Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9848

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
13/702450-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen auto-inbraken, herkenning verdachte door dashcam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/702450-17 (Promis)

Datum uitspraak: 21 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in het “ [huis van bewaring] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H. Boersma en van wat verdachte en zijn raadsman mr. Y. Bouchikhi naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 augustus 2017 te Amstelveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een of meerdere voertuigen heeft weggenomen

- een laptoptas en/of een Macbook Pro en/of huissleutels en/of een paspoort op naam van [aangever 1] en/of een iPad mini met oplader en/of een telefoonoplader en/of een zonnebril van het merk Rayban en/of oordopjes en/of diverse papieren en poststukken en/of

- een of meerdere koffers en/of een hardloophorloge en/of een of meerdere boeken en/of een iPhoneoplader en/of een of meerdere paren schoenen en/of een of meerdere kledingstukken en/of lenzenvloeistof en/of een of meerdere toiletspullen en/of een rugtas en/of sleutels en/of een zorgverzekeringspas en/of een bankpas en/of een OV-chipkaart en/of een geldbedrag van 200 euro en/of een Playstationspel en/of een mobiele telefoon,

geheel of ten dele toebehorend aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot voornoemd(e) goed(eren) heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen voornoemd(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak en/of verbreking;

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een of meerdere voertuigen heeft weggenomen

- een laptoptas en/of een kentekenbewijs en/of een tankpas en/of verzekeringspapieren en/of een bluetooth handsfree headset en/of een laptop en/of

- een bril en/of een laptoptas en/of klantendossiers en/of een ABN-Amro identifier en/of

- een beamer/projector en/of een rugtas en/of een of meerdere kledingstukken, geheel of ten dele toebehorend aan [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat voornoemd(e) goed(eren) heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen voornoemd(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak en/of verbreking;

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 augustus 2017 tot en met 30 augustus 2017 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 2428,4 (1868 x 1,3) gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of een hoeveelheid van (ongeveer) 412,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hasjiesj, in elk geval (telkens) een of meerdere middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de vijf auto-inbraken in vereniging, onder 1. en 2. ten laste gelegd, bewezen. Hij komt hiertoe op grond van de aangiftes van [aangever 2] , [aangever 1] , [aangever 3] , [aangever 6] en [aangever 7] en de verklaring van getuige [getuige 1] . Daarnaast verwijst de officier van justitie naar de processen-verbaal van bevindingen, waaronder die betreffende het uitkijken van de camerabeelden van de dashcam, de achtervolging van de Citroën waarin verdachte is aangehouden en het aantreffen van gestolen goederen op de tijdens de achtervolging afgelegde route. Tot slot betrekt de officier van justitie in zijn standpunt de processen-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar.

Het onder 3. ten laste gelegde acht de officier van justitie ook bewezen, op grond van de bekennende verklaringen van verdachte ten overstaan van de politie en op zitting, en het proces-verbaal van bevindingen, waaruit volgt dat een hoeveelheid hennep en hasjiesj in zijn woning is aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

4.2.1.

Het standpunt ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Hij voert hiertoe aan dat hoewel op de beelden van de dashcam van [aangever 1] éénmaal een harde klap en glasgerinkel te horen is, er niet te zien is wie deze klap gegeven heeft en ook niet wie er daarna in de auto heeft ingebroken. Er kan niet worden geconcludeerd dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan deze auto-inbraken. Bovendien zijn er bij verdachte en zijn medeverdachte geen gestolen goederen aangetroffen.

4.2.2.

Het standpunt ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De raadsman pleit tot vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde. Hij voert hiertoe aan dat uit het procesdossier op geen enkele wijze volgt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een inbraak uit de auto van [aangever 6] , die op het Jollenpad geparkeerd stond. Verdachte is door niemand op het Jollenpad gezien en er zijn geen gestolen goederen bij hem aangetroffen. Verder voert hij aan dat de goederen die in de berm naast de Machineweg zijn gevonden, afkomstig van [aangever 3] , niet zijn te herleiden tot verdachte. De achtervolgende verbalisanten hebben niet gezien dat er spullen uit het raam van de auto in de berm zouden zijn gegooid, en bovendien zijn er geen sporen op de goederen aangetroffen. Ten aanzien van de auto-inbraak uit de auto van [aangever 7] stelt de raadsman zich op het standpunt dat getuige [getuige 1] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar heeft verklaard. Niet duidelijk is welke personen de getuige heeft gezien en ook is niet komen vast te staan of zij een auto-inbraak heeft gezien.

4.2.3.

Het standpunt ten aanzien van medeplegen

De raadsman is van mening dat er geen sprake is van medeplegen. Het enkel aanwezig zijn bij een delict is onvoldoende. Volgens hem volgt uit het procesdossier niet wat de rol van verdachte is geweest bij de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten.

4.2.4.

Het standpunt ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

De raadsman refereert zich ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Het oordeel ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1. ten laste gelegde kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

In de auto van [aangever 1] was een dashcam bevestigd. Op de door de dashcam vastgelegde camerabeelden is te zien dat een witte Citroën DS3, met kenteken [getuige 1] , in beeld komt. Hierin reden twee manspersonen: NN1 en NN2. Deze NN2, die een lichtkleurig T-shirt droeg met daarop een print van een doodshoofd, keek door een achterruit van een voertuig, terwijl NN1 tussen de auto’s aan de linkerzijde verdween. Iets later kwam NN2 weer in beeld, hij hield een zaklamp omhoog en keek daarmee in een voertuig. Tien minuten hierna is wederom dezelfde Citroën te zien. NN2 stapte uit de auto, droeg zwarte handschoenen en had een lang zilver voorwerp in zijn hand. Hij verdween links uit beeld, waarna verbalisant een harde klap hoort, en hoort dat er glas afbrokkelde en viel. NN2 stapte hierna de Citroën in en reed deze weg. Door het geluid van de klap en het afbrokkelende en vallende glas, is volgens de rechtbank duidelijk geworden dat er op dat moment een auto-inbraak plaatsvond. In het proces-verbaal van herkenning is geconstateerd dat NN2, die een lichtkleurig T-shirt droeg met daarop een print van een doodshoofd, verdachte is. De rechtbank acht dit een betrouwbare herkenning, met name aangezien de stills van de camerabeelden in het procesdossier, waarop deze herkenning gebaseerd is, van buitengewoon goede kwaliteit zijn. Verder is verdachte met zijn medeverdachte op 29 augustus 2017 aangehouden, als bijrijder in voornoemde Citroën die volgens een huurcontract op zijn naam staat. Op grond van de aangifte van [aangever 1] , de camerabeelden van de dashcam, de herkenning van verdachte door verbalisant en het huurcontract van de Citroën acht de rechtbank de diefstal in vereniging uit de auto van [aangever 1] bewezen.

Uit de aangifte van [aangever 2] , namens [aangever 2] , valt af te leiden dat de auto van [aangever 2] ten tijde van de op de camerabeelden van de dashcam vastgelegde inbraak in de auto van [aangever 1] , daarnaast stond en dat ook in de auto van [aangever 2] is ingebroken. De inbraak in de auto van [aangever 1] vond plaats tussen 18.20 en 20.30 uur. Tussen die tijdstippen stond de auto van [aangever 2] ook aan de Amstelzijde. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich met zijn medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging uit de auto van [aangever 2] . Dat er bij het uitkijken van de beelden van de dashcam één klap is gehoord, zoals de raadsman heeft aangevoerd, sluit geenszins uit dat er ook buiten het waarnemingsvermogen van de dashcam autobraak-handelingen plaatsvonden die de dashcam niet heeft geregistreerd. Daar komt bij dat verdachte het scenario dat een ander heeft ingebroken in de auto van [aangever 2] , terwijl hij degene is die omstreeks hetzelfde tijdstip heeft ingebroken in de auto die ernaast stond, niet heeft onderbouwd.

4.3.2.

Het oordeel ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat de diefstal in vereniging uit de auto van [aangever 3] op 29 augustus 2017 bewezen kan worden. Volgens de aangifte van [aangever 3] stond zijn auto op die avond geparkeerd aan het Jollenpad. Toen hij terugkwam bij zijn auto, merkte hij dat de ruit achter het rechterachterportier van zijn auto was verbroken en dat zijn laptoptas met inhoud was gestolen. Dezelfde avond kregen verbalisanten een melding dat er een aandachtsvestiging zou zijn betreffende een witte Citroën met zwart dak en kenteken [getuige 1] . Niet veel later zagen verbalisanten deze Citroën rijden. Zij achtervolgden de auto op de Machineweg, verloren deze kort uit het zicht omdat zij moesten keren en reden daarna met hoge snelheid weer achter de auto aan. Opmerkelijk was volgens de verbalisanten dat de afstand tussen hun dienstvoertuig en de Citroën plots erg groot was nadat zij enkele seconden geen zicht op het voertuig hadden. Verbalisanten concluderen dat de Citroën zijn snelheid hevig moet hebben opgevoerd, op het moment dat zij er geen zicht op hadden. Kort hierna werd de Citroën, bij een stoplicht, klemgezet en werden verdachte en zijn medeverdachte aangehouden. De Citroën met kenteken [getuige 1] is volgens een aangetroffen huurcontract gehuurd door verdachte. Twee meter naast deze auto zijn gele handschoenen aangetroffen, met daarin opgeborgen een zaklamp. Bovendien lag er op de bijrijdersstoel een stukje glas, dat door verbalisant ambtshalve werd herkend als afkomstig van een ingeslagen autoruit.

Op de route die verbalisanten, verdachte en zijn medeverdachte hadden afgelegd, zijn na de aanhouding een zwarte laptoptas met inhoud en meerdere passen, op naam van [aangever 3] , in de berm aangetroffen. Dit zijn goederen die kort daarvoor uit de auto van [aangever 3] gestolen waren. Het verweer van de raadsman, inhoudende dat verbalisanten niet hebben gezien dat er goederen uit de auto in de berm zijn gegooid, verwerpt de rechtbank. De verbalisanten zijn verdachte met zijn medeverdachte immers op enig moment uit het zicht verloren, waardoor het aannemelijk is dat juist op dat moment de gestolen goederen door verdachte of de medeverdachte in de berm zijn gedumpt. Dat komt ook overeen met de plek waar de goederen zijn aangetroffen. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande bewezen dat verdachte zich met zijn medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging uit de auto van [aangever 3] .

De rechtbank acht de diefstal in vereniging uit de auto van [aangever 6] niet bewezen. Uit de aangifte van [aangever 6] volgt dat zijn auto op het Jollenpad geparkeerd stond. Verdachte en zijn medeverdachte moeten hier, gelet op de hierboven bewezenverklaarde diefstal, zijn geweest. Anders echter dan bij de diefstal uit de auto van [aangever 3] , is er geen enkel gestolen goed onder verdachte, zijn medeverdachte of in de berm naast de Machineweg aangetroffen. Eveneens niet bewezen acht de rechtbank de diefstal in vereniging uit de auto van [aangever 7] . Uit het procesdossier kan niet worden afgeleid dat verdachte zich op 29 augustus 2017 op de plaats is geweest waar [aangever 7] zijn auto had geparkeerd, te weten de Amstelzijde. De verklaring van getuige [getuige 1] is hiervoor onvoldoende specifiek. Verdachte wordt van beide diefstallen vrijgesproken

4.3.3.

Het oordeel ten aanzien van medeplegen

Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het voltooien van het delict. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter in zijn algemeenheid rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan de hand van de camerabeelden van 21 augustus 2017 van de dashcam van [aangever 1] is duidelijk geworden dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte in een huurauto heeft begeven naar de plaats delict. Daar aangekomen liepen beiden rondom verschillende auto’s. Na de inbraken vertrokken zij samen in de door verdachte gehuurde Citroën, die werd bestuurd door zijn medeverdachte en waar verdachte op de bijrijdersstoel plaatsnam. Ook op 29 augustus 2017 zijn verdachte en zijn medeverdachte in dezelfde Citroën aangehouden, nadat zij eerder die dag opnieuw in een auto hadden ingebroken. Kort voor de aanhouding hebben zij, toen zij kennelijk in de gaten hadden dat de politie achter hen aanreed, gestolen spullen uit het raam van de auto gegooid nadat zij de politie gedurende korte tijd op achterstand hadden gereden. Op grond van het voorgaande is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, zodat medeplegen kan worden bewezen.

4.3.4.

Het oordeel ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

Verdachte heeft zowel bij zijn politieverhoor als op zitting bekend dat hij wist dat de aangetroffen hennep en hasjiesj in zijn woning lagen. Op grond van deze verklaringen en het proces-verbaal van bevindingen, waarin de doorzoeking van de woning van verdachte is geverbaliseerd, oordeelt de rechtbank dat dit feit is bewezen. De rechtbank acht niet bewezen dat er sprake is van medeplegen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 21 augustus 2017 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit meerdere voertuigen heeft weggenomen

- een laptoptas en een Macbook Pro en huissleutels en een paspoort op naam van [aangever 1] en een iPad mini met oplader en een telefoonoplader en een zonnebril van het merk Rayban en oordopjes en diverse papieren en poststukken en

- meerdere koffers en een hardloophorloge en boeken en een iPhone oplader en meerdere paren schoenen en meerdere kledingstukken en lenzenvloeistof en meerdere toiletspullen en een rugtas en sleutels en een zorgverzekeringspas en een bankpas en een OV-chipkaart en een geldbedrag van 200 euro en een Playstationspel en een mobiele telefoon,

toebehorend aan [aangever 1] of [aangever 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot voornoemd) goederen hebben verschaft en die weg te nemen voornoemde goederen onder hun bereik hebben gebracht door braak;

ten aanzien van feit 2:

op 29 augustus 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een of meerdere voertuigen heeft weggenomen een laptoptas en een kentekenbewijs en een tankpas en verzekeringspapieren en een laptop toebehorend aan [aangever 3] , verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot die voornoemde goederen hebben verschaft en die weg te nemen voornoemde goederen onder hun bereik hebben gebracht door braak;

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 29 augustus 2017 tot en met 30 augustus 2017 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 2428,4 (1868 x 1,3) gram hennep en een hoeveelheid van 412,50 gram hasjiesj, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2, gelet op zijn primaire standpunt, subsidiair bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan zijn voorarrest. Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde, heeft de verdediging de rechtbank verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededader drie auto-inbraken gepleegd. Dergelijke autokraken leveren veel overlast op voor de gedupeerden. Aan de gedupeerden is materiële schade en hinder toegebracht. Verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin en heeft zich er geen moment om bekommerd dat inbraken ernstige inbreuk kunnen maken op de gevoelens van veiligheid van de gedupeerden. Voorts veroorzaken dergelijke feiten maatschappelijke onrust in de buurten waarin ze gepleegd worden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hasjiesj en hennep. Deze verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen verslavend zijn en regelmatig gebruik hiervan in de regel lichamelijk, psychisch en sociaal schadelijke gevolgen met zich brengt. Met de verboden handel van deze middelen worden grote winsten gemaakt. Daarnaast gaat de verspreiding van deze drugs gepaard met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft daaraan bijgedragen door deze middelen voorhanden te hebben.

Blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 10 november 2017 is verdachte reeds vele malen eerder voor soortgelijke misdrijven veroordeeld. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden wederom over te gaan tot het plegen van dergelijke feiten.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn neergelegd in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. In deze oriëntatiepunten wordt voor het plegen van één diefstal uit een auto, niet in vereniging, bij recidive, uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, vanwege de ernst van de feiten, niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de vrijspraak van verdachte van twee van de onder 2. ten laste gelegde diefstallen, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] (feit 1) vordert € 1.385,00 aan materiële schadevergoeding en € 200,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het materiële schade volledig kan worden toegewezen. Hij verzoekt de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu deze niet is onderbouwd. Het controleren van alle gevorderde schadeposten brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich mee.

De gevorderde materiële schadevergoeding is volgens de rechtbank rechtstreeks veroorzaakt door het onder 1. ten laste gelegde feit en is voldoende aannemelijk gemaakt door de benadeelde partij. De rechtbank ziet echter aanleiding de vordering voor een gedeelte van € 1.185,00 (het totaalbedrag van € 1.385, minus € 200,00 aan contanten) te matigen tot 75%, hetgeen neerkomt om € 888,75, nu niet is onderbouwd dat de gestolen goederen volledig nieuw waren ten tijde van de diefstal. Het gestolen bedrag van € 200,00 aan contanten wordt eveneens toegewezen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige materiële schade niet-ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering, nu dit geen rechtstreekse schade betreft van [aangever 2] .

Dit betekent dat een bedrag van € 1.088,75, hoofdelijk, zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2017. Daarbij zal ook de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] (feit 1) vordert € 1.717,89 (€ 3.832,26 minus het bedrag van € 2.114,37 dat door de verzekering is vergoed) aan materiële schadevergoeding en € 851,32 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu van alle goederen geen afschrijvingswaarde is vermeld. Daarnaast bestaan er onduidelijkheden omtrent de nieuw aangeschafte laptop, de kosten van de krassen op de auto, de sloten, de sleutels, de management fee en de immateriële schade omtrent het verpeste jubileum. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de hierboven genoemde kostenposten niet-ontvankelijk te verklaren.

De gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding is volgens de rechtbank rechtstreeks veroorzaakt door het onder 1. ten laste gelegde feit en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank ziet echter, ten aanzien van de materiële schade, aanleiding de vordering te matigen, nu niet alle goederen volledig nieuw waren ten tijde van de diefstal. De rechtbank gaat hierbij uit van een afschrijvingswaarde van 25% per jaar.

De volgende materiële kosten liggen voor het gehele gevorderde bedrag voor toewijzing gereed: leren jas, laptoptas, paspoort, Macbook Pro, koppelstuk Macbook, Macbook oplader, iPhone oplader, iPhone oordopjes, koppelstuk iPhone, Carglass service incl. nieuw raam, kosten krassen op auto, sloten laten vervangen, het laten bijmaken van sleutels en het laten vervangen van sloten. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 3.200,86.

De volgende materiële kosten liggen voor 75% van het gevorderde bedrag voor toewijzing gereed: zonnebril op sterkte en leesbril. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 152,55.

De volgende materiële kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu zij langer dan vier jaren geleden zijn aangeschaft: iPad mini en iPad cover.

Ten aanzien van de immateriële kosten wijst de rechtbank een bedrag van € 601,32 toe. Dit bedrag ziet op het moeten opnemen van een vrije dag door aangever en zijn partner.

Dit betekent dat een bedrag van € 3.353,41 minus € 2114,37 = € 1.239,04 (materieel) en € 601,32 (immaterieel), totaal € 1.840,36, hoofdelijk, zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2017. Bij het toegewezen bedrag zal ook de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde:

- Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

- Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [aangever 2] (feit 1), wonende te [woonplaats benadeelde partij] , toe tot € 1.088,75 (duizendachtentachtig euro en vijfenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] , aan de Staat € 1.088,75 (duizendachtentachtig euro en vijfenzeventig eurocent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 20 (twintig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Wijst de vordering van [aangever 1] (feit 1), wonende te [woonplaats benadeelde partij] , toe tot € 1.840,36, (duizendachthonderdveertig euro en zesendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] , aan de Staat € 1.840,36, (duizendachthonderdveertig euro en zesendertig eurocent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 28 (achtentwintig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van het geldbedrag ad € 2.150,00 waar klassiek beslag op rust, met dien verstande dat hierop volgens de officier van justitie nog conservatoir beslag rust, zodat het in dat geval niet retour zal gaan naar verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2017.