Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9863

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
13/701433-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling taxichauffeur, gevangenisstraf zes maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/701433-15

Datum uitspraak: 11 december 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende te [adres buitenland] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 3 oktober 2017 en 11 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.

F.C. van Dijk, de officier van justitie mr W.J. de Graaf en de raadsman van verdachte, mr. O.S. Pluimer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 06 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, 1e Constantijn Huygensstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (met een fles/glas) (in/op/tegen het gezicht) slaan en/of stompen en/of snijden en/of steken, waarbij hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] (met een fles/glas) (in/op/tegen het gezicht) heeft geslagen en/of gestompt en/of gesneden en/of gestoken, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een aangezichtsfractuur (gebroken neus) en/of bloed achter een oog en/of een contusio cerebri (hersenkneuzing)), althans enig lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

en/of

hij op of omstreeks 06 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een aangezichtsfractuur (gebroken neus) en/of bloed achter een oog en/of een contusio cerebri (hersenkneuzing)) heeft/hebben toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met een fles/glas) (in/op/tegen het gezicht) te slaan en/of te stompen en/of te snijden en/of te steken;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 06 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] (met een fles/glas) (in/op/tegen het gezicht) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of gesneden en/of gestoken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 06 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met een fles/glas) (in/op/tegen het gezicht) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of gesneden en/of gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een aangezichtsfractuur (gebroken neus) en/of bloed achter een oog en/of een contusio cerebri (hersenkneuzing)), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 06 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1,49 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de onder 1. ten laste gelegde zware mishandeling bewezen op grond van de getuigenverklaringen, de aangifte, de processen-verbaal van bevindingen en de letselverklaring opgesteld door artsen van de afdeling neurologie van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. Daarnaast acht hij ook het onder 2. ten laste gelegde voorhanden hebben van cocaïne bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het politieverhoor van verdachte, afgenomen op 6 maart 2015 omstreeks 10:15 uur, dient te worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte heeft namelijk, zo blijkt uit het proces-verbaal, voorafgaand aan dit verhoor niet met zijn raadsman gesproken. Verder pleit de raadsman tot vrijspraak van het onder 1. ten laste gelegde openlijk in vereniging plegen van geweld en/of medeplegen, nu niet kan worden bewezen dat zijn medeverdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van enig geweld tegen aangever. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het mishandelen van aangever met behulp van een glas dan wel fles. Daarnaast is de raadsman van mening er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangever en dat verdachte geen opzet had op (een poging tot) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Wat het onder 2. ten laste gelegde betreft is de raadsman de mening toegedaan dat hierbij geen sprake is van medeplegen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Het oordeel over het onder 1. ten laste gelegde

Ten aanzien van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.1.1 Vrijspraak van het openlijk en in vereniging plegen van geweld en/of medeplegen

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van geweld. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.3.1.2. (Voorwaardelijk) opzet

Aangever heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij uit het niets werd geslagen door NN1, zijnde een magere blanke jongen. De rechtbank concludeert dat verdachte deze NN1 is geweest, nu NN2 wordt omschreven als een jongen met een donkere huidskleur en NN3 als een blank meisje.

Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt dat verdachte, nadat hij uit de taxi stapte, direct aangever in zijn gezicht sloeg. Volgens getuigen [getuige 2] en [getuige 3] heeft verdachte hierna nog meerdere klappen in het gezicht van aangever gegeven. Toen verdachte werd aangehouden, bevestigde getuige [getuige 1] dat verdachte degene was die aangever in zijn gezicht sloeg. Verbalisanten constateerden dat er bloed op beide handen en de muts van verdachte zat.

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. Door meerdere malen in te slaan op het gezicht van aangever, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en die kans aanvaard. Het is immers algemeen bekend dat hard slaan in het gezicht van een persoon kan leiden tot ernstig hoofdletsel bij die persoon, met alle gevolgen van dien.

4.3.1.3. Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het aan aangever toegebrachte letsel, als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in juridische zin) valt aan te merken.

Uit de letselverklaring van 17 maart 2015, opgesteld door artsen van de afdeling neurologie van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis, volgt dat aangever een aangezichtsfractuur had en dat er een forse bloeduitstorting rond zijn rechter oogkas zichtbaar was. Verder heeft hij een hersenkneuzing opgelopen en zat er na het incident bloed achter zijn oog. Aangever werd na het incident voor de duur van vijf dagen opgenomen op de afdeling neurologie, en werd gezien en behandeld zowel door de oogarts als door de KNO-arts. Aangever was tot zes weken na het incident lichamelijk niet in staat om zijn werk als taxichauffeur uit te voeren.

Gezien de aard en ernst van het uitgeoefende geweld, het meermalen slaan tegen het hoofd van aangever, ten gevolge waarvan hij mogelijk enige tijd buiten bewustzijn is geweest, in combinatie met het letsel dat daaruit is voortgekomen zoals dat hiervoor is omschreven, de noodzaak van een opname in het ziekenhuis en de langdurige gevolgen die dit letsel voor aangever met zich heeft gebracht, is sprake van letsel dat naar gewoon spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een zware mishandeling, niet tezamen en in vereniging gepleegd.

4.3.2.

Het oordeel over het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank acht het voorhanden hebben van (een kleine) hoeveelheid cocaïne bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij zijn politieverhoor en het proces-verbaal van bevindingen, waaruit volgt dat de cocaïne bij verdachte in zijn rechterbroekzak is aangetroffen. Verdachte wordt vrijgesproken van het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van cocaïne.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

op 6 maart 2015 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een aangezichtsfractuur en bloed achter een oog en een contusio cerebri (hersenkneuzing) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet in het gezicht te slaan en/of te stompen;

ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

op 6 maart 2015 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,49 gram cocaïne, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, ingeval van een bewezenverklaring, rekening te houden met het feit dat de redelijke termijn is geschonden. Bovendien is verdachte in Nederland niet eerder veroordeeld en heeft hij in zijn verhoor bij de politie berouw getoond.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in de nacht van 6 maart 2015 te Amsterdam een onschuldig slachtoffer, in functie als taxichauffeur, op straat ernstig mishandeld. Door deze plotselinge explosie van geweld is het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Uit de aangifte blijkt dat hij zich, op de eerste klap na, niets meer kan herinneren van het voorval en in het ziekenhuis wakker werd. Een verbalisant moest het slachtoffer bij zijn hoofd ondersteunen omdat hij regelmatig wegviel. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat hij een aangezichtsfractuur had en er een forse bloeduitstorting rond zijn rechter oogkas zichtbaar was. Het slachtoffer liep een hersenkneuzing op, kampte met bloed achter zijn oog en is vijf dagen in het ziekenhuis onder behandeling van een neuroloog, oogarts en KNO-arts gesteld. Hij heeft als gevolg van het letsel vier weken lang niet kunnen werken. Het slachtoffer was werkzaam in een vennootschap onder firma (vof), maar is na het incident door zijn collega’s uit deze vof gezet omdat hij door het toegebrachte letsel een periode niet heeft kunnen werken en toen hij lichamelijk hersteld was ’s nachts niet meer durfde te werken.

Sprake is van een ernstig feit. Naast de lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer zal het ook voor omstanders een schokkende ervaring zijn geweest. De verdachte heeft er, na een avondje, uit voor gekozen om een onschuldig slachtoffer midden op straat ernstig toe te takelen, terwijl omstanders hier ongewild getuige van zijn geworden.

Verder had verdachte een kleine hoeveelheid harddrugs bij zich, te weten cocaïne. Harddrugs leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, deze stoffen zijn verslavend en regelmatig gebruik hiervan brengt in de regel lichamelijk, psychisch en sociaal schadelijke gevolgen met zich. Daarnaast gaat de verspreiding van deze drugs samen met ernstige vormen van criminaliteit. Verdachte heeft daaraan bijgedragen door deze middelen voorhanden te hebben.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van een uittreksel van 16 maart 2015 uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) ten name van verdachte, waaruit volgt dat verdachte niet eerder in Nederland strafrechtelijk is veroordeeld. Ook volgt uit dit uittreksel dat verdachte meerdere malen voor alcohol gerelateerde feiten is veroordeeld, met name voor het rijden onder invloed, maar ook voor strafbare feiten tegen personen.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn neergelegd in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt voor het plegen van zware mishandeling door first offenders uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de LOVS. De rechtbank acht het strafverzwarend dat het slachtoffer in betreffende nacht werkzaam was als taxichauffeur voor nota bene verdachte. Bovendien vond de geweldsexplosie in het openbaar en uit het niets plaats. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen. De rechtbank is van oordeel dat deze straf, en niet de door de officier van justitie gevorderde twaalf maanden, passend en geboden is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1) vordert € 6.043,93 aan materiële schadevergoeding en

€ 1.250,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 1. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De immateriële schadevergoeding wordt begroot op het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De rechtbank ziet geen aanleiding tot matiging van de gevraagde schadevergoeding. De gevorderde materiële schadevergoeding is volgens de rechtbank rechtstreeks veroorzaakt door het ten laste gelegde feit en is voldoende onderbouwd. Dit betekent dat de schade zoals gevorderd zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2015. Daarbij zal ook de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

- Zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

- Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 2 van de Opiumwet.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [slachtoffer] (feit 1), wonende te [adres] , toe tot € 7.293,93 (zevenduizendtweehonderddrieënnegentig euro en drieënnegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen de som van € 7.293,93 (zevenduizendtweehonderddrieënnegentig euro en drieënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 maart 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 71 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. F.M. Wieland en R. Funke Küpper, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2017.