Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9597

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB 15/14476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Om te waarborgen dat de procedurele gelijkwaardigheid van partijen niet zou worden geschonden, heeft de rechtbank in de zaak van een Sierra Leoonse illegaal een deskundige ingeschakeld, ondanks dat er al een deskundigenrapportage in opdracht van de IND was gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/144 met annotatie van A.M.L. Jansen, L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/14476

V-nr: 275.475.2075

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, van Sierra Leoonse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 (uitstel van vertrek) van eiser afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 juli 2015 ongegrond verklaard.

Op 29 juli 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van

29 juli 2015 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn toenmalige gemachtigde mr. L. van Tol. Ook was ter zitting aanwezig I. Jalloh, tolk in de taal Krio. Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de rechtbank op 14 april 2016 het onderzoek heropend en de behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij uitspraak van 14 april 2016, kenmerk AWB 15/14478, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep toegewezen.

De voortzetting van het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig A.K. Nyako, tolk in de taal Krio. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 7 oktober 2016 is het onderzoek heropend teneinde op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onafhankelijk deskundige te benoemen. Op 27 februari 2017 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige, drs. J.P.A. van Eck (hierna: de deskundige), advies uitgebracht. Eiser heeft bij brief van 6 april 2017 gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 19 april 2017 gereageerd. Bij brief van 24 mei 2017 heeft de rechtbank nadere vragen gesteld aan de deskundige. Bij brief van 3 juli 2017 heeft de deskundige de vragen beantwoord.

Omdat partijen, nadat zij per brief van 11 juli 2017 daarvoor in de gelegenheid zijn gesteld, niet hebben aangegeven dat zij een nieuwe zitting willen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht

1.1

Eiser heeft op 26 augustus 2015, aangevuld op 28 oktober 2015, verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht.

1.2

Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 20151 is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiser wordt vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Juridisch kader

2.1

Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.2

Op grond van paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 blijft de uitzetting achterwege op grond van artikel 64 van de Vw 2000 als de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie doet ontstaan en de behandeling niet kan plaatsvinden in het land van herkomst. In A3/7.1.3 van de Vc 2000 wordt toegelicht dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onder een medische noodsituatie verstaat: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

De adviezen van het BMA en de reacties van eiser

3.1

Op 12 december 2011 heeft eiser een verzoek tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser gewezen op zijn psychiatrische klachten, waarvoor hij onder behandeling is bij Equator.

3.2

Verweerder heeft naar aanleiding van eisers aanvraag aan het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd om medisch advies uit te brengen. Het BMA heeft op 19 september 2012 een psychiatrische expertise laten uitvoeren door C.J.F. Kemperman (hierna: Kemperman), die op 25 oktober 2012 een rapportage heeft uitgebracht. Op basis van deze rapportage heeft het BMA op 16 november 2012 geadviseerd. In dit advies is omtrent de aard van de klachten het volgende vermeld:

Er is diagnostisch sprake van een aanpassingsstoornis, geënt op kwetsbaarheid qua persoonlijkheid in – huidige – stressvolle psychosociale omstandigheden. Hij heeft veel verschillende psychische klachten. Deze bestaan o.a. uit concentratie- en geheugenstoornissen en slecht kunnen inslapen. Ten aanzien van realiteitsbesef geeft hij aan soms stemmen te horen van bekenden of onbekenden – of ziet hij personen of dingen, die er niet zijn. Ook voelt hij zich wel eens achtervolgd of denkt hij dat er een complot tegen hem is. Zijn driftleven en wilsleven verlopen tamelijk vlak, bij een depressieve stemming: hij kan niet van het leven genieten en heeft gedachten aan de dood en suïcide. Ongeveer een jaar geleden overwoog hij suïcide en pakte een mes, maar dat werd van hem afgepakt. (…)

In dit advies is wat betreft de medische noodsituatie het volgende vermeld:

Bij uitblijven van de behandeling kunnen de onder 1b genoemde klachten toenemen. Een medische noodsituatie op korte termijn wordt niet verwacht. Er is sprake van suïcidale ideaties, maar niet van een gedocumenteerde suïcidepoging of van BOPZ maatregelen, van of van een (gedwongen) psychiatrische opname; in de door betrokkende gemelde klachten worden akoestische en visuele hallucinaties beschreven, maar qua diagnostiek worden deze klachten, noch door de behandelaar noch bij de expertise, als psychotische klachten omschreven.

3.3

Eisers behandelaars van Equator hebben bij brief van 17 december 2012 gereageerd op het BMA-advies van 16 december 2012. In deze brief is vermeld dat de psychotische klachten onvoldoende zijn meegewogen en is gemotiveerd wat de gevolgen zouden zijn van de in hun ogen onjuiste diagnose van Kemperman voor de beoordeling van de medische noodsituatie op korte termijn. Volgens de behandelaars bepalen juist de psychotische klachten het risico op het ontstaan van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling en/of het blootstellen aan ernstige triggers. Ook kan eiser tijdens dissociatieve momenten in gevaarlijke situaties terechtkomen.

3.4

Verweerder heeft deze brief aan het BMA overgelegd en gevraagd of deze aanleiding geeft tot een andere conclusie voor wat betreft onder meer het ontstaan van een medische noodsituatie. Het BMA heeft op 5 juni 2014 een nieuw advies uitgebracht. In dit advies is omtrent de aard van de klachten het volgende vermeld:
De aard van de klachten betreft een chronische posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressieve stoornis, aldus zijn behandelaar. (…) De klachten bestaan uit doorslaapproblemen, vermoeidheid, angst, dissociatie en paniekaanvallen, spanning en onrust, overmatige prikkelbaarheid, vergeetachtigheid, concentratieproblemen en sociale isolatie. Daarnaast voelt betrokkene zich somber, beleeft hij geen plezier meer aan zaken waar hij voorheen wel plezier uithaalde, heeft hij energieverlies, een laag gevoel voor eigenwaarde, een uitzichtloos toekomstbeeld en suïcidale ideaties.


In dit advies is de vraag of een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is, negatief beantwoord. Daarbij is vermeld:

Op zich kunnen de klachten naar verwachting toenemen, maar er zijn geen aanwijzingen dat er zich in de loop van de tijd crisissituaties hebben voorgedaan waarvoor klinische behandeling geïndiceerd was; er is geen sprake van psychosen, van BOPZ maatregelen, van psychiatrische (crisis) opnames in het kader van ernstige psychotische klachten of van psychiatrische opnames in het kader van ernstige suïcidaliteit, of van een gedocumenteerde suïcidepoging.

Ten behoeve van de advisering over de medische noodsituatie, heeft het BMA voormelde brief van 17 december 2012 aan Kemperman voorgelegd. Blijkens het advies heeft Kemperman in reactie op deze brief voor wat betreft de psychotische klachten het volgende aangegeven:
Afwijkingen in de reality testing werden door de heer Kemperman niet waargenomen. Betrokkene gaf zelf destijds aan visuele en akoestische hallucinaties te ervaren, maar anderzijds bestond er ook een aanwijzing voor SIMS malingering, dus voor simuleren of aggraveren, zodat de validiteit van deze door hem geopperde klachten onbekend was.(…) Ten tijde van het onderzoek kon wel gesproken worden over een aanpassingsstoornis, maar kon geen psychotisch beeld worden vastgesteld; volgens Kemperman komen hallucinaties frequent voor, ook in de normale populatie.

Het BMA heeft gelet op de reactie van Kemperman in dit advies ten aanzien van de medische noodsituatie geconcludeerd:

Bij betrokkene was dus geen sprake van een psychotisch beeld- of van een psychose als onderdeel van de door Kemperman gestelde diagnose. Daarom is er naar mijn mening geen aanleiding tot een andere conclusie inzake het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn (...) dan gesteld in het BMA advies van 16 november 2012.

3.5

Eisers behandelaars van Equator hebben bij brief van 7 april 2015 gereageerd op het BMA-advies van 5 juni 2014. Hierin weerspreken zij de verwachting van het BMA dat er op korte termijn geen medische noodsituatie zal ontstaan. Ter onderbouwing daarvan wijzen de behandelaars op de diagnose van eiser, dat hij sinds 2011 intensieve ambulante behandeling ondergaat en dat er ondanks dat sprake is van in ernstige mate persisteren van psychiatrische klachten. Eiser is ingesteld op verschillende antidepressiva zonder dat hiermee de depressieve stoornis in remissie is gegaan. Recent werd getracht om de haloperidol zeer geleidelijk af te bouwen, echter dit had direct een negatief effect op de psychiatrische klachten met een toename van angst, piekeren en een toename van psychotische symptomen als gevolg. Dit medicatie-effect doet volgens de behandelaars vermoeden dat er onderliggend mogelijk tevens sprake is van een endogeen psychotische stoornis. Verder is in de brief vermeld dat eiser een kinderlijke indruk maakt. Ondanks dat verschillende instanties zich over hem ontfermen, is er sprake van sociale isolatie, deprivatie van structuur en contact en zelfverwaarlozing. Mogelijk vloeit dit voort uit een verminderde intelligentie of een gestagneerde ontwikkeling als gevolg van een vroegkinderlijke verwaarlozing en traumatisering. In ieder geval betreft het volgens de behandelaars een zeer kwetsbare patiënt bij wie er zonder hulpverlening een groot risico bestaat op zelfverwaarlozing, teloorgang, misbruik door derden en suïcide. De psychopathologie waaronder eiser lijdt en de penibele en onzekere omstandigheden waaronder hij leeft, maken dat hij tot een bewezen hoge risicogroep behoort voor suïcide. Hij ervaart voortdurend gedachten aan de dood en voelt zich geen onderdeel meer van deze wereld.

3.6

Verweerder heeft deze brief aan het BMA overgelegd en gevraagd of deze aanleiding geeft tot een wijziging van het BMA advies van 5 juni 2014. Hierop heeft het BMA op 20 mei 2015 een aanvullend advies uitgebracht. Hierin is geconcludeerd dat de brief van eisers behandelaars van 7 april 2015 niet leidt tot een ander advies omdat, samenvattend, niet blijkt dat sprake is van uitgesproken nieuwe medische feiten of van een doorslaggevende verandering en/of toename van medische klachten. Verder is onder meer vermeld:

Al met al zijn de klachten/psychotische symptomen niet van een zodanige ernstige aard gebleken, dat er bij uitblijven van de medische behandeling een medische noodsituatie moet worden verwacht. In 2012 was er echter geen sprake geweest van een gedocumenteerde suïcidepoging of van een suïcidale crisis waarvoor een opname nodig was of BOPZ maatregelen getroffen moesten worden en ook in het huidige bericht van 7-4-2015 is daar geen sprake van.

3.7

Eisers behandelaars van Equator hebben bij brief van 3 juni 2015 gereageerd op het aanvullend BMA-advies van 20 mei 2015. In deze brief hebben de behandelaars onder meer aangegeven dat een suïcidepoging één van de risicofactoren voor suïcide betreft. Eiser voldoet echter aan een aantal andere risicofactoren die hem in een bewezen hoge risicogroep voor suïcide plaatsen. Hij is een alleenstaande, werkloze, man die zijn familie heeft verloren, zich in een zeer onzekere sociale situatie bevindt, lijdt aan multipele psychiatrische stoornissen, waaronder een depressieve stoornis. Ondanks psychiatrische behandeling persisteren zijn klachten, zoals de akoestische hallucinaties. Juist het persisteren van zijn klachten en de moedeloosheid die hiermee gepaard gaat, maakt dat er een sterk verhoogd suïciderisico bestaat onder psychiatrische patiënten. Daarnaast zijn er zeer weinig beschermende factoren. Het in ernstige mate persisteren van psychiatrische klachten ondanks intensieve ambulante behandeling kan worden beschouwd als nieuwe relevante medische informatie. Daarbij vormt het samen met het beperkte functioneren van eiser aanwijzingen dat er onderliggend mogelijk sprake is van autisme, een lage intelligentie of een gestagneerde ontwikkeling als gevolg van een vroegkinderlijke verwaarlozing en traumatisering.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat bij het uitblijven van een behandeling geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie op korte termijn. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van BMA van 5 juni 2014, dat is bevestigd in het advies van 20 mei 2015. Uit het schrijven van eisers behandelaars van 3 juni 2015 blijken volgens verweerder geen nieuwe feiten en/of omstandigheden met betrekking tot de gezondheidssituatie van eiser en ook geen verslechtering daarvan. Eiser is er niet in geslaagd te bewijzen dat bij uitblijven van medische behandeling een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is. Nu eiser niet is aangewezen op zorg in Sierra Leone, is de vraag of eiser aldaar kan worden behandeld irrelevant. Het beroep op artikel 64 van de Vw 2000 is dan ook terecht afgewezen, aldus verweerder in het bestreden besluit.

Het standpunt van eiser

5. Eiser heeft de conclusie van het BMA, dat bij het uitblijven van de behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie te verwachten is, bestreden. Hij heeft aangevoerd dat de adviezen van BMA onzorgvuldig zijn. Uit de stukken van de behandelaars blijkt dat eiser psychotische klachten heeft. Verder is er door de behandelaars gewezen op de andere indicatoren die een rol spelen bij het inschatten van het suïciderisico. Het suïciderisico is onjuist ingeschat door het BMA. Verweerder heeft de brief van eisers behandelaars van 3 juni 2015 ten onrechte niet voorgelegd aan het BMA. Verweerder heeft de BMA-adviezen dan ook niet ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit. Nu het BMA-advies van doorslaggevende waarde is in verweerders besluitvorming, dient de rechtbank door een onafhankelijk medisch deskundige advies te laten uitbrengen, alvorens op het beroep te beslissen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van 8 oktober 2015 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Korošec tegen Slovenië (No 77212/12, www.echr.coe.int, hierna: de uitspraak inzake Korošec).


Het oordeel van de rechtbank

6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Indien en voor zover verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt en de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, strekt de door de rechtbank te verrichten toetsing niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of verweerder zich op grond van artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat het BMA-advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

7. In de brief van 3 juni 2015 hebben eisers behandelaars gesteld dat het in ernstige mate persisteren van psychiatrische klachten ondanks intensieve ambulante behandeling, kan worden beschouwd als nieuwe relevante medische informatie. Deze brief heeft verweerder niet aan het BMA voorgelegd. De rechtbank volgt niet de stelling van verweerder dat deze informatie geen nieuwe relevante medische informatie is. Beoordeling van deze stelling dient te worden overgelaten aan een medisch deskundige en kan naar het oordeel van de rechtbank niet door verweerder zelf worden gedaan. Daarbij komt dat eisers behandelaars hebben aangegeven dat deze nieuwe informatie maakt dat er een sterk verhoogd suïciderisico is. Tot slot komt uit de brief naar voren dat eiser mogelijk lijdt aan autisme of een lage intelligentie heeft.

8. De rechtbank beschouwt hetgeen door eisers behandelaars in de brief van 3 juni 2015 naar voren is gebracht als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de inhoud van de BMA-adviezen. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eisers behandelaars medisch deskundigen zijn. De door de behandelaars verstrekte informatie is concreet en beargumenteerd. De rechtbank stelt vast dat deze informatie niet in de BMA-adviezen is betrokken. Eiser heeft verder gesteld geen financiële middelen te hebben om een contra-expertise te laten verrichten. Onder deze omstandigheden noopt het beginsel van equality of arms de rechtbank tot benoeming van een onafhankelijke medische deskundige op grond van 8:47 van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van het EHRM inzake Korošec en hetgeen daarover is overwogen in de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2017 en 13 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674 en ECLI:NL:RVS:2017:2491). De rechtbank heeft dan ook aanleiding gezien om in onderhavige zaak een onafhankelijke medische deskundige te benoemen. De deskundige heeft zijn rapportage gebaseerd op het procesdossier dat de rechtbank hem heeft toegestuurd, alsmede op een psychiatrisch onderzoek.

9. De deskundige heeft in de rapportage van 27 juli 2017 geconcludeerd dat eiser lijdt aan een chronische ernstige depressieve stoornis en chronische posttraumatische stressstoornis. Mogelijk spelen zwakbegaafdheid of een ontwikkelingsstoornis een rol. Dat het resultaat van de behandeling moeizaam is wijst op een ernstige aandoening of op een verkeerde werkhypothese/diagnose of op een belang van betrokkene om niet op te knappen. Voor dit laatste zijn volgens de deskundige weinig aanwijzingen. Eiser heeft in Nederland geen dierbaren of vrienden die hem aan Nederland binden, geen substantieel inkomen, hij spreekt de taal niet. Het feit dat de behandelaren, Kemperman en de deskundige dezelfde symptomen observeren maken het onwaarschijnlijk dat sprake is van een onjuiste diagnose, zodat de deskundige concludeert dat er sprake is van ernstige psychiatrische problematiek. Volgens de deskundige zal het uitblijven van eisers behandeling leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De verwachting is dat gezien de aard en de ernst van de pathologie, de angsten en hallucinatoire belevingen zullen toenemen bij stoppen van de behandeling. Daar er amper beschermende factoren aanwezig zijn ten aanzien van suïcide acht de deskundige de kans reëel dat eiser in zijn wanhoop zelfmoord zal kunnen gaan plegen, aangezien er de afgelopen jaren ook aanwijzingen gevonden zijn dat eiser weinig vaardigheden heeft om met zijn stress om te gaan, anders dan zich terug te trekken op zijn kamer. Dit betekent dat zelfverwaarlozing en sociale teloorgang eveneens op de loer liggen als eiser behandeling ontbeert.

10. Verweerder heeft in de reactie van 19 april 2017 aangevoerd dat uit het deskundigenbericht niet blijkt dat daarbij de BMA-adviezen van 16 november 2012 en 5 juni 2014 en de rapportage van Kemperman betrokken zijn. Verder heeft verweerder aangevoerd dat het advies van de deskundige verband houdt met gewijzigde medische omstandigheden (gewijzigde medicatie) en niet ziet op de medische situatie van eiser ten tijde van het bestreden besluit. Het rapport kan om deze reden geen afbreuk doen aan de juistheid van het bestreden besluit. Tot slot acht verweerder de conclusie van de deskundige dat er geen aanwijzingen zijn voor ziektewinst, ontoereikend gemotiveerd.

11. De deskundige heeft in zijn aanvullende rapportage van 3 juli 2017 ten aanzien van de rapportage van Kemperman vermeld dat hij moeite heeft met Kempermans antwoord over de kans op suïcide bij verergering van stress, zoals bij uitblijven van behandeling. Kemperman relativeert de kans op suïcide, omdat eiser geen middelen misbruikt. De aanwezigheid van een ernstige psychiatrische aandoening met wanhoop gevoelens en het ontbreken van toekomstperspectief zonder contact en/of steun met/van dierbaren is volgens de deskundige van minstens zo groot belang als misbruik van middelen. De deskundige acht de kans op suïcide bij het uitblijven van behandeling in het geval van eiser reëel gelet op onder meer de ernstige, chronische psychiatrische aandoening die bij het staken van de behandeling in ernst zal toenemen en de reële kans dat de nu reeds amper aanwezige beschermende factoren weg zullen vallen. Ten aanzien van het BMA advies van 16 november 2012 heeft de deskundige opgemerkt dat de daarin genoemde argumenten op grond waarvan geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, naar zijn mening niet relevant zijn. Ten aanzien van het BMA-advies van 5 juni 2014 heeft de deskundige opgemerkt dat belangrijke risicofactoren voor suïcide niet worden genoemd bij het antwoord op de vraag of bij het uitblijven van behandeling een medische situatie op korte termijn zal ontstaan, maar wel bij de aard van de klachten (een laag gevoel voor eigenwaarde, een uitzichtloos toekomstbeeld en suïcidale ideaties). Tot slot heeft de deskundige ten aanzien van aanwijzingen voor ziektewinst nog onder meer opgemerkt dat van gezichtsverlies bij terugkeer bij eiser geen sprake zal zijn, aangezien hij niemand meer kent in Sierra Leone.

12. De rechtbank is van oordeel dat de rapportages van de deskundige naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent zijn. Mede gelet op hetgeen in de aanvullende rapportage van 3 juli 2017 over de rapportage van Kemperman en de BMA adviezen van 16 november 2012 en 5 juni 2014 is opgemerkt, is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat de deskundige niet alleen de huidige medische situatie van eiser heeft beoordeeld, maar ook de medische situatie zoals die was ten tijde van het bestreden besluit. Verder heeft verweerder de rapportages van de deskundige niet voorgelegd aan het BMA, zodat geen aanleiding bestaat om niet van de door de deskundige getrokken conclusies uit te gaan. Gelet op de bevindingen van de deskundige is bij eiser sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat het achterwege blijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie. De conclusie luidt dan ook dat de overweging in het bestreden besluit, dat bij het uitblijven van medische behandeling geen sprake is van een medische noodsituatie op korte termijn, ontoereikend is gemotiveerd.

13. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten, nu verweerder de gelegenheid moet worden geboden om nader onderzoek te verrichten naar de vraag of de noodzakelijke medische behandeling van eiser in het land van herkomst beschikbaar is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag van deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

15. Omdat eiser wegens betalingsonmacht geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder dit griffierecht ook niet te vergoeden.

16. Nu er geen schorsende werking is verbonden aan het door eiser ingediende bezwaarschrift, zal de rechtbank onder toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bepalen dat uitzetting van eiser uit Nederland achterwege moet blijven totdat opnieuw op het bezwaarschrift is beslist.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,-- (zegge: veertienhonderdenvijfentachtig euro);

- bepaalt dat uitzetting van eiser achterwege blijft totdat verweerder op het bezwaarschrift heeft beslist.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, voorzitter, mr. M. de Rooij en mr. R.B. Kleiss, leden, in aanwezigheid van mr. S. Tax, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:ST

D:B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 ECLI:NL:CRVB:2015:282