Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9668

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de vaste jurisprudentie mocht verweerder ondanks het tijdsverloop van ruim drie jaar de aanvraag afwijzen.

Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat aan het objectieve criterium is voldaan. Bij het objectieve criterium wordt immers slechts beoordeeld of binnen de toepasselijke terugkijktermijn een justitieel gegeven voorkomt dat, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien nog een keer zou worden gepleegd, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden vormt. Dat is bij de door eiser gepleegde strafbare feiten het geval.

Ten aanzien van het subjectieve criterium is de rechtbank, gelet op de vaste rechtspraak in dit soort zaken, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tijdsverloop van ruim drie jaar sinds eisers laatste justitiecontact, nog te kort is om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Verweerder heeft dan ook meer gewicht kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3493

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] , eiser

(gemachtigde: mr. H.C. Meijer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Ibrahim en mr. M.N.L van den Herik).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toewijzing van een VOG1 voor de aanvraag om een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. te Rijswijk afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft op 7 november 2016 gevraagd om afgifte van een VOG voor een aanvraag om een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. te Rijswijk.

1.2

Verweerder heeft in zijn voornemen van 16 november 2016 aan eiser kenbaar gemaakt de aanvraag te zullen afwijzen. Op 28 november 2016 heeft eiser zijn zienswijze ingediend.

2.1

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels2 en is het screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurskaart’ van toepassing verklaard.

2.2

Verweerder heeft in het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen en deze afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat binnen de voor eiser geldende terugkijktermijn van vijf jaren in het JDS3 de volgende relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:

- een veroordeling in hoger beroep op [datum] 2015, na een veroordeling in eerste aanleg op [datum] 2014, tot een geldboete van € 200,- subsidiair 4 dagen hechtenis, met een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 356 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens [delict 1] , deelneming aan een [delict 2] en twee gevallen van het medeplegen van [delict 3] , meermalen gepleegd. Deze uitspraak is op 8 april 2015 onherroepelijk geworden.

3. Op grond van de in het JDS aangetroffen justitiële gegevens stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat die, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd (het objectieve criterium). Volgens verweerder bestaat op grond van het subjectieve criterium eveneens geen aanleiding om alsnog een VOG af te geven.

4. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage, die een onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

5.1

Eiser betoogt dat ten onrechte een risico voor de samenleving wordt aangenomen. Daartoe voert eiser aan dat hij het [delict 3] en de deelname aan een [delict 2] niet in, of in verband met, de [functie] of in enige andere functie heeft gepleegd. Het enkele feit dat hij hiervoor één keer is veroordeeld is volgens eiser onvoldoende om te concluderen dat hij in de uitoefening van de [functie] een risico vormt voor het welzijn en de veiligheid van passagiers.

5.2

Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat aan het objectieve criterium is voldaan. In dat kader heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de strafbare feiten waarvoor eiser is veroordeeld bij uitstek niet te verenigen zijn met de [functie] .4 Dat het [delict 1] geen misdrijf maar een overtreding is en dat de feiten zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren als [beroep] , is niet van doorslaggevende betekenis. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat deze feiten als één feitencomplex moeten worden beschouwd. In het kader van het objectieve criterium wordt immers slechts beoordeeld of binnen de toepasselijke terugkijktermijn een justitieel gegeven voorkomt dat, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien nog een keer zou worden gepleegd, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden vormt.5 Dat is bij deze feiten ook het geval. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert verder aan dat ten onrechte het [delict 1] als zodanig ernstig wordt gezien dat op grond daarvan een risico op herhaling van strafbare feiten wordt aangenomen. Ten slotte voert eiser aan dat ten onrechte geen zwaarder gewicht is toegekend aan zijn belangen en het tijdsverloop van ruim drie jaar. Op de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat verweerder in zijn belangenafweging ten onrechte niet heeft betrokken dat de buiten de terugkijktermijn aangetroffen strafbare feiten op jeugdige leeftijd zijn gepleegd.

7.1

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Nu binnen de terugkijktermijn ten aanzien van eiser relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden op grond van paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen bij de beoordeling betrokken in het kader van de toepassing van het subjectieve criterium. Hieruit blijkt dat eiser in 2007, 2008, 2009 en 2010 met justitie in aanraking is gekomen wegens het [delict 4] , het medeplegen van [delict 5] , [delict 9] , het medeplegen van [delict 7] en drie gevallen van [delict 8] . Hiervoor is eiser veroordeeld tot (on)voorwaardelijke jeugddetenties, (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen en werkstraffen.

7.2

In het bestreden besluit heeft verweerder de hoeveelheid relevante strafbare feiten binnen de terugkijktermijn, in samenhang bezien met de feiten buiten de terugkijktermijn, de strafrechtelijke afdoening daarvan, de mate van tijdsverloop sinds de laatste justitiële gegevens en het gegeven dat sommige feiten in jeugdige leeftijd zijn gepleegd in zijn belangenafweging betrokken die hij op grond van het subjectieve criterium moet maken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser zowel binnen als buiten de terugkijktermijn gepleegde misdrijven, gelet op de hoogte van de opgelegde werk- en gevangenisstraffen, eiser niet licht zijn aangerekend en een indicatie geven van de door eiser gepleegde delicten.

7.3

De rechtbank overweegt dat het feit dat eiser ruim drie jaar niet in contact is geweest met justitie een indicatie is van eisers wil om zijn leven te beteren. Gelet op de vaste rechtspraak in deze zaken is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder zich ondanks het tijdsverloop van ruim drie jaar, gelet op de onder 7.1 en 7.2 genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tijdsverloop sinds eiser voor het laatst met justitie in aanraking is gekomen nog te kort is om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Verweerder heeft dan ook meer gewicht kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van eiser.

8. De conclusie is dat verweerder in redelijkheid de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. De rechtbank geeft eiser mee dat dit niet hoeft te betekenen dat eiser, mits hij op dit goede pad blijft, in de toekomst niet in aanmerking kan komen voor een VOG om een chauffeurskaart.

9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Berk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wjsg 6

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wjsg kan Onze Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijke persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

De Beleidsregels

Op grond van paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels wordt de terugkijktermijn beperkt in duur. Dit houdt in dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt verweerder ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen bij de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Op grond van paragraaf 3.2 van de Beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Op grond van paragraaf 3.3 van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Volgens paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Indien verweerder na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

Screeningsprofiel (zie paragraaf 3.2.3 van de Beleidsregels)

Volgens het screeningsprofiel ‘Taxibranche: chauffeurskaart’ is de houder van de chauffeurskaart verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, [delict 1] en/of agressief gedrag. Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de houder van de chauffeurskaart. In die situatie bestaat het risico van geweld- en zedendelicten, afpersing, chantage, diefstal, verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen. Chauffeurs kunnen ook omgaan met contant en giraal geld. Het risico van diefstal en verduistering is aanwezig. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van vijf jaren.

1 Verklaring Omtrent het Gedrag.

2 De Beleidsregels VOG-NP-RP 2013, Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409.

3 Justitieel Documentatie Systeem.

4 Zie de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
3 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ5490.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9748.

6 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.