Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9723

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
13/650563-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 2 maanden voor een diefstal uit een woning. Vrijspraak van de geweldshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650563-16 (Promis)

Datum uitspraak: 14 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [GBA] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 november 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd- verdacht van het plegen van diefstal van laptops, geld, geurtjes en een pet. Hij zou daarbij geweld hebben toegepast. De diefstal zou op 11 september 2016 in Amsterdam hebben plaatsgevonden.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Waardering van het bewijs

Feiten

Verdachte heeft aangever ontmoet op 11 september 2016 in een avondwinkel en is met hem meegegaan naar de woning van aangever. Daar hebben zij SM-seks gehad en even later is verdachte uit de woning gekomen met een tas met spullen en de pet van aangever op. Dat is te zien op camerabeelden. Aangever is nadat verdachte weg is gegaan drie laptops kwijt en geld en zijn huisgenoot is ook een laptop kwijt. De vraag ligt voor of verdachte deze spullen gestolen heeft.

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal, waarbij de officier van justitie ten aanzien van het contant geld uitgaat van een bedrag van € 120,-. Aangever heeft verschillende bedragen genoemd; € 120,- is het laagste bedrag dat door aangever is genoemd. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte met een volle tas de woning van aangever verlaat en dat hij op dat moment de pet van aangever op zijn hoofd draagt. Diefstal door verdachte is de enige logische verklaring voor het verdwijnen van o.a. de laptops uit de woning van aangever.

De officier van justitie vindt niet bewezen dat sprake is van een diefstal met geweld. Daarvoor is van belang dat voorafgaand aan de diefstal sprake is geweest van seks tussen aangever en verdachte en dat die seksuele handelingen plaatsvonden in een SM-achtige setting. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat sprake was van onvrijwillige geweldshandelingen of dat die handelingen zijn verricht ten behoeve van de latere diefstal.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman vindt het ten laste gelegde niet bewezen en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.

Het geweld dat is gebruikt vond plaats in het kader van seks met een SM karakter en was dus vrijwillig. Er is geen relatie vast te stellen tussen het geweld en de diefstal. Ook van de “kale” diefstal dient verdachte te worden vrijgesproken. Aangever heeft meerdere verklaringen afgelegd, waarbij de eerste verklaring afwijkt van zijn latere verklaringen. De onbetrouwbaarheid op het punt van de seksuele handelingen maakt dat de verklaring van aangever met betrekking tot de diefstal ook onbetrouwbaar zijn. Tegen die achtergrond is onvoldoende steunbewijs aanwezig op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. Op de stills van de camerabeelden is wel te zien dat verdachte een tas bij zich draagt, maar daarop is niet te zien wat er exact in die tas zit. De pet die verdachte op dat moment droeg is door aangever niet genoemd in zijn eerste verklaring.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid verklaring aangever

De rechtbank vindt dat verdachte de diefstal zoals die is tenlastegelegd heeft gepleegd. Niet is gebleken dat de verklaring van aangever over de diefstal onbetrouwbaar is. Daarvoor is het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van aangever verschillen bevatten met name waar hij beschrijft hoe hij met verdachte seks heeft gehad. Aangever geeft in zijn latere verklaringen ook een uitleg voor de verschillen tussen zijn verklaringen. Het is echter niet zo dat aangever later een heel andere lezing van de gebeurtenissen geeft. Consequent wordt door hem verklaard dat er spullen zijn gestolen en dat sprake was van seksueel contact. Over het wegnemen van de goederen, de kern van de verdenking in deze zaak, verklaart aangever niet wisselend. Tot slot wordt de verklaring van aangever dat sprake is van een diefstal ondersteund door de camerabeelden. Op die beelden is namelijk te zien dat verdachte de woning van aangever heeft verlaten met meer spullen dan waarmee hij de woning van aangever heeft betreden.

De pet is door aangever genoemd in zijn e-mail van 25 maart 2017. Volgens de rechtbank heeft verdachte ook de pet gestolen. In diezelfde e-mail schrijft aangever dat er € 140,- is weggenomen. De rechtbank gaat daar ook vanuit.

Diefstal met geweld

Net als de officier van justitie en de raadsman kan de rechtbank niet vaststellen dat de ten laste gelegde geweldshandelingen zijn verricht met de bedoeling (of, zoals in de wet staat: het oogmerk) de diefstal makkelijker te kunnen plegen. Het is veel aannemelijker dat die geweldshandelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden in het kader van SM-seks. Van deze strafverzwarende omstandigheid zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte op 11 september 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen drie laptops, 140 euro, vijf geurtjes (o.m. Hugo Boss, Tommy Hilfiger) en een pet, toebehorende aan [benadeelde 1] , en een laptop (Apple MacBook Pro), toebehorende aan een huisgenoot van die [benadeelde 1] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de bewijsmiddelen. Het overzicht van de bewijsmiddelen is opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor woninginbraken.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen. Het gaat hier niet om een woninginbraak.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Voor een atypische zaak als deze zijn geen oriëntatiepunten opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij een categorie diefstallen waarvoor er wel oriëntatiepunten zijn opgesteld. In plaats daarvan zal de rechtbank een straf bepalen die past bij deze specifieke situatie, en zal daarbij rekening houden met de ernst van het feit, de omstandigheden van het geval en de persoon van verdachte

Strafverzwarend vindt de rechtbank de hoge waarde van de goederen die zijn gestolen en het feit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat aangever kennelijk in hem had. Aangever nam verdachte immers midden in de nacht mee naar zijn huis terwijl hij verdachte die nacht voor het eerst ontmoette. Verdachte heeft dat vertrouwen geschonden door er vandoor te gaan met de spullen van aangever en zijn huisgenoot, en heeft aangever geboeid op bed en dus in een kwetsbare positie achtergelaten.

Dit maakt dat de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden vindt.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 13 oktober 2017. Daaruit blijkt dat verdachte geen recente veroordelingen op zijn naam heeft staan. Dat maakt dat de rechtbank daarin geen aanleiding ziet om een hogere straf op te leggen.

Voor het opleggen van een lagere straf, bijvoorbeeld een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf ziet de rechtbank ook geen aanleiding. Daarvoor is van belang dat er weinig bekend is geworden over de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Dat komt doordat verdachte daarover bij de politie geen vragen wilde beantwoorden, hij niet heeft meegewerkt aan het opmaken van een reclasseringsrapportage en hij ook niet op zitting aanwezig was om daarover informatie te geven.

Alles bij elkaar komt de rechtbank tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

7 Benadeelde partijen

7.1.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] (de huisgenoot van aangever) vordert € 600,- als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zijn laptop is namelijk gestolen en die was volgens [benadeelde 2] €600,- waard.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 11 september 2016.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde 2] wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Dat betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) wordt belast met de incasso van de toegewezen schadevergoeding.

7.2.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

7.2.1.

Vordering

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert € 5.856,62 als vergoeding voor materiële schade en € 4.350,- als vergoeding voor immateriële schade. Daarbij verzoekt [benadeelde 1] om de materiële en de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 1.240,92. Dit bedrag heeft betrekking op het weggenomen contant geld (€ 120,-), de weggenomen parfums (€ 120,92) en immateriële schade (€ 1.000,-).

7.2.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is het met de officier van justitie eens ten aanzien van het contante geld (€ 120,-) en de vergoeding voor parfums. De raadsman verzoekt de overige materiële schadeposten niet toe te wijzen. De raadsman verzoekt de vergoeding voor immateriële schade af te wijzen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat als gevolg van de diefstal sprake is van geestelijk letsel.

7.2.4

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De vordering is ten aanzien van de parfums (€ 120,92) niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Bij de bewezenverklaring is de rechtbank uitgegaan van een weggenomen geldbedrag van € 140,-, en niet, zoals de officier van justitie en de raadsman, van een bedrag van € 120,-. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 140,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor het vervangen van de huissloten, de beredderingskosten, de waarde van de back-ups en de therapiekosten niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Ten aanzien van de huissloten is onvoldoende duidelijk geworden dat sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van de bewezen verklaarde diefstal. De beredderingskosten en de waarde van de back-ups zijn vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de therapiekosten is vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat die kosten zijn gemaakt als rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde diefstal. Wanneer de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld wordt om die schadeposten nader te onderbouwen, moet het onderzoek heropend worden en moet de behandeling van de strafzaak worden aangehouden. Daarmee is de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In totaal zal de rechtbank € 260,92 als vergoeding voor materiële schade toewijzen en deze vergoeding vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 11 september 2016.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Daarbij is van belang dat de vordering deels lijkt te zien op feiten die niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn opgenomen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden met betrekking tot de bewezen verklaarde diefstal en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de vergoeding voor de immateriële schade naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 11 september 2016.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering voor de vergoeding van immateriële schade, omdat vooralsnog onvoldoende is onderbouwd dat die schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. Ook hiervoor geldt dat wanneer de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld wordt om dit nader te onderbouwen, de strafzaak moet worden aangehouden. Daarmee is de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Dat betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) wordt belast met de incasso van de toegewezen schadevergoeding.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

- diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan [benadeelde 1] van:

1. STK Textiel

5250912; bandana

2 1.00 BLK Fust

AMSTEL

5250913

3 1.00 STK Textiel

5250920; bandana

4 1.00 STK Textiel

5250921; bandana

5 1.00 STK Riem

5250923

6 1.00 STK Riem

5250924

7 1.00 STK Armband

5250919

8 1.00 STK Armband

5250922

Wijst de vordering van [benadeelde 2] , wonende te Amsterdam, toe tot € 600,- (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 600,- (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van twaalf dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [benadeelde 1] , woonplaats kiezende te Leidschendam, toe tot € 762,92 (zevenhonderdtweeënzestig euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] , € 762,92 (zevenhonderdtweeënzestig euro en tweeënnegentig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van vijftien dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2017.