Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9646

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
13/702619-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte met psychiatrisch toestandsbeeld ("verwarde man") die in korte tijd heel vaak een gebiedsverbod heeft overtreden tot gevangenisstraf gelijk aan voorarrest en voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/702619-17 (zaak A)

13/702142-17 (zaak B)

13/706570-17 (zaak C)

13/147020-17 (zaak D)

Datum uitspraak: 12 december 2017 (bij vervroeging)

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,

gedetineerd in [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2017 en in de zaak met parketnummer 13/147020-17 mede naar aanleiding van het onderzoek op de zitting voor de politierechter van 14 november 2017 zoals dit volgens het proces-verbaal van die zitting heeft plaats gehad.

1.2.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna zaak A tot en met zaak D genoemd.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Stolk-Hogeterp, naar voren hebben gebracht.

1.4.

De rechtbank heeft C. Kleine, werkzaam bij GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam, die over verdachte heeft gerapporteerd, ter zitting als getuige gehoord.

2 Tenlastelegging

2.1.

In zaak A, zaak B (onder 3 en 4), zaak C en zaak D wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij een gebiedsverbod van de burgemeester van Amsterdam, dat kort gezegd inhoudt dat hij zich niet in het centrum van Amsterdam mag begeven, op 17 juni, 2, 4 en 8 augustus, 22 en 26 september 2017 opzettelijk heeft overtreden.

2.2.

De overige verwijten in zaak B houden kort gezegd in dat verdachte 1. op 9 juli 2017 de gehoorbescherming van [aangever 1] heeft gestolen, 2. heeft geprobeerd bij hotel [naam hotel] naar binnen te klimmen om daar te gaan stelen en als dat niet kan worden bewezen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk en ten slotte 5. dat hij op 22 juni 2017 een scootersleutel van [aangever 2] heeft gestolen.

2.3.

De gehele tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. De inhoud van de bijlage geldt als hier ingevoegd.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat verdachte een aantal keer is ten laste gelegd dat hij opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet door of namens de burgemeester van Amsterdam gegeven bevel. De rechtbank begrijpt dat bedoeld is ten laste te leggen dat verdachte niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 172a van de Gemeentewet gegeven bevel, zoals in zaak B onder 3 correct ten laste is gelegd. Zij zal de tenlastelegging in zoverre verbeterd lezen. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.1.

De rechtbank acht – met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie – niet bewezen dat verdachte op 26 september 2017 opzettelijk het gebiedsverbod heeft overtreden zoals hem in zaak A is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

3.1.2.

De burgemeester van Amsterdam heeft verdachte op 11 juli 2017 kort gezegd verboden zich van 12 juli tot en met 11 oktober 2017 in “Overlastgebied 1 Centrum” te begeven. Het desbetreffende bevel is op 1 augustus 2017 aan verdachte aangeboden, maar verdachte weigerde het bevel aan te nemen. De betrokken verbalisant heeft hem op dat moment meegedeeld dat verdachte zich tot en met 11 oktober 2017 niet in het centrum van Amsterdam mocht bevinden. Verdachte is vervolgens op 9 augustus 2017 in de zaak met parketnummer 13/090804-17 door de politierechter veroordeeld ter zake van het overtreden van een ander, eerder aan hem opgelegd gebiedsverbod. De politierechter heeft verdachte op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een gebiedsverbod van drie maanden opgelegd dat inhield dat hij zich niet in “Dealeroverlastgebied Amsterdam Centrum 1.0” mocht ophouden. De politierechter heeft bevolen dat vervangende hechtenis van een week wordt toegepast indien niet aan de maatregel zou worden voldaan.

Verdachte is op vrijdagochtend 22 september 2017 op het Rembrandtplein te Amsterdam aangehouden op verdenking van overtreding van het gebiedsverbod gedateerd 11 juli 2017. Diezelfde dag is hij met een dagvaarding heengezonden. ’s Avonds, om 23.34 uur, is hij op het Thorbeckeplein wederom aangehouden ter zake van overtreding van het gebiedsverbod. De volgende dag, 23 september 2017, is hij om 14.40 uur heengezonden maar direct aangehouden op verdenking van het overtreden van het gebiedsverbod dat de politierechter hem bij vonnis van 9 augustus 2017 had opgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft op 25 en/of 26 september 2017 op grond van artikel 38x van het Wetboek van Strafrecht de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis gevorderd. De rechter-commissaris heeft deze vordering afgewezen omdat, naar de rechtbank van de verdediging begrijpt (de beslissing van de rechter-commissaris zit niet bij de stukken), verdachte het gebiedsverbod niet had overtreden. Het Thorbeckeplein viel namelijk niet binnen het “Dealeroverlastgebied Amsterdam Centrum 1.0”. Verdachte is op 26 september 2017 in vrijheid gesteld. Hij heeft zich later die dag begeven op het Rembrandtplein, dat vlakbij het Thorbeckeplein is. Hij is daar toen wederom aangehouden omdat dit verboden gebied voor hem zou zijn.

3.1.3.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 26 september 2017 in de veronderstelling verkeerde dat hij wel weer op het Rembrandtplein mocht komen omdat hij eerder die dag was ‘vrijgesproken’. De rechtbank kan er begrip voor opbrengen dat na zoveel aanhoudingen, beslissingen en verschillende gebiedsverboden voor verdachte op 26 september 2017 een verwarrende situatie ontstaan was. Hoewel vaststaat dat verdachte niet op het Rembrandtplein mocht komen, krijgt verdachte, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, dan ook het voordeel van de twijfel en moet het ervoor worden gehouden dat hij niet wist dat het gebiedsverbod voor het Rembrandtplein op 26 september 2017 nog altijd van kracht was. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte het gebiedsverbod die dag opzettelijk heeft overtreden.

3.2.

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen hetgeen in zaak B onder 2 en 3 is ten laste gelegd (poging tot diefstal door inklimming subsidiair lokaalvredebreuk bij hotel [naam hotel] op 9 juli 2017 en het opzettelijk overtreden van een gebiedsverbod op 17 juni 2017), zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.3.1.

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die de redengevende feiten en omstandigheden bevatten waarop de bewezenverklaring is gebaseerd, de overtuiging gekregen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde in zaak B onder 1 (diefstal gehoorbescherming op 9 juli 2017), onder 4 (opzettelijk overtreden gebiedsverbod op 4 en 8 augustus 2017) en onder 5 (diefstal scootersleutel op 22 juni 2017), zaak C (opzettelijk overtreden gebiedsverbod op 22 september 2017) en zaak D (opzettelijk overtreden gebiedsverbod op 2 augustus 2017) zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven.

3.3.2.

Ten aanzien van het verweer dat verdachte de scootersleutel alleen maar voor de grap had meegenomen en hij dus niet het oogmerk had op wederrechtelijke toe-eigening, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, overweegt de rechtbank dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft eerder verklaard dat hij de desbetreffende sleutel heeft meegenomen en pas ter zitting verklaard dat dit voor de grap was.

Uit het dossier blijkt bovendien het volgende. Verdachte heeft de sleutel uit de scooter gepakt en is daarna weggerend. [aangever 2] , de eigenaar van de scooter, is achter verdachte aangerend. Verdachte is een café ingegaan en [aangever 2] is buiten blijven wachten op de politie. De ter plaatse gekomen politie heeft verdachte onderworpen aan een veiligheidsfouillering maar de sleutel niet aangetroffen. Vervolgens is verdachte ter zake van een overtreding van de APV aangehouden en naar het politiebureau gebracht. In het kader van de insluiting van verdachte is hij opnieuw gefouilleerd en daarbij is de scootersleutel van [aangever 2] aangetroffen. Verdachte heeft al die tijd als heer en meester over de desbetreffende sleutel beschikt en op geen enkel moment te kennen gegeven dat hij de sleutel wilde teruggeven.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

zaak B (13/702142-17)

1. op 9 juli 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen gehoorbescherming, toebehorende aan [aangever 1] ;

4. op 4 augustus 2017 te 05.25 uur en 8 augustus 2017 te 0.10 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172a van de Gemeentewet, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – zich uit het overlastgebied 1 centrum te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;

5. op of omstreeks 22 juni 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scootersleutel, toebehorende aan [aangever 2] ;

zaak C (13/706570-17)

op 22 september 2017 te 08.50 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172a van de Gemeentewet, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – zich uit het overlastgebied 1 Centrum, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;

zaak D (13/147020-17)

op 2 augustus 2017 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 12 juli 2017 tot en met 11 oktober 2017 niet mocht bevinden in Overlastgebied Centrum, door zich op voornoemde datum te 23.05 uur op het Rembrandtplein te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tweehonderddrieëntwintig dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan zestig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering in haar rapport van 1 december 2017 heeft geadviseerd, met bevel dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De officier van justitie heeft ook gevorderd verdachte op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht de zogenoemde DOG-maatregel 2.0 op te leggen en hem te verbieden de komende twee jaar in het centrum van Amsterdam te komen en te bevelen dat elke keer als verdachte dat wel doet, hem twee weken vervangende hechtenis wordt opgelegd en te bevelen dat ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

8.2.

Het standpunt van de verdediging.

8.2.1.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de op te leggen straf het volgende aangevoerd. Het psychiatrische toestandsbeeld van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, maakte dat hij verminderd toerekeningsvatbaar was. Deze psychische problematiek speelt momenteel geen rol meer. Verdachte kan zich vinden in het advies van de reclassering. Hij ziet in dat hij hulp nodig heeft en wil zijn medewerking verlenen. Er zou nu vooral aandacht moeten zijn voor werk en een woning. Een behandeling is niet noodzakelijk. Verdachte zou een kans moeten worden geboden. Hij is alles kwijtgeraakt en heeft de hem geboden hulp aanvaard.

8.2.2.

De raadsvrouw heeft voorts verzocht om strafvermindering omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte is namelijk op 2 augustus 2017 en 22 september 2017 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 184, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en dus niet op verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Hij mocht daarom maximaal zes uren worden opgehouden en had daarna in verzekering of in vrijheid moeten worden gesteld. Hij is echter na het verstrijken van de maximale ophoudingstermijn in verzekering noch in vrijheid gesteld. De invrijheidstelling vond pas drie uur later plaats. Aldus is een belangrijk voorschrift geschonden en is inbreuk gemaakt op het recht op vrijheid van verdachte (artikel 5 EVRM). Het nadeel van verdachte bestaat hierin dat zijn vrijheid hierdoor is benomen. Voor zover verdachte wel negen uur mocht worden opgehouden, is zulks niet gemotiveerd en is er om die reden sprake van een onherstelbaar vormverzuim dat tot strafvermindering moet leiden, aldus de raadsvrouw.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.3.2.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.3.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van gehoorbescherming en een scootersleutel. Diefstal is vervelend voor de gedupeerden. Het levert ergernis en overlast op. Gelukkig hebben de aangevers in deze zaak hun spullen al weer snel teruggekregen. In verband met de overlast die verdachte veroorzaakte, heeft de burgemeester van Amsterdam hem bovendien, zo volgt uit het dossier, meerdere gebiedsverboden opgelegd. Een dergelijk verbod wordt niet zonder reden opgelegd en moet worden gerespecteerd. Verdachte heeft zich in een paar weken tijd echter meermalen tijd schuldig gemaakt aan het opzettelijk overtreden van het gebiedsverbod dat gold voor de duur van drie maanden.

Degene die zich schuldig maakt aan diefstallen en het negeren van een gebiedsverbod verdient straf. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het gegeven dat verdachte, op wiens strafblad alleen zaken uit 2017 staan, in korte tijd alles wat hij bezat, is kwijtgeraakt. Nadat hij was ontslagen, is hij dakloos geraakt en heeft hij een zwervend bestaan geleid. In korte tijd ging het van kwaad tot erger. Op een gegeven moment was sprake van een psychiatrisch toestandsbeeld; verdachte was de weg volledig kwijt.

8.3.4.

Illustratief is de opmerking van de inspecteur van politie op 26 september 2017 bij de melding inverzekeringstelling betreffende verdachte, toen verdachte voor de zoveelste keer was aangehouden: “Ik ben geen dokter maar dat die [man] problemen heeft die mogelijk van psychische aard zijn, kan zelfs ik zien.” In het proces-verbaal van inverzekeringstelling heeft de inspecteur het volgende opgemerkt: “Verdachte [verdachte] is de afgelopen maanden diverse malen aangehouden, voorgeleid en in verzekering gesteld. Wederom presteert de verdachte het om bijna dagelijks zijn gebiedsverbod te overtreden. Daarom vraag ik mij af of het nog wel zin heeft om alsnog een inverzekeringstelling op te maken met de wetenschap dat verdachte [verdachte] wordt heengezonden na zijn voorgeleid. Zowel wij, de politie, als ook Justitie en het OM schenken heel veel tijd aan het verwerken van alle gegevens, opmaak van processen-verbaal en de behandeling van een rechtszaak terwijl ik van mening ben… DIT LOST NIETS OP. Kennelijk is de zorg in Nederland van dien aard dat deze persoon tussen wal en schip is beland. Het zal je vader of broer maar zijn of nog erger… je bent [verdachte] zelf.

8.3.5.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de verschillende rapporten die over verdachte zijn opgemaakt. In het rapport van het forensisch psychologisch onderzoek van 11 november 2017, opgemaakt door H. Scharft, GZ-psycholoog, staat onder meer dat op het moment dat verdachte werd onderzocht bij hem geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling kon worden vastgesteld. Op grond van de informatie uit de stukken waarin veel incidenten staan beschreven die onlogisch en ontremd overkomen, is het wel waarschijnlijk dat sprake is geweest van een psychiatrisch toestandsbeeld in de vorm van een manische of hypomane toestand. Een manische/hypomanische toestand gaat gepaard met een verhoogd niveau van activatie, onrust en impulsiviteit. Tegelijkertijd gaat het gepaard met een verminderde impulscontrole en een verminderd vermogen de gepastheid van het gedrag in te zien. Door deze toestand kwam verdachte makkelijk tot grensoverschrijdend en ontregeld gedrag. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De combinatie van ongunstige sociale omstandigheden en nauwelijks beschermende factoren is zorgelijk. Dit zal waarschijnlijk tot veel stress leiden en deze stress kan een verhoogde kans meebrengen dat verdachte in de toekomst weer last zal krijgen van psychische klachten. Gezien de vele sociale problemen adviseert de deskundige een verplicht reclasseringstoezicht op te leggen en verdachte in het kader daarvan ook onder de aandacht van een forensisch FACT-team te brengen. Het rapport van het forensisch psychiatrisch onderzoek van 18 oktober 2017, opgesteld door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, houdt dezelfde conclusie en hetzelfde advies in.

8.3.6.

De rechtbank heeft verder gelet op de reclasseringsrapporten van 4 oktober 2017 en 1 december 2017, beide opgemaakt door C. Kleine, en haar toelichting ter zitting. Hieruit volgt dat verdachte een man is die veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen sinds hij in april 2017 zijn baan verloor. Hij is een zwervend bestaan in Amsterdam gaan leiden en heeft voor veel overlast gezorgd. Verdachte heeft bijna dagelijks op het cellencomplex in Amsterdam geslapen en is meermalen aangemeld bij het SPOR wegens verward gedrag. Verdachte maakt inmiddels een rustigere en minder verwilderde indruk. Momenteel wil hij naar een begeleid wonen plek buiten Amsterdam terwijl hij eerder alle hulpverlening heeft afgehouden. Verdachte is aangemeld bij het [instelling] wonen in [plaats] . Hij heeft te kennen gegeven dat hij wel in deze omgeving zou willen wonen, in de buurt van zijn broer. In [plaats] kan verdachte met een forensische indicatie twee jaar wonen. Verdachte is 20 november 2017 geaccepteerd als cliënt bij het [instelling] van het [organisatie] . Hij kan hier per 13 december 2017 terecht. Verdachte moet zich wel aan een aantal afspraken houden bij het [instelling] in [plaats] . Zo mag hij minimaal zes maanden geen cannabis gebruiken en dient hij mee te werken aan het tot stand komen van een dagbestedingstraject. Daarnaast dient hij mee te werken aan diagnostiek en een behandeling bij GGZ Noord Holland. Verdachte is hier ambivalent over. Hij heeft moeite met de hoeveelheid regels en afspraken. Vooral het feit dat hij geen cannabis mag gebruiken vindt hij moeilijk. De reclassering ziet echter geen alternatief.

De reclassering adviseert indien verdachte schuldig wordt bevonden, hem een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een (ambulante) behandelverplichting en het verlenen van medewerking aan urinecontroles en blaastesten. De reclassering acht het daarbij van belang dat een kortdurende klinische opname ten behoeve stabilisatie kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van mevrouw Kleine ter zitting dat het momenteel niet noodzakelijk is om verdachte klinisch op te laten nemen, maar dat het noodzakelijk is deze voorwaarde achter de hand te hebben om te kunnen ingrijpen wanneer de psychische problematiek van verdachte de kop opsteekt.

8.3.7.

De rechtbank neemt de conclusies in de rapporten over en volgt de adviezen. Zij is van oordeel dat verdachte niet alleen straf moet krijgen, maar ook hulp. Zij zal verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die erop neerkomt dat verdachte met ingang van 13 december 2017 het onvoorwaardelijke gedeelte van zijn straf heeft uitgezeten. Het voorwaardelijke gedeelte is 30 dagen. De rechtbank zal hieraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd en een proeftijd van twee jaar.

8.3.8.

Aangezien verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en/of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, een en ander als bedoeld in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, zal de rechtbank de officier van justitie niet volgen in haar eis om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen. De wettelijke basis voor een dergelijk bevel ontbreekt immers.

8.3.9.

Met betrekking tot het verzoek van de raadsvrouw tot strafvermindering in verband met de onrechtmatige althans ongemotiveerde ophouding van verdachte, merkt de rechtbank het volgende op. Op 2 augustus 2017 is verdachte aangehouden en om 23.32 uur op bevel van de hulpofficier van justitie opgehouden voor onderzoek. Hij is de volgende dag van 10.10 uur tot en met 10.40 uur verhoord en ten slotte om 17.28 uur (met een dagvaarding) heengezonden. Op 22 september 2017 is verdachte aangehouden en om 09.41 uur opgehouden voor onderzoek. Om 12.46 uur is een poging gedaan verdachte te verhoren maar die had daar geen zin in en om 18.35 uur is hij (met een dagvaarding) heengezonden. Verdachte is kortom telkens al dan niet op een paar minuten na negen uur opgehouden.

De verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten kan ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek; de verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten ten hoogste zes uur. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend. De ophouding vindt plaats in het belang van het onderzoek (artikel 56a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering). Het onderzoek omvat mede de identificatie van de verdachte, de voorbereidingen voor het verhoor, het verhoor en het uitreiken van mededelingen in persoon over het vervolg van de strafzaak (artikel 56a, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering). Op grond van artikel 67, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan een bevel tot voorlopige hechtenis worden gegeven indien geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en de verdachte verdacht wordt van een misdrijf waarvan de rechtbanken kennis nemen en waarop, naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld. Op grond van het voorgaande mocht verdachte, die geen vaste woon- of verblijfplaats had, negen uren worden opgehouden voor onderzoek. Het derde lid van artikel 56a van het Wetboek van Strafvordering houdt echter in dat voor het einde van de periode, bedoeld in het tweede lid, of zoveel eerder als het onderzoek dat toelaat, de verdachte in vrijheid gesteld of in verzekering wordt gesteld.

De rechtbank constateert met de raadsvrouw dat niet is toegelicht waarom verdachte de maximale termijn van negen uur moest worden opgehouden. Zij ziet hierin echter geen aanleiding een lagere straf op te leggen en zal met deze constatering volstaan.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 184 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A en in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak B onder 1, 4 en 5, zaak C en zaak D heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 5 bewezen verklaarde:

Diefstal, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak B onder 4, in zaak C en Zaak D bewezen verklaarde: Opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 186 (honderdzesentachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 30 (dertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

4. zich binnen drie werkdagen na (het onherroepelijk worden van) dit vonnis meldt bij Palier reclassering tussen 09.00 en 12.00 uur op het adres Stationsplein 21 in Heerhugowaard. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. vanaf 13 december 2017 verblijft bij het [instelling] van het [organisatie] in [plaats] , zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. zich laat behandelen voor psychiatrische problematiek en cannabisgebruik bij GGZ Noord Holland Noord of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

7. verplicht is – ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek binnen een ambulant behandeltraject – tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

8. meewerkt aan urinecontroles en blaastesten zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 13 december 2017.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. Cordia en M.C. Bongaerts, griffiers,

en – bij vervroeging – uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2017.