Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9745

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4208
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om informatie op grond van artikel 40 en 40a van de Wet waardering onroerende zaken / geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb / beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4208

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn van verzoek om informatie op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).

Verweerder heeft naar aanleiding van dit beroep geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

Wettelijke kader

1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De voor het beroep relevante beschikbare stukken

2. De griffier van de rechtbank heeft verweerder met een brief van 21 juli 2017 verzocht binnen twee weken na de verzenddatum van die brief de op de zaak betrekking hebbende stukken bij de rechtbank in te dienen. Omdat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken niet bij de rechtbank heeft ingediend en de rechtbank ook anderszins geen enkele reactie vanuit de zijde van verweerder heeft ontvangen, heeft de rechtbank op grondslag van de door eiser beschikbaar gestelde stukken op het beroep beslist.

Feiten

3. In een brief van 7 februari 2017, die gericht is aan de gemeente Amsterdam (Dienst Belastingen), geeft eiser te kennen dat hij met die brief een verzoek om informatie wil indienen op grond van de Wet WOZ. De gemachtigde van eiser heeft dit verzoek daarbij als volgt toegelicht:“Voor een cliënt met een onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] , heb ik diverse OZBE-aanslagen over de jaren 2013 t/m 2015 in behandeling. Daarom wil ik hierbij de door u vastgestelde WOZ opvragen met peildata d.d. 01-01-2012, d.d. 01-01-2013 en d.d. 01-01-2014 voor de ondervermelde onroerende zaken gespecificeerd naar woning/m2, perceel/m2 prijs en eventuele overige opstallen;

1. [adres] , [postcode] [woonplaats] ; [adres] ( [adres] ) / [code]

2. [adres] , [postcode] [woonplaats] ; [adres] ( [adres] ) / [code]

3. [adres] , [postcode] [woonplaats] ; [adres] ( [adres] ) / [code]

4. [adres] , [postcode] [woonplaats] ; [adres] ( [adres] ) / [code] / [code] ”

4. Eiser heeft verweerder schriftelijk in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een besluit op het verzoek en verweerder verzocht om binnen een termijn van twee weken alsnog een besluit op het verzoek te nemen. Eiser heeft dit gedaan middels een door hem ingevuld ‘Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’, welk formulier gedateerd is op 8 maart 2017 en gericht is aan de gemeente Amsterdam (Dienst Belastingen).

5. Met een beroepschrift van 20 juli 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.

Oordeel rechtbank: het verzoek om informatie op grond van artikel 40 van de Wet WOZ

6.1.

Uit de brief van eiser van 7 februari 2017 volgt dat de reden van het verzoek is gelegen in een aantal aan eiser geadresseerde aanslagen onroerendezaakbelasting die zien op de jaren 2013 tot en met 2015. De rechtbank vat het verzoek, voor zover dit is gericht op waardegegevens van de in het verzoek genoemde onroerende zaken die niet in hoofzaak tot woning dienen, daarom op als een verzoek om informatie op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ.

6.2.1.

Een beslissing van verweerder op een verzoek om informatie op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ is naar het oordeel van de rechtbank geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank overweegt hiertoe dat er met betrekking tot belastingwetgeving, gelet op artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt. Dit betekent dat beslissingen die gelijk te stellen zijn met beslissingen ingevolge de belastingwet1, zoals ook een beslissing van een heffingsambtenaar op een verzoek om informatie op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ2, enkel voor bezwaar vatbare beschikkingen zijn, indien dit uitdrukkelijk in de wet is bepaald. Nu niet in de Wet WOZ of in een andere wet is voorgeschreven dat een beslissing van een heffingsambtenaar op een verzoek om informatie op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ een voor bezwaar vatbare beschikking is, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke beslissing geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in een uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 20163.

6.2.2.

Nu een beslissing van een heffingsambtenaar op een verzoek op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb valt aan te merken, is het niet tijdig nemen van een dergelijke beslissing ook niet met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gelijk te stellen. Dit betekent dat er tegen het niet tijdig nemen van een dergelijke beslissing op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 6:12, tweede lid, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld. Het beroep van eiser voor zover dit is gericht tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om informatie op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ is dan ook niet-ontvankelijk.

6.3.

De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat het uitblijven van een beslissing van verweerder op het verzoek om informatie op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet WOZ kan worden getoetst in de eventuele procedures waarin de aan eiser geadresseerde aanslagen onroerendezaakbelasting die zien op de jaren 2013 tot en met 2015 centraal staan.

Oordeel rechtbank: het verzoek om informatie op grond van artikel 40a van de Wet WOZ

7.1.

De rechtbank vat het verzoek, voor zover dit is gericht op waardegegevens van de in het verzoek genoemde onroerende zaken die wel in hoofzaak tot woning dienen, op als een verzoek om informatie op grond van artikel 40a, eerste lid, van de Wet WOZ.

7.2.

Daargelaten dat eiser een verzoek om informatie op grond van artikel 40a, eerste lid, van de Wet WOZ, gelet op de formulering van dit artikellid, niet bij verweerder, maar bij het loket voor openbare WOZ-waarden behoort in te dienen, gaat ook voor een beslissing op een verzoek om informatie op grond van artikel 40a, eerste lid, van de Wet WOZ de onder 6.2.1. genoemde redenering op. Immers, ook ten aanzien van een verzoek om informatie op grond van artikel 40a, eerste lid, van de Wet WOZ is niet in de Wet WOZ of in een andere wet voorgeschreven dat een beslissing hierop een voor bezwaar vatbare beschikking is. Ook (het niet tijdig nemen van) een dergelijke beslissing is naar het oordeel van de rechtbank om die reden geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat er tegen het niet tijdig nemen van een dergelijke beslissing op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 6:12, tweede lid, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld. Het beroep van eiser voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om informatie op grond van artikel 40a, eerste lid, van de Wet WOZ is dan ook niet-ontvankelijk.

Beslissing rechtbank

8. Het beroep is kennelijk niet ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

(…)

Artikel 6:2

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Artikel 6:12

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

(…)

Artikel 8:54

1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

c. het beroep kennelijk ongegrond is, of

d. het beroep kennelijk gegrond is.

(…)

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 2

1. Deze wet verstaat onder:

a. belastingwet: zowel deze wet als andere wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de onder artikel 1 vallende belastingen;

(…)

Artikel 26

1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

(…)

Wet waardebepaling onroerende zaken

Artikel 40

1. Op verzoek kan het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar worden verstrekt aan een ieder die kan aantonen een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan

2. De in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vergoeding die in rekening kan worden gebracht ter zake van de verstrekking van een waardegegeven aan derden.

Artikel 40a

1. Eenieder kan op verzoek het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient, inzien of verstrekt krijgen bij het loket voor openbare WOZ-waarden.

2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen, onder welke voorwaarden en tegen welk tarief een verzameling van waardegegevens betreffende onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen verstrekt kan worden via het loket voor openbare WOZ-waarden in een zodanige vorm dat daarop rechtstreeks een geautomatiseerde verwerking mogelijk is ten aanzien van een op voorhand onbepaalde groep van woningen of personen.

1 Als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2 Vgl. ECLI:NL:HR:2016:2667, r.o. 2.5.3. en r.o. 2.5.4.

3 ECLI:NL:HR:2016:2667.