Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9763

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging Ziektewetuitkering, eerstejaars Zw-beoordeling, stoornis van Asperger, geduide functies zijn niet geschikt wegens overschrijding van de belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/2880, AMS 16/6513 en AMS 17/5413

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaken tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.D. van Alphen),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

( [gemachtigde] ).

Procesverloop

In zaaknummer AMS 16/2880

Bij besluit van 21 september 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering die eiser op grond van de Ziektewet (ZW) ontving, met ingang van 2 november 2015 beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 maart 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Hangende dit beroep heeft verweerder bij besluit van 5 april 2016 (het bestreden besluit 2) het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de ZW-uitkering per 25 maart 2016 beëindigd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [de persoon] . Het onderzoek is na de behandeling op de zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek op 6 september 2016 heropend om verweerder de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft bij brief van 3 oktober 2016 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft hier op gereageerd, waarna partijen over en weer reacties hebben ingezonden.

In zaaknummer AMS 16/6513

Bij besluit van 24 februari 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met ingang van 24 maart 2016 beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 oktober 2016 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de ZW-uitkering per 25 maart 2016 beëindigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 3 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In zaaknummer AMS 17/5413

Bij besluit van 9 mei 2017 (het primaire besluit III) heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met ingang van 15 mei 2017 beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 augustus 2017 (het bestreden besluit 4) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 4 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In alle zaaknummers

Het onderzoek ter zitting in zaaknummer 16/2880 is op 5 december 2017 hervat. Daarnaast heeft op die datum het onderzoek ter zitting in zaaknummers AMS 16/6513 en AMS 17/5413 plaatsgevonden Alle drie de zaken zijn gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep R.M. de Vink en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Evegaars.

Overwegingen

Zaaknummer 16/2880

Wat is er aan de hand?

1.1

Eiser is werkzaam geweest als [medewerker] bij het UWV voor 36 uur per week. Op 1 oktober 2014 heeft hij zijn baan opgezegd. Op 2 oktober 2014 is eiser uitgevallen met psychische klachten, waarna aan hem een ZW-uitkering is toegekend.

1.2

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met ingang van 2 november 2015 beëindigd, omdat uit de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling is gebleken dat eiser op 1 oktober 2015 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd (het maatmaninkomen). Verweerder heeft aan dit besluit de rapporten van de verzekeringsarts M. Bruins van 31 augustus 2015 en van de arbeidsdeskundige J. Schoots van 18 september 2015 ten grondslag gelegd. Geconcludeerd is dat eiser 72,9 % van het maatmaninkomen kan verdienen.

1.3

Naar aanleiding van het bezwaar van eiser is er opnieuw medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep R.M. de Vink heeft in zijn rapport van 15 februari 2016 eiser meer beperkt geacht en de eerder opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) per die datum aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Evegaars heeft in zijn rapport van 23 februari 2016 de functies sorteerder, controleur (sbc-code 111340), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en administratief medewerker afhandelingen (sbc-code 515080) (en medewerker intern transport (sbc-code 111220) geselecteerd en geconcludeerd dat eiser 72,99% van het maatmaninkomen kan verdienen.

1.4

In een brief van 24 februari 2016 heeft verweerder meegedeeld van plan te zijn het primaire besluit te herzien met betrekking tot de geduide functies waardoor de ZW-uitkering eindigt met ingang van 25 maart 2016. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierop te geven. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd in een rapportage van 17 maart 2016.

1.5

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van eiser onder verwijzing naar de hiervoor in de alinea’s 1.3 en 1.4 aangehaalde rapporten ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

1.6

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het bestreden besluit 1 een onjuist dictum bevat, dat de ZW-uitkering met ingang van 25 maart 2016 wordt beëindigd, dat de proceskosten worden vergoed en dat voor het overige het bestreden besluit 1 ongewijzigd blijft.

2. Eiser betoogt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten en dat hij slechts in staat is te werken in beschutte omstandigheden. In item 2.12.6 van de FML van 15 februari 2016 is een bijzondere voorwaarde opgenomen: “geen werkruimte met veel drukte van mensen en veel prikkels, voorkeur groepje van niet meer dan 3-4 mensen, betrokkene heeft behoefte aan overzicht en structuur”. Deze beperking en dan met name de voorwaarde “geen werk met veel prikkels” maakt dat geen van de functies passend is. Werk zonder prikkels is ook niet goed, het werk mag niet te monotoon zijn. Zulk werk is niet passend omdat dit eiser te weinig uitdaagt en het gevaar meebrengt van ongewenst gedrag of decompensatie, aldus eiser. Eiser stelt verder dat bij hem onlangs de diagnose ADHD is vastgesteld, dat verzekeringsarts Njoo daarin op 2 mei 2017 aanleiding heeft gezien een extra beperking op te nemen in de FML en dat volgens de arbeidsdeskundige daardoor nog maar twee van de geselecteerde functies kunnen worden geduid.

Wat vindt de rechtbank ervan?

3. Het beroep van eiser heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mede betrekking op het bestreden besluit 2. Verweerder heeft tijdens de zitting van 25 augustus 2016 verklaard dat met het bestreden besluit 2 alleen de beëindigingsdatum van het bestreden besluit 1 is gewijzigd, maar dat het bestreden besluit 1 blijft gehandhaafd voor wat betreft de motivering. De rechtbank begrijpt hieruit dat het bestreden besluit 2 niet geheel in de plaats is gekomen van het bestreden besluit 1 en dat het bestreden besluit 1 ook niet is ingetrokken. Eiser behoudt dus een belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit 1.

4.1

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

4.2

Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.3

Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit.1

5. Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerder de ZW-uitkering van eiser terecht heeft beëindigd omdat eiser meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank zal ter beantwoording van die vraag eerst de medische grondslag van de bestreden besluiten 1 en 2 beoordelen. Daarna bespreekt de rechtbank de arbeidskundige grondslag van die besluiten. De datum in geding is in dit soort zaken de datum waarop de uitkering is beëindigd, in dit geval 25 maart 2016.2

De medische grondslag

6.1

Volgens het rapport van 31 augustus 2015 heeft de primaire verzekeringsarts onderzoek verricht op basis van dossierstudie, waarbij een rapport van psychiater W.M.J. Hassing en een verslag van psychiater W. Tilburg van [bedrijf] zijn betrokken, en een spreekuur. Hij heeft als diagnose gesteld het syndroom van Asperger en een dysthyme stoornis. De verzekeringsarts heeft onder meer overwogen dat structuur en regelmaat van belang zijn, dat het werkaanbod gestructureerd dient te zijn, dat eiser niet teveel bloot gesteld dient te worden aan conflicterende functie-eisen en dat rekening dient te worden gehouden met een verminderde conflicthantering.

6.2

Volgens het rapport van 15 februari 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en eiser gezien tijdens de hoorzitting/het spreekuur. Hij heeft dezelfde diagnose gesteld als de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder meer overwogen dat drukte op de werkplek (“teveel prikkels”) voor eiser belastend is. Mits het werk voldoende passend is, is er geen reden voor een verminderde ureninzetbaarheid. De stoornis is altijd aanwezig en wordt door een werksituatie niet uitgelokt. Een verkeerde werksituatie kan wel leiden tot frustrerende reacties bij eiser of tot conflicten op het werk als hij dan niet begrepen wordt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt dat eiser ook aanvullend beperkt moet worden geacht voor intensiever samenwerken. Verder geldt er een aanvullende beperking op conflicthantering. Telefonisch contact is te direct. Een drukke, hectische werkomgeving is voor eiser niet geschikt. Eiser heeft vooral behoefte aan overzicht en structuur. Omdat autisten grote moeite hebben met veranderingen, is het zaak maatwerk qua werk te leveren waarbij de gestelde beperkingen niet overschreden moeten worden.

6.3

Na heropening van het onderzoek ter zitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 september 2016 op verzoek van de rechtbank toegelicht dat het bij de prikkelgevoeligheid vooral om de sociale prikkels gaat en dat hij de beperkingen als gevolg hiervan in de FML allemaal heeft aangegeven. Met het niet moeten werken in een drukke werkruimte met veel prikkels bedoelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep sociale prikkels en hectiek waardoor teveel onrust ontstaat. Dit treedt makkelijk in een kantoortuin op. Een werkplek met 3-4 mensen heeft de voorkeur, maar een iets grotere groep mag ook, mits maar voldaan wordt aan een voldoende rustige werkomgeving met voldoende overzicht en structuur en de overige gestelde beperkingen. Met maatwerk heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bedoeld een functie passend binnen de aangegeven beperkingen die eiser heeft. Dit betekent niet dat dan geen reguliere arbeid mogelijk is, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

6.4

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 juni 2017 aangegeven dat hij heeft overlegd met verzekeringsarts Njoo. Op grond van voortschrijdend inzicht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML op 8 juni 2017 aangepast en een aanvullende beperking opgenomen bij item 1.9.10. Deze aanvulling is geldig vanaf 31 augustus 2015.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek, gezien de onderzoeksactiviteiten die zijn verricht, zorgvuldig is geweest en voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank vindt verder dat de verzekeringsgeneeskundige rapportages inzichtelijk zijn en dat de conclusies logischerwijze uit de onderzoeksbevindingen volgen.

7.2

De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding aan de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de daaruit getrokken conclusies te twijfelen. De verzekeringsarts heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen verdergaande beperkingen heeft aangenomen dan in de FML van 8 juni 2017 is gedaan. Uit zijn toelichting op de zitting van 5 december 2017 is naar voren gekomen dat eiser ook last heeft van geluidsprikkels, maar dat het met name gaat om geluidsprikkels in een sociale context - om sociale prikkels - en dat daarmee in voldoende mate rekening is gehouden in de aangepaste FML. Eiser heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat deze conclusie niet juist is. Het feit dat bij eiser naderhand de diagnose ADHD is gesteld is daartoe onvoldoende. Ingevolge vaste rechtspraak van de CRvB gaat het bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek immers om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij is een diagnose niet doorslaggevend.3

7.3

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder deugdelijk onderbouwd waarom er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. De brieven van psycholoog Baas van 19 december 2016 en 1 mei 2017 zijn onvoldoende voor een ander oordeel. In die brieven staat dat eiser leert zich niet te overbelasten, dat er een goede balans is met voldoende hersteltijd en dat het belangrijk is dat hij goed leert omgaan met ASS en ADHD. Ook staat er dat de ervaring is dat mensen met ASS meer hersteltijd nodig hebben en vaak baat hebben bij een minder volle werkweek. Volgens Baas hangt dit echter af van de aanpassingen die op het werk gedaan kunnen worden. Indien de werkzaamheden en werkomstandigheden goed aansluiten is er volgens hem immers weer minder hersteltijd nodig. Dit sluit naar het oordeel van de rechtbank aan bij de overweging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat, als het werk voldoende passend is, er geen reden is voor een verminderde ureninzetbaarheid.

7.4

De conclusie is dat de bestreden besluiten 1 en 2 een deugdelijk medische grondslag hebben.

De arbeidskundige grondslag

8. Eiser betoogt allereerst dat het volgens de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2016 zaak is om maatwerk te leveren qua werk. Eiser meent dat hij dus alleen onder beschutte omstandigheden kan werken en er geen functies geselecteerd kunnen worden. Dit betoog slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat verband in zijn rapportage van 13 september 2016 gemotiveerd uitgelegd wat hij bedoelt met maatwerk. De rechtbank ziet geen reden om aan die uitleg te twijfelen. De uitspraak van de CRvB van 24 juni 20094 waar eiser naar verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. In die concrete zaak rechtvaardigde de mate waarin de stoornis van Asperger zich bij de betrokkene manifesteerde de conclusie dat die betrokkene voor het verrichten van werkzaamheden was aangewezen op maatwerk, en dat daarom geen theoretische functies te duiden waren. Het ging in die uitspraak dus om een concrete, specifieke zaak. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn situatie vergelijkbaar is met die specifieke zaak. De conclusie is dan ook dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht aan de hand van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eiser heeft vastgesteld, heeft onderzocht of en zo ja welke functies in het CBBS geselecteerd kunnen worden.

9.1

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 14 juni 2017, die is opgesteld naar aanleiding van de aangepaste FML van 8 juni 2017, geconcludeerd dat één geselecteerde functie voor eiser ongeschikt is. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn de volgende functies nog wel voor eiser geschikt: samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (sbc-code 267050), administratief medewerker afhandelingen (sbc-code 515080) en medewerker intern transport (sbc-code 111220). Op grond van deze functies is de verdiencapaciteit van eiser op 68,55% vastgesteld.

9.2

Uit een eerder arbeidskundig rapport van 23 februari 2016 komt naar voren dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toen toegelicht dat het niet raadzaam is om eiser in een functie te plaatsen met veel directe zakelijke contacten met derden. Wel kan eiser volgens hem aan een bureaublok met vier collega’s in een kamer functioneren, maar een open werkruimte zoals een kantoortuin is niet geschikt voor eiser omdat dat hem te snel zou afleiden.

9.3

Wat de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (monteur 1) betreft heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 29 september 2016 - naar aanleiding van vragen van de rechtbank - uitgelegd dat de productiehal waarin deze functie wordt uitgevoerd, ongeveer 50 x 25 meter groot is en dat de monteur werkt in een gedeelte van de producthal. Iedere monteur heeft een eigen afgebakende deeltaak en de zeven personen die zich dagelijks bezig houden met de montage doen dat aan twee blokken van vier bij elkaar staande tafels. Verder heeft hij toegelicht dat in de productiehal ook andere monteurs werken.

10.1

Op grond van deze toelichting stelt de rechtbank vast dat de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur uitgevoerd wordt in een open werkruimte waar meer dan 10 mensen werken. De rechtbank is van oordeel dat deze functie, gelet op de hiervoor in alinea 9.2 gegeven toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de belastbaarheid van eiser overschrijdt omdat in deze functie sprake is van teveel (sociale) prikkels. Het feit dat de werkgedeelten van elkaar worden gescheiden door kasten, stellingen en looppaden, leidt niet tot een ander oordeel. Dit neemt namelijk niet weg dat er dan nog steeds sprake is van een open ruimte waarin meer dan 10 mensen werken.

10.2

Wat de functie medewerker intern transport betreft blijkt uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 september 2016 dat die functie wordt uitgeoefend in een ruimte van 1000 m², waarin naast de groep van zes medewerkers ook drie reachtruckchauffeurs werkzaam zijn. Ook bij deze functie is dus sprake van een open ruimte waar meer dan 3 tot 4 personen werkzaam zijn. Daarom overschrijdt ook deze functie de belastbaarheid van eiser.

10.3

Uit de hiervoor onder alinea’s 10.1 en 10.2 gegeven overwegingen blijkt dat ieder geval twee van de drie geselecteerde functies niet voor de schatting gebruikt mochten worden omdat die twee functies de belastbaarheid van eiser, zoals beschreven in de FML van 8 juni 2017, overschrijden. Alleen al hierom berusten de bestreden besluiten 1 en 2 op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag. De rechtbank zal daarom de bespreking van de derde geselecteerde functie (administratief medewerker B) verder buiten bespreking laten.

10.4

De rechtbank zal vanaf alinea 17 aangeven welke gevolgen het in alinea 10.3 gegeven oordeel voor de bestreden besluiten 1 en 2 heeft.

Zaaknummer AMS 16/6513

Wat is er aan de hand?

11.1

Eiser heeft zich vanuit de Werkloosheidswet op 9 november 2015 (opnieuw) ziek gemeld.

11.2

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de ZW-uitkering met ingang van 24 maart 2016 beëindigd, omdat eiser geacht wordt op 23 februari 2016 meer dan 65% van het maatmaninkomen te kunnen verdienen.

11.3

Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de beëindigingsdatum in het bestreden besluit 2 en de beëindigingsdatum van de ZW-uitkering in het bestreden besluit 3 vastgesteld op 25 maart 2016.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt gesteld dat het beroep tegen het bestreden besluit 3 niet-ontvankelijk is omdat de datum in geding in deze zaak en in zaaknummer AMS 16/2880 dezelfde is. Volgens verweerder heeft eiser in deze zaak onvoldoende procesbelang en wordt hij door het niet inhoudelijk in behandeling nemen van zijn beroepschrift tegen het bestreden besluit 3 niet in zijn belangen geschaad.

Wat vindt de rechtbank ervan?

13.1

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is bij beantwoording van de vraag of de indiener van een bezwaar- of beroepschrift voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van een aangevallen uitspraak bepalend of het resultaat dat de indiener nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.5

13.2

De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat eiser bij de beoordeling van zijn beroep in deze zaak geen voldoende procesbelang meer heeft. Het gaat in deze zaak weliswaar om dezelfde datum in geding als in de zaak AMS 16/2880 en het bestreden besluit 3 is gebaseerd op dezelfde rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Hier staat tegenover dat verweerder het bestreden besluit 3 niet heeft ingetrokken, zodat ervan uitgegaan moet worden dat het in beginsel, los van de bestreden besluiten in zaak AMS 16/2880, onverkort juridische werking heeft. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het bestreden besluit 3 inhoudelijk bespreken.

13.3

Zoals zojuist in alinea 13.2 is overwogen, is het bestreden besluit 3 gebaseerd op dezelfde medische en arbeidskundige rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De rechtbank volstaat voor haar oordeel in deze zaak daarom met een verwijzing naar haar overwegingen in zaaknummer AMS 16/2880. Dit betekent dat ook het bestreden besluit 3 een deugdelijke arbeidskundige grondslag ontbeert.

De rechtbank zal vanaf alinea 17 aangeven welke gevolgen dit oordeel voor het bestreden besluit 3 heeft.

Zaaknummer AMS 17/5413

Wat is er aan de hand?

14.1

Eiser heeft zich op 31 mei 2016 opnieuw ziek gemeld.

14.2

Bij het primaire besluit III heeft verweerder de ZW-uitkering beëindigd omdat eiser met ingang van 15 mei 2017 weer in staat is zijn arbeid te verrichten.

14.3

Bij het bestreden besluit 4 heeft verweerder het beroep van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij overwogen dat de functies die zijn geselecteerd in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 februari 2016 als “zijn arbeid” worden aangemerkt. Eiser is volgens verweerder in staat die functies uit te oefenen.

15. In beroep betoogt eiser dat er een medische urenbeperking aangenomen moet worden. Verder meent eiser dat zijn belastbaarheid in de drie geduide functies wordt overschreden.

Wat vindt de rechtbank ervan?

16.1

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.6

16.1

De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting van 5 december 2017 desgevraagd verklaard dat als de bestreden besluiten 1, 2 en 3 niet in stand blijven, ook het bestreden besluit 4 niet in stand kan blijven omdat de beoordeling dan helemaal overnieuw gedaan moet worden. Eiser heeft zich daarbij aangesloten.

16.2

De rechtbank heeft eerder in deze uitspraak geoordeeld dat de bestreden besluiten 1, 2 en 3 een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag hebben. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit 4 ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser de eerder geduide functies die als “zijn arbeid” zijn aangemerkt, kan uitoefenen. Wat dit betekent voor het bestreden besluit 4, zal de rechtbank hierna overwegen.

Conclusie en slotoverwegingen

17. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt deze besluiten wegens strijd met de wet.

18 Vanwege het gebrek kunnen de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten niet in stand blijven. De rechtbank zal daarom ook niet zelf in de zaken voorzien. De rechtbank ziet geen reden de bestuurlijke lus toe te passen omdat het arbeidskundig onderzoek overnieuw gedaan moet worden. Verweerder zal daarom opnieuw moeten beslissen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak.

19. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in alle drie de zaken vergoeden.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt daarbij de zaaknummers AMS 16/2880 en AMS 16/6513 als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De proceskosten stelt de rechtbank op grond van Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.475,- (2 punten voor het indienen van beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke reactie en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting in zaaknummer AMS 16/2880, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op de betaalde griffierechten van in totaal € 138,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.475,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van mr.N.L. Adam, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.

2 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925.

3 Zie bij voorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2679.

4 ECLI:NL:CRVB:2009:BI9799.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946.

6 Zie voor de vraag wat onder “zijn arbeid” bij een ziekmelding na een Eerstejaars ZW-beoordeling moet worden verstaan de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1228.