:

  • -

    een verkoper van een ander voertuig benaderd met het doel gegevens te verkrijgen waarmee het kenteken van dat voertuig op een andere naam kon worden gezet en/of

  • -

    een kenteken van een voertuig (doen) laten overschrijven op een andere naam, waardoor een nieuw kentekenbewijs werd verkregen en/of

  • -

    een duplicaatcode aangevraagd voor het verkrijgen van (duplicaat) kentekenplaten en/of

  • -

    een voertuig (laten) voorzien van een ander, niet bij dat voertuig behorend, VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of aldus (laten) voorzien van een valse identiteit en/of

  • -

    dat voertuig, voorzien van een ander, niet bij dat voertuig behorend VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of aldus voorzien van een valse identiteit, te koop aangeboden en/of

  • -

    nadat een (aspirant) koper zich had gemeld, een afspraak voor een ontmoeting en/of bezichtiging gemaakt en/of

  • -

    nadat de (aspirant) koper verdachte en/of zijn mededader(s) had ontmoet, zich uitgegeven voor de rechtmatige eigenaar althans voor een te goeder trouw zijnde verkoper en/of zich voorgedaan als beschikkingsbevoegd over het in de advertentie genoemde voertuig en/of

  • -

    aan die (aspirant) koper dat voertuig, voorzien van een ander, niet bij die auto behorend VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of aldus voorzien van een valse identiteit, laten zien en/of

  • -

    daarbij de indruk gewekt dat het op dat voertuig aanwezige VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en/of aldus bij dat voertuig hoorde en/of dat het een "eerlijk" voertuig betrof/of

om die (aspirant) kopers vervolgens te bewegen tot bovenomschreven afgifte, immers werd aldus getracht met betrekking tot:

ZD11

een auto, merk BMW met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in of omstreeks de periode van 30 april 2015 tot en met 7 mei 2015 [naam persoon] en/of [naam winkel] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag van 30.000,- euro;

ZD24

een motorscooter, merk en type Piaggio met origineel kenteken [kenteken] , valselijk voorzien van het kenteken [kenteken] in of omstreeks de periode van 8 juli 2015 tot en met 13 juli 2015 [naam persoon] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag;

ten aanzien van het onder 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

in de periode van 1 april 2015 tot en met 12 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, van

  • -

    (ZD08) een voertuig (merk Piaggio) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD09) een voertuig (merk Piaggio Vespa S) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD10) een voertuig (Piaggio C38) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD11) een voertuig (merk BMW) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD22) een voertuig (merk Piaggio) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD24) een voertuig (merk Piaggio) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD25) een voertuig (merk BMW) met kenteken [kenteken] ,

de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voertuigen was, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), van voornoemde voertuigen de chassisnummer(s) en/of framenummer(s) en/of kentekenpla(a)t(en) (het zogenoemde omkatten) gewijzigd en/of laten wijzigen en aldus de identiteit gewijzigd en/of laten wijzigen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat voornoemde voertuigen, geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en van voren omschreven misdrijf een gewoonte hebben gemaakt;

ten aanzien van het onder 3 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

in de periode van 1 april 2015 tot en met 12 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

  • -

    (ZD08) een voertuig (merk Piaggio) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD09) een voertuig (merk Piaggio Vespa S) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD10) een voertuig (Piaggio C38) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD11) een voertuig (merk BMW) met kenteken [kenteken] en

  • -

    (ZD25) een voertuig (merk BMW) met kenteken [kenteken] ,

voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat voornoemde voertuigen, geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en van voren omschreven misdrijf een gewoonte hebben gemaakt;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 april 2015 tot en met 12 oktober 2015 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven met betrekking tot voertuigen, namelijk:

  • -

    oplichting en

  • -

    diefstal en

  • -

    witwassen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 2 (ten aanzien van zaaksdossiers 8, 9, 10, 11, 22, 24 en 25), onder 3 (ten aanzien van zaaksdossiers 8, 9, 10, 11 en 25) en onder 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 41 dagen, met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uur, bij niet voldoen te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, rekening te houden met de rol van verdachte in de strafzaak. Verdachte heeft gefungeerd als katvanger. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de reeds ondergane voorlopige hechtenis en de tijd die verdachte met een enkelband heeft gelopen. Gelet hierop is er geen ruimte voor nadere bestraffing.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt in de eerste plaats veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en een lange serie voor die organisatie gepleegde misdrijven. De criminele organisatie hield zich bezig met het omkatten van gestolen voertuigen met behulp van gegevens die aan bonafide aanbieders/verkopers waren ontfutseld, en het verkopen van die omgekatte voertuigen aan bonafide kopers. Per voertuig werden zodoende drie partijen benadeeld: het slachtoffer van de diefstal, degene aan wie de gegevens van het te klonen voertuig werden ontfutseld en de koper die door de nieuwe identiteit van het voertuig werd bewogen het tegen een normale marktprijs te kopen. Verdachte wist dat de voertuigen die hij verkocht uit misdrijf afkomstig waren, en wist dus dat daardoor de eigenaren van de voertuigen werden gedupeerd. Hij wist dat hij nog meer mensen dupeerde als hij hun voertuig, dat hij niet bezat, op zijn naam zette en nieuwe kentekenplaten aanvroeg om op een gestolen voertuig te zetten. Hij wist ook dat hij vervolgens nóg meer mensen dupeerde als hij ze de gestolen en omgekatte voertuigen verkocht. Verdachte en zijn medeverdachten bezorgden mensen problemen die uiteenliepen van administratieve en praktische problemen (tijdelijk niet mogen rijden, herkeuring) tot flinke financiële schade. Kennelijk interesseerde dat hen niets, en gingen zij slechts voor hun eigen geldelijke gewin.

Verdachtes handelen binnen de organisatie was langdurig (van april 2015 tot 12 oktober 2015) en veelvuldig, maar minder langdurig en veelvuldig dan het handelen van medeverdachte [medeverdachte 1] en minder langdurig dan het handelen van medeverdachte [medeverdachte 2] . Wel kan verdachte hardnekkig en brutaal worden genoemd. Zo werd hij begin mei 2015 gearresteerd toen hij een gestolen en gekloonde BMW X6 probeerde te verkopen (zaaksdossier 11) - en nog geen twee weken later zette hij alweer een te klonen voertuig op naam en vroeg hij daar nieuwe platen voor aan (zaaksdossier 13).

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte slechts een katvanger was, maar verdachte heeft dat niet verklaard. Het is ook duidelijk onjuist, omdat de term katvanger wordt gebruikt voor mensen die bijvoorbeeld een voertuig of een vennootschap op hun naam laten zetten zonder te weten wat de daadwerkelijke bezitter/bestuurder daarmee doet en zelf niet veel meer doen dan bijvoorbeeld het afgeven van stukken of post. [verdachte] was geen katvanger: hij was volop betrokken bij het verhullen van de herkomst van gestolen voertuigen door zelf tenaamstellingen te wijzigen en zelf nieuwe kentekenplaten aan te vragen, en heeft vervolgens zelf omgekatte/gekloonde voertuigen verkocht. Dat [verdachte] daarmee een rol had die veel makkelijker aan het licht zou komen dan de rol van bijvoorbeeld de medeverdachten die zich bezig hielden met het verkrijgen van gegevens over voertuigen om tenaamstellingen te wijzigen, maakt zijn rol zeker niet kleiner of minder kwalijk.

Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft geen enkele inzage willen geven in zijn beweegredenen om de misdrijven te plegen waarvoor hij nu wordt veroordeeld en geen enkele inzage willen geven in hoe hij nu - toch alweer een tijd later - terugkijkt op de strafbare feiten en zijn rol binnen de criminele organisatie. De weigering van verdachte om openheid van zaken te geven maakt het moeilijker in te schatten of hij in herhaling zal vervallen.

Dat verdachte sinds zijn schorsing niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie of justitie en steeds over werk heeft beschikt, zijn twee duidelijk positieve ontwikkelingen, maar die kunnen het gebrek aan inzicht van de rechtbank in wat verdachte ertoe heeft gebracht de misdrijven te plegen slechts deels wegnemen. Toch heeft de rechtbank, op basis van onder meer het reclasseringsrapport, wel de indruk dat de kans dat verdachte in herhaling vervalt, beperkt is. Daarbij vindt zij ook van groot belang dat verdachte, anders dan zijn medeverdachten, een blanco strafblad heeft.

De rechtbank vindt het een passend uitgangspunt om iemand die wordt veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie als de onderhavige met een rol als die van verdachte en voor de serie bijbehorende oplichtingen, witwas- en helingsfeiten, een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden op te leggen. Dat is een lager uitgangspunt dan zij heeft gehanteerd bij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Hun rol was groter dan die van verdachte en hun handelen heeft zich over een langere periode afgespeeld.

Verdachte is geschorst met als voorwaarde elektronisch toezicht. Dat toezicht heeft bijna tien maanden geduurd, en in die periode is verdachte flink in zijn bewegingsvrijheid beperkt. De rechtbank houdt hier rekening mee en doet dit door twee maanden van de straf af te trekken. Dat betekent dat verdachte een gevangenisstraf van acht maanden verdient, waarvan hij pas iets meer dan 40 dagen heeft uitgezeten.

Verdachte heeft niet verteld hoe hij ertoe is gekomen de misdrijven te plegen. Toch heeft de rechtbank de indruk dat de kans op recidive klein is. Verdachte had een blanco strafblad, hij is relatief jong en heeft altijd gewerkt. Daarom acht de rechtbank het niet wenselijk en niet zinvol om verdachte weer ‘naar binnen’ te sturen. De rechtbank zal de gevangenisstraf, die verdachte eigenlijk zou moeten uitzitten, te weten acht maanden gevangenisstraf, daarom gedeeltelijk opleggen in een minder zware vorm namelijk een taakstraf en verder gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen. De rechtbank bepaalt de taakstraf op 120 uur en de voorwaardelijke gevangenisstraf op 140 dagen. Dat betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen oplegt, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, plus een taakstraf van 120 uur. Met de reclassering en de verdediging acht de rechtbank het niet nodig om bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft de eis van de officier, om aan verdachte niet meer gevangenisstraf op te leggen dan verdachte al heeft uitgezeten, niet gevolgd, omdat die geen recht doet aan de ernst van de strafbare feiten.

9 Beslag

Onder verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen, zoals weergegeven op de beslaglijst. Deze beslaglijst is als bijlage II aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de voorwerpen genoemd onder 3 tot en met 5 op de beslaglijst kunnen worden geretourneerd aan verdachte. Deze beslissing laat uiteraard onverlet dat op de voorwerpen conservatoir beslag is gelegd.

10 De vorderingen van de benadeelde partijen

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] en [naam persoon] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat met betrekking tot die feiten is gerekwireerd tot vrijspraak.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam winkel] / [naam persoon] , [naam winkel] / [naam persoon] , [naam winkel] / [naam persoon] , [naam winkel] / [naam persoon] , [naam winkel] / [naam persoon] , [naam persoon] , [naam winkel] / [naam persoon] en [naam persoon] betoogd dat deze vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat de vorderingen zijn ingediend door bedrijven en steeds is verzuimd een uittreksel uit de Kamer van Koophandel bij het verzoek te voegen.

De vordering van [naam winkel] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat een onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de in deze zaak te bewijzen feiten en de diefstal als gevolg waarvan [naam winkel] schade heeft geleden.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair, vanwege de bepleite vrijspraak, verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht deze vorderingen af te wijzen nu de benadeelden niet aan de stelplicht en bewijslast hebben voldaan.

De raadsman heeft verder bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam winkel] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] / [naam winkel] , [naam persoon] , [naam winkel] en [naam persoon] dienen te worden afgewezen, omdat deze vorderingen zien op feiten die buiten de periode vallen dat verdachte in beeld is. De vorderingen van de benadeelde partijen [naam persoon] , [naam persoon] , [naam persoon] en [naam persoon] dienen ook te worden afgewezen, omdat van enige betrokkenheid van verdachte bij die onderliggende feiten niet is gebleken, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de vorderingen voor zover deze zijn ingediend door bedrijven, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu niet is gesteld dat de personen die de vorderingen hebben ingediend daartoe ook bevoegd waren.

De vorderingen van de kopers van de omgekatte voertuigen dienen bovendien te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu niet is gebleken dat de door de benadeelden aangeschafte voertuigen zijn gerevindiceerd, of onttrokken aan het verkeer via een onherroepelijke einduitspraak.

De raadsman heeft voorts subsidiair verzocht de schadevergoedingsmaatregel niet toe te wijzen daar waar de vordering is ingediend door een bedrijf.

De raadsman heeft verzocht de vordering van [naam winkel] af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, nu de schade van [naam winkel] is veroorzaakt door diefstal en verdachte geen diefstal ten laste gelegd is. Daarnaast is de schade niet nader onderbouwd.

De raadsman heeft voorts gesteld dat de vordering van benadeelde partijen [naam persoon] en [naam persoon] onvoldoende zijn onderbouwd en om die reden dient te worden afgewezen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

10.3.1

Vertegenwoordigingsbevoegdheid benadeelde bedrijven

Bijna alle benadeelde bedrijven hebben bij hun vordering geen uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat de persoon die de vordering heeft ingediend, bevoegd is het bedrijf te vertegenwoordigen. Het ontbreken van een uittreksel heeft, anders dan door de officier en de raadsman is bepleit, zeker niet zonder meer als gevolg dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Er kan aanleiding te zijn om zo’n uittreksel te verlangen, maar dan dienen er wel concrete aanknopingspunten in het dossier te vinden te zijn of door de verdediging te zijn aangevoerd, die aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die de vordering heeft ingediend doen twijfelen. Deze aanknopingspunten ontbreken in dit onderzoek. De personen die namens de benadeelde bedrijven de vorderingen hebben ingediend, hebben ook aangifte gedaan namens het bedrijf. Dit wijst er eerder op dat de betreffende persoon wel vertegenwoordigingsbevoegd is. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de benadeelde bedrijven rechtsgeldig zijn vertegenwoordigd.

10.3.2

Verweer: gestolen voertuigen (mogelijk) niet gerevindiceerd of onttrokken aan het verkeer

Uitgangspunt bij gestolen voertuigen is dat deze na inbeslagname teruggaan naar de oorspronkelijke (bestolen) eigenaar, dan wel, als deze ze aan een verzekeraar heeft gecedeerd, hun verzekeraar. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier te vinden dat in 13Subra van dit uitgangspunt is afgeweken of zal worden afgeweken. Door de raadsman is ook niet gemotiveerd betoogd waarom dit in 13Subra anders zou zijn. Het verweer wordt daarom verworpen.

10.3.3

Vorderingen niet-ontvankelijk

De aangevers (verkopers) [naam persoon] (ZD 1, feit 1), [naam persoon] (ZD 2, feit 1), [naam persoon] (ZD 3, feit 1), [naam persoon] (ZD 4, feit 1), [naam persoon] (ZD 7, feit 1), [naam persoon] (ZD 15), [naam persoon] (ZD 21, feit 1) en [naam persoon] (ZD 25, feit 1) hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij zijn echter niet-ontvankelijk in hun vorderingen in deze zaak omdat verdachte van feit 1 wordt vrijgesproken.

De aangevers (kopers) [naam persoon] / [naam winkel] (ZD 1, feit 2), [naam winkel] (ZD 2, feit 2), [naam persoon] (ZD 4, feit 2), [naam persoon] / [naam winkel] (ZD 6, feit 2), [naam persoon] / [naam winkel] (ZD 7, feit 2), [naam persoon] (ZD 15, feit 2), [naam persoon] (ZD 16, feit 2) en [naam persoon] (ZD 23, feit 2) hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij zijn echter niet-ontvankelijk in hun vorderingen in deze zaak omdat verdachte in die zaaksdossiers van feit 2 wordt vrijgesproken.

10.3.4

De vordering van [naam persoon] / [naam winkel] (ZD 9, feit 2)

De benadeelde partij [naam persoon] vordert € 2.925,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag betreft voor € 2.575,- het bedrag waarvoor de benadeelde het omgekatte voertuig heeft doorverkocht aan een derde, voor € 275,- aan keuring door de RDW en voor € 75,- uit gederfde inkomsten.

Materiële schade

Het aankoopbedrag van het omgekatte voertuig komt voor vergoeding in aanmerking. Uit de aangifte blijkt dat [naam persoon] € 1.500,- voor het voertuig heeft betaald. Deze schade betreft rechtstreekse schade, welke is geleden als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting in feit 2. Dit bedrag komt dan ook voor vergoeding in aanmerking. De gederfde winst van de doorverkoop door [naam persoon] , die ongedaan moest worden gemaakt, is geen rechtstreekse schade van de oplichting. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gevraagde vergoeding voor kosten gemaakt ten behoeve van keuring door de RDW en gederfde inkomsten is onvoldoende onderbouwd met stukken (bijvoorbeeld een factuur). Wel acht de rechtbank aannemelijk dat de keuring van het voertuig door de RDW kosten zijn verbonden. De rechtbank schat deze kosten op € 75,- en wijst dit bedrag dan ook toe. Voor het overige wordt de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank waardeert het toe te wijzen bedrag in totaal op € 1.575,-.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt niet de schadevergoedingsmaatregel op, nu de benadeelde een rechtspersoon betreft.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 1.575,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 23 april 2015.

10.3.5

De vordering van [naam persoon] / [naam winkel] (ZD 10, feit 2)

De benadeelde partij [naam persoon] / [naam winkel] vordert € 1.945,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat voor € 1.750,- uit het aankoopbedrag van het (naar later bleek) omgekatte voertuig en voor € 195,- aan kosten voor het rijklaar maken van het voertuig.

Materiële schade

Het aankoopbedrag van het omgekatte voertuig komt voor vergoeding in aanmerking. Uit de aangifte blijkt dat [naam persoon] € 1.700,- voor het voertuig heeft betaald. Deze schade betreft rechtstreekse schade, welke is geleden als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting in feit 2. Dit bedrag komt dan ook voor vergoeding in aanmerking. De gevraagde vergoeding voor kosten rijklaar maken is onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt voor het meerdere dan € 1.700,- niet-ontvankelijk verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt niet de schadevergoedingsmaatregel op, nu de benadeelde een rechtspersoon betreft.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 1.700,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 2 mei 2015.

10.3.6

De vordering van [naam persoon] / [naam winkel] (ZD 11, feit 3)

De benadeelde partij [naam persoon] / [naam winkel] vordert € 20.800,- aan materiële schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 9.800,- uit doorbetaalde leasetermijnen (7 maanden maal € 1.400,-) van de gestolen auto, voor € 5.000,- aan goederen uit de gestolen auto en voor € 6.000,- aan waardevermindering van die auto.

Materiële schade

De schade van € 5.000,- aan goederen die uit de auto zijn weggenomen, is veroorzaakt door de diefstal. Verdachte wordt daar niet voor veroordeeld. De benadeelde partij is in dit deel van de vordering dus niet ontvankelijk.

De vordering is voor wat betreft de leasetermijnen onvoldoende onderbouwd. De leasetermijnen lijken voort te vloeien uit huurkoop en dus te zien op de afbetaling van de auto. Deze kosten zouden zonder het strafwaardige handelen van verdachte ook zijn gemaakt. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat door [naam winkel] schade is geleden, voor vervangend vervoer en waardevermindering van de auto, als gevolg van het onder 3 bewezen geachte witwassen (het omkatten). De rechtbank schat deze schade op € 5.000,- en zal de vordering tot dit bedrag dan ook toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt niet de schadevergoedingsmaatregel op, nu de benadeelde een rechtspersoon betreft.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 5.000,- zal worden toegewezen.

10.3.7

De vordering van [naam persoon] (ZD 13)

De benadeelde partij [naam persoon] vordert € 2.554,06 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat voor € 2.200,- uit het aankoopbedrag van het (moet worden aangenomen) omgekatte voertuig, voor € 276,86,- aan doorbetaalde verzekeringspremie, voor € 37,20 aan benzinekosten en voor € 40,- uit reparatiekosten.

Materiële schade

Het aankoopbedrag van het omgekatte voertuig komt voor vergoeding in aanmerking. Uit de aangifte blijkt dat [naam persoon] € 2.100,- voor het voertuig heeft betaald. Deze schade betreft rechtstreekse schade, welke is geleden als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting in feit 2. Dit bedrag komt dan ook voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij is voor het meer gevorderde niet ontvankelijk.

De gevraagde vergoeding voor kosten gemaakt ten behoeve van premie-, benzine- en reparatiekosten is onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt op dit punt eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 2.100,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 22 mei 2015. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op.

10.3.8

De vordering van [naam persoon] (ZD 24)

De benadeelde partij [naam persoon] vordert € 5.260,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat voor € 4.600,- uit het aankoopbedrag van het (naar later bleek) omgekatte voertuig, voor € 360,- aan doorbetaalde verzekeringspremie en voor € 300,- uit gederfde inkomsten.

Materiële schade

Het aankoopbedrag van het omgekatte voertuig van € 4.600,- komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade betreft rechtstreekse schade, welke is geleden als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting in feit 2. De vordering tot vergoeding van kosten gemaakt ten behoeve van doorbetaalde verzekeringspremie en gederfde inkomsten is onvoldoende onderbouwd en komt om die reden niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering tot materiële schadevergoeding wordt daarom voor het overige niet ontvankelijk verklaard.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 4.600,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 28 juli 2015. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 140, 326, 417 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart het onder 1 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 , 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde

medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van het onder 3 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde

medeplegen van een gewoonte maken van opzetheling;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 140 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

 Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van: de voorwerpen genoemd onder 3 tot en met 5 op de beslaglijst.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] / [naam winkel] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam winkel] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] / [naam winkel] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] / [naam winkel] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst de vordering tot materiële schade van [naam persoon] / [naam winkel], gevestigd te Amsterdam, toe tot € 1.575,- (vijftienhonderd en vijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in die vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam persoon] / [naam winkel] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering tot materiële schade van [naam winkel] , gevestigd te Amsterdam, toe tot € 1.700,- (zeventienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 2 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in die vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam winkel] , voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering tot materiële schade van [naam winkel] , gevestigd te Amsterdam, toe tot

€ 5.000,- (vijfduizend euro). Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam winkel] , voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering tot materiële schade van [naam persoon] , wonende te Amsterdam, toe tot € 2.100,- (eenentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 22 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam persoon] , voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam persoon] € 2.100,- (eenentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 22 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 31 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering tot materiële schade van [naam persoon] , wonende te Amsterdam, toe tot € 4.600,- (vierduizend en zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 28 juli 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in die vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam persoon] , voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam persoon] € 4.600,- (vierduizend en zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 28 juli 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 56 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. N.A.J. Purcell en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2017.