Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9591

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
13/650356-15 (A) en 13/659213-16 (B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige man is veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf onder meer voor zijn rol bij gewelddadige overvallen. Daarnaast moet hij schadevergoedingen betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650350-15 (A) en 13/659212-16 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 21 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13, 14, 15 november 2017 en 12 december 2017, alwaar gelijktijdig zijn behandeld de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummers 13/650356-15 en 13/659213-16) en [medeverdachte 2] (parketnummers 13/650457-15 en 13/659211-16).

De rechtbank heeft de zaken tegen verdachte [verdachte] , die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.F.E. den Hartog en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.T.H.M. Mühren naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging ter terechtzittingen van 13 en 14 november 2017 – ten laste gelegd dat

In zaak A:

1.

hij op of omstreeks 23 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag) en/of een of meer sleutels en/of een of meer mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Brasserie [naam Brasserie] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kluis (inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag) en/of een of meer sleutels en/of een of meer mobiele telefoon(s), in elk geval van enig goed geheel of ten dele toebehorende aan Brasserie [naam Brasserie] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- ( een op) een (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben gericht op en/of getoond aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of

- ( daarbij) heeft/hebben gezegd: "Ik maak jullier dood" en/of "Waar is de kluis" en/of "Waar is het geld", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] in een kast heeft/hebben opgesloten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 april 2015 tot en met 23 april 2015 te Almere, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel;

3.

hij op of omstreeks 30 juni 2015 te Amsterdam een of meer wapens van categorie II, te weten een aanvalsgeweer, merk Zastava, kaliber 7.62x39 millimeter, en/of munitie van categorie II , te weten 27 pantserdoorborende en/of brandstichtende patronen en/of munitie van categorie III, te weten 281 stuks, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 10 mei 2015 te Amsterdam (in een boxengang) van perceel [perceeladres] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en/of 2 bankpassen en/of een geldbedrag van 25 euro en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en/of 2 bankpassen en/of een geldbedrag van 25 euro en/of een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- die [naam 2] naar perceel [perceeladres] heeft/hebben gelokt en/of

- ( vervolgens) toen en/of nadat de [naam 2] het perceel was binnengegaan (een op) en (vuur)wapen (gelijkend voorwerp heeft/hebben gericht op en/of getoond aan die [naam 2] en/of

- ( daarbij tegen die [naam 2] heeft/hebben gezegd dt hij zou worden neergeschoten en/of

- met dat (op een) (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) op/tegen het hoofd van die [naam 2] heeft/hebben geslagen en/of

- één of meer knietje(s) tegen het lichaam heeft/hebben gegeven;

In zaak B:

1.

hij op of omstreeks 23 april 2015 te Almere, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 april 2015 te Almere, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] geschoten;

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2014 tot en met 31 juli 2015 te Amsterdam en/of Almere en/of Ouderkerk aan de Amstel en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [naam 3] en/of anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van diefstallen met geweld en/of afpersingen en/ofdiefstallen door middel van braak en/of verbreking en.of valse sleutel en/of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of het plegen van valsheid in geschrift en/of het witwassen van crimineel vermogen, welke deelneming (onder meer) bestaat uit het uitvoeren van bovengenoemde misdrijven en/of het onderhouden van (telefonische) contacten met zijn mededader(s) en/of het maken van afspraken met zijn mededader(s) en/of het doorgeven van berichten aan zijn mededader(s) en/of verrichten van (voor)verkenning(en);

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Nu het hier gaat om de beoordeling van meerdere feiten die ook aan (een) medeverdachte(n) ten laste zijn gelegd, zal de rechtbank bij de bespreking hiervan verder telkens de namen van verdachte(n) noemen in plaats van hen verdachte respectievelijk mede-verdachte(n) te noemen.

De overval op de golfbaan (zaak A, feit 1)

Op 23 april 2015 om 05:33 uur wordt een auto met kenteken [kenteken] geregistreerd door de kentekenregistratiecamera van de golfbaan. Om 06:11 uur lopen twee personen weg bij een op het parkeerterrein van de Golfbaan geparkeerde auto. Om 06:13 uur betreden die twee personen, beide donkere mannen, waarvan de ene een lange witte jas en een petje draagt en de ander een donkere jas, het golfclubgebouw en spreken zij met de schoonmakers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarna zij het gebouw weer verlaten. Om 06:14 uur lopen zij terug naar de ingang van het gebouw, dat zij om 06:15 uur opnieuw betreden. Op dat moment spreken zij weer kort met de schoonmakers. De man met de zwarte jas toont de schoonmakers een pistool en richt dat op hen en de man met de witte jas toont de schoonmakers een mitrailleur. De schoonmakers moeten onder bedreiging van de wapens sleutels en hun telefoons afgeven aan de man met zwarte jas en op hun knieën plaatsnemen in een kast. Om 06:25 uur zetten de mannen een kluis op de grond in de entreehal, loopt de man met de zwarte jas weer naar binnen en legt hij de telefoons van de schoonmakers op een kast. Vervolgens loopt hij weer naar de entreehal, tilt hij samen met de man met de witte jas de kluis weer op en lopen zij naar buiten. Om 06:26 uur lopen de mannen met de kluis weg van de entree. In de kluis zit tussen de 900 en 1000 euro aan geld. Om 06:27 uur komen de mannen weer bij de parkeerplaats. Om 06:28 uur wordt geregistreerd dat de auto met kenteken [kenteken] weer van het terrein af rijdt.

Om 10:15 uur op die dag treft de politie de auto met kenteken [kenteken] onafgesloten aan op de Strandweg te Almere. Er is geprobeerd om de auto in brand te steken. Op de bovenzijde van het rechtervoorportier is een vingerafdruk van [medeverdachte 1] aangetroffen. Op de vloer van de auto staat een tas. In de tas zit een lichtgekleurde jas, die grote overeenkomsten vertoont met de door de overvaller gedragen jas en op de kraag daarvan is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . Onder de jas ziet verbalisant drie doeken. Tussen deze doeken zit een zwarte pet met daarop de opdruk ‘The City of Amsterdam’. Deze pet vertoont grote overeenkomsten met de door de overvaller gedragen pet. Op de pet uit de auto is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] .

Op de grond bij de kassa van Brasserie [naam Brasserie] is een blauw horloge gevonden dat door één van de daders moet zijn achtergelaten. Op dit horloge is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [verdachte] .

Om 11:59 uur doet [naam 1] aangifte van de diefstal op de Schoolwerf te Almere van zijn auto met kenteken [kenteken] tussen 22 april 2015 om 23:00 uur en 23 april 2015 om 11:30 uur. Op 23 april 2015 tussen 05:41 en 09:17 uur vinden er verschillende gesprekken plaats met de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 2] , waarbij deze telefoons zendmasten in de omgeving van het Academisch Medisch Centrum (AMC), dat vlakbij de golfclub ligt, aanstralen. Zo belt [medeverdachte 2] [verdachte] om 05:41, 06:00 en 06:08 uur.

Het bezit van het aanvalsgeweer en munitie (zaak A, feit 3)

Op 30 juni 2015 is in de woning [adres 2] te [plaats 2] , waar [verdachte] destijds verbleef, in een bij [verdachte] in gebruik zijnde kledingkast een niet dichtgeritste, zwarte sporttas aangetroffen met daarin een volautomatisch aanvalsgeweer van het type AK47 voorzien van een magazijn gevuld met 24 stuks munitie. Onder de zwarte tas lag een extra magazijn gevuld met 21 pantserdoorborende en brandstichtende patronen en 2 reguliere Kalashnikov-patronen. In de kledingkast is ook een Albert Heijn tas aangetroffen met daarin een plastic doosje met het opschrift ‘Ekol Volga’, een blauw heuptasje met het opschrift ‘Air Caribes’ en een bruin/zwarte toilettas met het opschrift: ‘Leef!’. Het doosje met het opschrift ‘Ekol Volga’ was gevuld met in totaal 60 patronen geschikt voor een Kalashnikov. Het blauwe tasje met het opschrift ‘Air Caribes’ bevatte 6 pantserdoorborende en brandstichtende patronen, 1 regulier Kalashnikov-patroon en 1 Ozkursam 9 mm knalpatroon, omgebouwd met een metalen balletje in de punt van het patroon. In de toilettas zaten in totaal 194 patronen. Aan de binnenkant van het doosje met het opschrift ‘Ekol Volga’ is een vingerafdruk van [verdachte] aangetroffen.

De overval bij het Levantplein (zaak A, feit 4)

Aangever [naam 2] is in contact gekomen met [verdachte] , waarbij is afgesproken dat zij elkaar op 10 mei 2015 zouden ontmoeten. [medeverdachte 2] heeft de locatie voor de ontmoeting aan [verdachte] voorgesteld, te weten bij een woning aan het [straatnaam] te Amsterdam, en heeft [verdachte] daar naartoe gereden. Vervolgens is [naam 2] telefonisch naar het [straatnaam] gedirigeerd door [verdachte] , terwijl [verdachte] ook telefonisch contact onderhield met [medeverdachte 2] . Daarbij vraagt [verdachte] [medeverdachte 2] om instructies/advies, heeft [medeverdachte 2] [verdachte] routeaanwijzingen gegeven voor [naam 2] en de gemeenschappelijke voordeur van de ontmoetingsplek voor [naam 2] laten openen door [naam 4] . [naam 4] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] eerder in de boxruimte heeft rondgeleid en dat hij bij [medeverdachte 2] in de auto zat, toen hij de deur moest openen. Eenmaal binnen is [naam 2] naar de boxengang in de kelder geleid, alwaar [verdachte] geweld heeft gebruikt tegen [naam 2] , waarbij [naam 2] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen. Daardoor is [naam 2] gedwongen tot afgifte van zijn portemonnee met inhoud en zijn telefoon aan [verdachte] .

4.2.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

4.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten

4.4.

Oordeel rechtbank

4.4.1.

Overwegingen

Met betrekking tot de overval op de golfbaan (zaak A, feit 1)

De rechtbank vindt bewezen dat de twee personen op de beelden van de golfbaan [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn en dat zij de overval hebben gepleegd. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van het volgende.

De witte jas en het petje, gedragen door één van de overvallers zoals te zien op de beelden van de overval, vertonen grote overeenkomsten met de witte jas en petje die in de in Almere achtergelaten gestolen auto zijn aangetroffen. Vast staat dat de overvallers van die auto gebruik hebben gemaakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de in de auto aangetroffen witte jas en petje daadwerkelijk door die overvaller zijn gedragen tijdens de overval. Op de auto is een vingerafdruk van [medeverdachte 1] aangetroffen. Verder is zowel op de witte jas als op het petje DNA aangetroffen dat overeenkomsten vertoont met het DNA van [medeverdachte 1] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat [medeverdachte 1] de overvaller met de witte jas en het petje is geweest. De rechtbank hecht geen geloof aan de niet onderbouwde verklaring van [medeverdachte 1] ter zitting, dat zijn sporen daar terecht zijn gekomen omdat hij de auto op de ochtend van 23 april 2015 bij het uitlaten van zijn hond op de Strandweg zag staan en snel heeft doorzocht op waardevolle spullen en daarbij de jas heeft aangeraakt. Het petje zou hij uit een doos hebben gepakt, op zijn hoofd hebben gezet en terug gegooid in de doos, aldus [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft wisselend verklaard over het aantreffen van de auto door hem, en wat hij precies heeft gedaan in die auto. Zo verklaart hij in een verhoor bij de politie (pagina B1 26 e.v.), anders dan ter zitting, niet over opzetten van de pet en zegt hij dat hij gewoon met één hand tussen de spullen heeft geneusd.

Er is echter geen sprake geweest van een doos. Het petje is aangetroffen in een tas onder de jas tussen doeken. Dit past niet bij een snelle doorzoeking zoals [medeverdachte 1] heeft doen voorkomen.

De overvallers hebben achter de bar bij de kassa een horloge achtergelaten. Op dit horloge is DNA aangetroffen dat wijst in de richting van [verdachte] . [verdachte] heeft ook niet ontkend dat dit horloge van hem is, maar heeft verklaard dat hij zijn horloge, net als zijn telefoon een dag voor de overval aan iemand had uitgeleend. Deze telefoon heeft ten tijde van de overval een zendmast in de buurt van de golfbaan aangestraald. [verdachte] wil de naam van deze persoon niet noemen. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring van [verdachte] , die niet valt te verifiëren en bovendien niet consistent is. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat de persoon aan wie hij zijn telefoon en blauwe horloge heeft uitgeleend één en dezelfde is, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat dit verschillende personen zijn.

Daarbij komt dat rondom en tijdens de overval telefonisch contact is geweest tussen de telefoon van [verdachte] en die van [medeverdachte 2] , terwijl [medeverdachte 2] nooit heeft verklaard dat hij toen steeds met een ander dan [verdachte] heeft gesproken. De rechtbank merkt [verdachte] daarom aan als de andere overvaller.

Het ter terechtzitting door de rechtbank waargenomen uiterlijk van [verdachte] en [medeverdachte 1] geeft de rechtbank ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat zij niet de overvallers die te zien zijn op de camerabeelden en de door de slachtoffers omschreven overvallers zijn. Dat geen van beide schoonmakers melding heeft gemaakt van de littekens in het gezicht van [medeverdachte 1] , vindt de rechtbank daarbij niet doorslaggevend. De rechtbank heeft deze littekens ter terechtzitting waargenomen en vindt dat deze niet onder alle omstandigheden bijzonder opvallend hoeven te zijn. Bovendien is het de rechtbank ambtshalve bekend dat de blik van slachtoffers van gewapende overvallen vaak wordt getrokken naar het op hen gerichte wapen, waardoor hun omschrijving van de dader soms weinig nauwkeurig of gedetailleerd is.

De rechtbank ziet verder ook geen discrepantie tussen de historische telefoongegevens van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] en de camerabeelden van de overval, zoals ter zitting wel is aangevoerd. Uit een vergelijking van het overzicht van de historische gegevens van de telefoons van deze drie verdachten (pagina A1 120 ev.), met de bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden van de overval (pagina A1 127 ev.) blijkt namelijk dat er geen telefoonverkeer is met [medeverdachte 1] of [verdachte] op de tijdstippen dat (één van) de overvallers op de beelden zijn te zien.

De verdediging heeft aangevoerd dat de overvallers niet het oogmerk hebben gehad om zich de sleutels en de telefoons van de schoonmakers wederrechtelijk toe te eigenen, maar deze slechts van de schoonmakers hebben afgepakt om te voorkomen dat zij de politie zouden bellen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] zich de sleutels en de telefoons toegeëigend en hebben zij zich die ook willen toe-eigenen en wordt daaraan niet afgedaan doordat zij de sleutels en de telefoon maar voor korte tijd wilden hebben om tijdens de overval deuren te kunnen openen en te voorkomen dat de schoonmakers de politie zouden bellen. Ook dat is wederrechtelijke toeëigening

Met betrekking tot de diefstal van de auto (zaak A, feit 2)

Vaststaat dat de auto van [naam 1] met kenteken [kenteken] is gestolen tussen 22 april 2015 om 23:00 uur en 23 april 2015 om 02:09 uur, wanneer de auto wordt waargenomen door een milieucamera op de Jan Evertsenstraat te Amsterdam, en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] met die auto op 23 april 2015 om 05:33 uur het golfterrein op zijn gereden. Naar het oordeel van de rechtbank is de periode tussen de diefstal van de auto en het gebruikmaken daarvan door [verdachte] en [medeverdachte 1] wel zo kort dat zij moeten hebben geweten dat de auto gestolen was, maar niet zo kort dat het niet anders kan dan dat zij de auto ook zelf gestolen moeten hebben. Concreet bewijs van betrokkenheid van [verdachte] bij de diefstal van de auto ontbreekt. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de auto van [naam 1] door [verdachte] is gestolen en zal hem daarvan vrijspreken.

Met betrekking tot het bezit van het aanvalsgeweer en munitie (zaak A, feit 3)

Het aanvalsgeweer en de munitie zijn op 30 juni 2015 aangetroffen in de woning waarin [verdachte] verbleef, in een kledingkast waarvan alleen [verdachte] gebruik maakte. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij op 29 juni 2015 een persoon, wiens naam hij niet wil noemen, toestemming heeft gegeven om een zwarte tas met een hem onbekende inhoud in zijn kast te zetten, dat hij niet wist wat er in zat en dat hij dus ook niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring. Niet alleen kan de verklaring niet geverifieerd worden omdat [verdachte] de naam van deze persoon niet wil noemen, hij heeft hierover ook niet consistent verklaard. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat deze persoon dezelfde persoon is als diegene aan wie hij zijn telefoon en blauwe horloge heeft uitgeleend voor de dag van de overval bij de golfbaan, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat dit twee verschillende personen zijn. Ook op basis van de bevindingen met betrekking tot het aantreffen van het wapen en de patronen hecht de rechtbank geen geloof aan de stelling van [verdachte] dat hij niet wist van het wapen en de munitie. Zo is de meeste munitie aangetroffen niet in de zwarte tas, die overigens niet dichtgeritst was, maar in een Albert Heijn tas die ook in de kledingkast stond. In die Albert Heijn tas zat bovendien een doosje met munitie en op de binnenkant van dat doosje is een vingerafdruk van [verdachte] gevonden. Verder zaten er in de Albert Heijn tas twee kleinere tasjes met munitie er in. Op die tasjes is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . Dit alles maakt dat de rechtbank niet gelooft dat [verdachte] niet wist dat hij een wapen en munitie in zijn kledingkast had liggen, en dat zijn verklaring ter zitting hierover alleen bedoeld is om de waarheid te verhullen.

Daarmee heeft [verdachte] het aanvalsgeweer en de munitie voorhanden gehad. Hij wist immers van de aanwezigheid en hij kon er, als enige die gebruik maakte van de kast waarin alles lag, ook over beschikken.

Met betrekking tot de overval bij het Levantplein (zaak A, feit 4)

Over het doel van de ontmoeting tussen [verdachte] en [naam 2] tast de rechtbank in het duister. [naam 2] spreekt van een etentje, terwijl [verdachte] stelt dat het om een bespreking over de smokkel van contrabande zou gaan. De rechtbank kan niet uitsluiten dat [naam 2] niet het achterste van zijn tong heeft laten zien, maar kan hierover niets met zekerheid vaststellen. Dat [naam 2] wijn en bloemen heeft meegebracht naar de ontmoeting en dat [verdachte] over de telefoon heeft gezegd dat hij de deur niet kan openen, omdat hij staat te koken, wijst echter eerder op de juistheid van de verklaringen van [naam 2] , dan op die van [verdachte] . Gelet hierop en op de bloedende hoofdwond, de waarneming van de politie dat [naam 2] belt met de telefoon van voorbijgangers en het feit dat [medeverdachte 1] met de pinpas van [naam 2] heeft geprobeerd te pinnen, met - naar mag worden aangenomen - een hem meegedeelde pincode, hecht de rechtbank geloof aan de verklaring van [naam 2] , dat hij is beroofd van zijn portemonnee met inhoud en zijn telefoon en dat hij daarbij is bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en dat daarbij geweld tegen hem is gebruikt. Uit het dossier blijkt ook dat [verdachte] over wapens beschikt en daarmee dreigt.

Gelet op de feiten en omstandigheden is sprake van een voorbereide ontmoeting, waarbij [naam 2] is beroofd. De rechtbank gaat er van uit dat de beroving vooropgezet is en hecht geen geloof aan de verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij dacht slechts behulpzaam te zijn bij het tot stand brengen van een zakelijke ontmoeting tussen [verdachte] en [naam 2] . Dit nog daargelaten, dat een boxruimte de rechtbank weinig geschikt voorkomt als locatie voor een zakelijke ontmoeting. Vóór de overval heeft [medeverdachte 2] de plaats van de overval bepaald en bekeken en [verdachte] daar naartoe gereden. Tijdens de overval is [medeverdachte 2] in de buurt gebleven en heeft hij [verdachte] instructies/advies en routeaanwijzingen voor [naam 2] gegeven en de deur voor [naam 2] laten openen door een derde. Naar de rechtbank aannemelijk acht, is hij ook in de buurt blijven wachten op [verdachte] om, na de ontmoeting, hem weer op te pikken en met hem weg te gaan. Gelet op de aard en de intensiteit van zijn handelingen in het geheel moet [medeverdachte 2] hebben geweten wat [verdachte] ging doen en heeft hij het [verdachte] mogelijk gemaakt om dat te doen. Aldus is - naar het oordeel van de rechtbank - sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met een duidelijke rolverdeling, waarbij [medeverdachte 2] met zijn gedragingen een bijdrage van voldoende gewicht aan de beroving heeft geleverd om hem als medepleger van die overval aan te merken. De geringe rol van [medeverdachte 2] bij de daadwerkelijke uitvoering van het misdrijf, bestaande uit het verlenen van hulp bij het krijgen van [naam 2] op de plaats van het misdrijf, wordt immers gecompenseerd door zijn grotere en vooral sturende en faciliterende rol bij de voorbereiding daarvan. [naam 2] is dan ook door [verdachte] en [medeverdachte 2] beroofd.

Met betrekking tot de schietpartij bij [naam bakkerij] (zaak B, feit 1)

De rechtbank stelt vast dat op 23 april 2015 rond 01:35 uur twee donkere mannen bij bakkerij ‘ [naam bakkerij] ’ in Almere komen en spreken met aangever [slachtoffer 3] . Eén van de mannen schiet kort daarop met een wapen door het luik in de ruimte daarachter, waar verschillende personen, waaronder [slachtoffer 4] , aan het werk zijn. De rechtbank heeft op bewegende beelden van de bakkerij waargenomen dat werknemers van de bakkerij de ruimte ontvluchten, terwijl kogels een machine en een doos treffen. De twee daders vluchten om 01:39 uur weer weg. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] ten tijde van de schietpartij in de buurt van [naam bakkerij] uitpeilen. Uit onderzoek van de hulzen blijkt dat het wapen waarmee is geschoten, het wapen is dat op 30 juni 2015 in de woning van [verdachte] wordt aangetroffen. Op één van de verschoten patronen is DNA-aangetroffen dat van [verdachte] zou kunnen zijn. [medeverdachte 2] is rond de tijd van deze schietpartij als bestuurder staande gehouden voor een verkeerscontrole niet ver van de bakkerij.

De rechtbank acht de omstandigheid dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] ten tijde van de schietpartij in de buurt van [naam bakkerij] zijn geweest, onvoldoende om vast te kunnen stellen dat zij daarbij betrokken zijn geweest. De beelden zijn van onvoldoende kwaliteit om daarop iemand te kunnen herkennen. De beschrijvingen van de daders door de getuigen zijn onvoldoende specifiek om [medeverdachte 2] , [verdachte] of [medeverdachte 1] daarin te herkennen. Dit wordt niet anders doordat [verdachte] gelinkt kan worden aan het wapen, waarmee bij [naam bakkerij] is geschoten. Dat dit wapen op 30 juni 2015 in zijn woning is aangetroffen bewijst immers niet dat hij het wapen ten tijde van de schietpartij in handen heeft gehad. Net zo min als het mogelijk aantreffen van zijn DNA op één van de patronen, betekent dat hij op 23 april 2015 (als één van de twee mannen) bij de bakkerij is geweest. Er is geen concreet bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij de schietpartij bij de bakkerij. De mogelijke associatie van hem met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , die de officier van justitie heeft benadrukt, maakt dat niet anders. De rechtbank zal [medeverdachte 1] dan ook vrijspreken van dit feit.

Met betrekking tot de deelname aan een criminele organisatie (zaak B, feit 2)

De rechtbank komt, anders dan de officier van justitie, niet tot bewezenverklaring van alle feiten die aan [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , al dan niet in vereniging, te laste zijn gelegd. Op grond van de feiten die de rechtbank wel bewezen acht, valt niet een zodanig gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband af te leiden, dat sprake is van een criminele organisatie. Het gaat immers om uiteenlopende feiten, die in wisselende samenstelling zijn gepleegd en waarbij door de rechtbank geen duidelijke rolverdeling wordt gezien. De rechtbank zal dan ook alle drie verdachten vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie.

4.4.2.

De bewijsmiddelen

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, de overtuiging gekregen, en acht dan ook bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierna beschreven onder 5.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

In zaak A:

1.

op 23 april 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag, toebehorende aan Brasserie [naam Brasserie] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren en met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van sleutels en mobiele telefoons, toebehorende aan Brasserie [naam Brasserie] en/of die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat verdachte en zijn mededader

- ( een op) een (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) hebben getoond aan die [slachtoffer 1] en die

[slachtoffer 2] en dat verdachte en/of zijn mededader

- daarbij telkens woorden van gelijke dreigende aard en strekking heeft gezegd als: "Ik maak

jullie dood" en "Waar is de kluis" en "Waar is het geld" en dat verdachte en zijn mededader

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] in een kast hebben [slachtoffer 2] ;

3.

op 30 juni 2015 te Amsterdam een wapen van categorie II, te weten een aanvalsgeweer, merk Zastava, kaliber 7.62x39 millimeter, en munitie van categorie II, te weten 27 pantserdoorborende en/of brandstichtende patronen en munitie van categorie III, te weten 281 stuks, voorhanden heeft gehad;

4.

op 10 mei 2015 te Amsterdam in een boxengang van perceel [perceeladres] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en 2 bankpassen en een geldbedrag van 25 euro en een mobiele telefoon, toebehorende aan [naam 2] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededader

- die [naam 2] naar perceel [perceeladres] hebben gelokt en dat hij, verdachte,

- vervolgens toen die [naam 2] het perceel was binnengegaan (een op) een vuurwapen (gelijkend

voorwerp) heeft gericht op die [naam 2] en

- daarbij tegen die [naam 2] heeft gezegd dat hij zou worden neergeschoten en

- met dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd van die [naam 2] heeft

geslagen en

- knietjes tegen het lichaam heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A, onder 1, 2, 3 en 4, en het in zaak B, onder 1 primair en 2, bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Strafmaatverweer verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in eerste instantie behoort te zijn afgedaan, de zorg die [verdachte] aan zijn moeder verleent en het feit dat verdachte onlangs vader is geworden.

8.3.

Oordeel rechtbank

De rechtbank legt [verdachte] een gevangenisstraf van 5 jaar op en heeft bij die beslissing in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft samen met [medeverdachte 1] een restaurant bij een golfbaan overvallen, waarbij zij de aanwezige schoonmakers met vuurwapens - waaronder een zwaar vuurwapen - hebben bedreigd en onder bedreiging met die wapens op hun knieën plaats hebben laten nemen in een kast. Zij hebben hiermee de schoonmakers doodsangsten aangejaagd, zoals ook blijkt uit de ter zitting afgelegde slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] . Ook hebben zij schade en overlast veroorzaakt voor het bedrijf.

Samen met [medeverdachte 2] heeft [verdachte] ook [naam 2] beroofd. Bij die beroving heeft [verdachte] [naam 2] een bloedende hoofdwond toegebracht en hem een aantal knietjes gegeven. Aldus is [naam 2] angst aangejaagd en is hem pijn en letsel toegebracht..

[verdachte] heeft ook een automatisch vuurwapen van het type AK47 en een groot aantal daarbij behorende patronen, waaronder pantserdoorborende en brandstichtende patronen voorhanden gehad.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft een gevangenisstraf van 2 jaren voor een overval op een bedrijf, een gevangenisstraf van 6 maanden voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging en een gevangenisstraf van 9 maanden voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen vastgesteld als oriëntatiepunten voor de op te leggen straf voor dergelijke feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank spelen in dit geval de volgende strafverzwarende omstandigheden die aanleiding vormen om naar boven af te wijken van deze uitgangspunten. Beide berovingen zijn in vereniging gepleegd en met gebruikmaking van (op) vuurwapens (gelijkende voorwerpen). Bij de overval op de golfbaan is gebruik gemaakt van een gestolen auto en gedreigd met een zwaar automatisch wapen en een pistool. Hoewel niet is vastgesteld dat het om echte wapens gaat, zagen deze wapens er in ieder geval voor de slachtoffers als echt en zeer bedreigend uit. De beroving van [naam 2] is duidelijk voorbereid. Daarbij is [naam 2] naar een besloten boxengang gelokt en is er meer geweld tegen hem uitgeoefend dan een enkele ruk of duw. Alleen al voor het bezit van een zo gevaarlijk wapen als een automatisch aanvalsgeweer van het type AK47, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van 1 jaar gepast.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat uitspraak wordt gedaan meer dan twee jaren na de inverzekeringstelling van verdachte, waarmee de redelijke termijn, waarbinnen de strafzaak in eerste instantie moet zijn afgedaan, met bijna zes maanden is overschreden. De rechtbank laat het echter bij deze constatering en matigt de op te leggen straf niet, aangezien sprake is geweest van een langlopend onderzoek (op 28 september 2017 is de laatste getuige door de rechter-commissaris gehoord) en door de verdediging geen bezwaar is gemaakt tegen voeging van de in zaak B ten laste gelegde feiten en niet is aangedrongen op een snelle(re) afdoening.

9 Het beslag

9.1.

Het beslag

Onder verdachte zijn in beslag genomen:

een patroon, een computertas, een bril, een usb-stick, een simkaart, een mobiele telefoon, een heuptas, een toilettas, een mitrailleur, een horloge, een sporttas, 17 kopieën van een identiteitsbewijs, een brief en een foto.

9.2.

Vordering Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de onttrekking aan het verkeer van de patroon, de usb-stick, de simkaart, de mobiele telefoon, de heuptas, de toilettas, de mitrailleur, het horloge

en de sporttas, de teruggave aan de rechthebbende van de computertas, de bril, de brief en de foto en de teruggave aan de uitgevende instantie van de kopieën van het identiteitsbewijs.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen onttrekking aan het verkeer van de patroon, het wapen, de usb-stick, de sporttas, de heuptas en de toilettas en verzocht om teruggave aan verdachte van de overige in beslag genomen goederen.

9.4.

Oordeel rechtbank

De rechtbank zal de patroon, de usb-stick, de simkaart, de mobiele telefoon, de heuptas, de toilettas, de mitrailleur en de sporttas aan het verkeer onttrekken, omdat één of meer bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd met betrekking tot, dan wel met behulp van, die goederen en het ongecontroleerde bezit van de patroon en van het aanvalsgeweer in strijd is met de wet en het algemeen belang. Nu niet is gebleken dat één van de bewezen verklaarde feiten is begaan met behulp van het horloge, zal de rechtbank het horloge teruggeven aan verdachte. Met betrekking tot de overige goederen zal de rechtbank gelasten dat deze worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

10 De voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gevangenneming van verdachte wordt bevolen voor de ten laste gelegde feiten waarop het bevel tot voorlopige hechtenis geen betrekking heeft.

De verdediging heeft verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie afwijzen, omdat verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten waarop die vordering betrekking heeft.

De rechtbank zal het verzoek van de verdediging ook afwijzen, omdat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen straf van langere duur is dan de periode die verdachte tot de uitspraak van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

11 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert de vergoeding van € 170,48 aan materiële schade vanwege het eigen risico bij zijn zorgverzekering en een voorschot op de vergoeding van de immateriële schade van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank stelt vast dat bij de vordering een tweetal declaratieoverzichten en een aantal stukken zijn gevoegd waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] kort na de overval is uitgevallen voor zijn werk en inmiddels in ieder geval deels arbeidsongeschikt is bevonden. Uit de declaratieoverzichten blijkt echter niet welke, wanneer, of waarvoor zorg is verleend. Gelet hierop is de vordering onvoldoende onderbouwd om voor volledige toewijzing in aanmerking te komen, terwijl het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank acht wel voldoende aannemelijk geworden dat enige immateriële schade is geleden die in direct verband staat met het door [medeverdachte 1] gepleegde feit en die verder gaat dan een enkel onbehagen of zich gekwetst voelen. De rechtbank waardeert die schade op € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal dit toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem, maar zal dit bedrag als schadebedrag vaststellen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voor het overige is de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [naam 2]

De benadeelde partij [naam 2] vordert vergoeding van € 2.003,93 aan materiële schade en van € 2.285,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade ziet op een portemonnee van € 380,-, een ov-chipkaart met saldo van € 40,-, een creditcard van € 12,50, een paspoort van € 119,80, een pasfoto voor het paspoort van € 12,50, kleding en schoenen van € 595,56, boodschappen van € 19,57, een geldbedrag van € 25,- en een mobiele telefoon van € 799,-.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding van de immateriële schade moet worden gematigd en dat vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft de portemonnee, het paspoort, de kleding en de schoenen, de boodschappen en de telefoon. Daartoe is het volgende aangevoerd. Anders dan uit de vordering van de benadeelde partij, blijkt niet dat een dure portemonnee van het merk Prada is weggenomen. Volgens de aangifte is een identiteitskaart weggenomen, zodat niet een duurder paspoort in rekening mag worden gebracht. De benadeelde partij wil de kleding en schoenen niet meer dragen omdat daar zijn bloed op zou zitten en het hem aan het misdrijf zou doen herinneren. Dat is een keuze van de benadeelde partij, die niet voor rekening van de dader zou moeten komen. Niet blijkt dat de benadeelde partij de boodschappen moest meebrengen van de verdachten. De schade vanwege de mobiele telefoon dient te worden gematigd gelet op de ouderdom daarvan.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij [naam 2] door het in zaak A, onder 1, bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank begroot de materiële schade op € 1,915,21, en overweegt daartoe het volgende.

De vordering betreffende de portemonnee moet worden toegewezen, nu de rechtbank geen aanleiding ziet om te betwijfelen dat een dure portemonnee van het merk Prada is weggenomen. [verdachte] heeft ook niet gemotiveerd betwist dat de portemonnee van een ander merk is, terwijl dat wel op zijn weg lag. Ook de schade in verband met de inhoud van de portemonnee (ov-chipkaart, creditcard) kan worden toegewezen. De vordering betreffende het paspoort kan worden toegewezen voor zover deze de kosten van een identiteitskaart niet overstijgt. De gemeente Amsterdam brengt blijkens haar website € 50,65 in rekening voor een nieuwe identiteitskaart, zodat de rechtbank daar vanuit zal gaan. Ook de kosten in verband met de foto voor het paspoort kunnen worden toegewezen. De schadebeperkingsplicht voert niet zover dat van een slachtoffer van een overval gevergd kan worden dat hij zijn bebloede kleding schoonmaakt en blijft gebruiken. De vordering betreffende de kleding en schoenen kan dan ook worden toegewezen. De schade vanwege de boodschappen komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu de rechtbank geen rechtstreeks verband ziet tussen die kosten en het misdrijf. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag voor de mobiele telefoon te matigen, nu de telefoon, blijkens de overgelegde factuur, op 18 november 2014 is aangeschaft en daarmee nog geen zes maanden oud was ten tijde van het feit.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij [naam 2] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht het aannemelijk dat sprake is van meer dan een enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van roofovervallen, waarbij een wapen en geweld is gebruikt, zwaardere psychische gevolgen ervaren. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 1.000,-, nu de immateriële schade niet verder is onderbouwd.

De rechtbank zal de vordering van [naam 2] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 2,915,21, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A, onder 1, bewezen geachte feit is toegebracht.

De benadeelde partij [naam 2] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partijen [naam 5] , [naam 1] en [naam 6]

De benadeelde partijen [naam 5] en [naam 1] zullen niet-ontvankelijk in hun vorderingen worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast met betrekking tot de misdrijven waarbij hen schade is toegebracht.

De benadeelde partij [naam 6] zal niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard, omdat niet is gebleken dat de benadeelde partij nog schade heeft van de overval op de golfbaan, aangezien alle in de vordering genoemde schadeposten door de verzekeraar zijn vergoed.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 56, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissingen

Verklaart het in zaak A, onder 2, en het in zaak B, onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, onder 1, 3 en 4, ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

In zaak A, onder 1:

Voortgezette handeling van

- diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit

van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

- medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd;

In zaak A, onder 3:

Handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, onder a, van de Wet wapens en munitie;

en

handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1, van de Wet wapens en munitie;

In zaak A, onder 4:

Medeplegen van afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. STK Patroon

OZKURSAM

5004979 (bevat dna AAID6270NL);

8 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

-

Micro sd kaart 5004909

9 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

KPN

5004897

12 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

SAMSUNG Mini

5004876

14 1.00 STK Tas

-

5004978; heuptas

15 1.00 STK Tas

-

5004985; toilettas

16 1.00 STK Mitrailleur

AK 47

4004945 (BLIJFT BIJ WME GEDEPONEERD ZIT HIT OP)

29 1.00 STK Sporttas

-

5004986

De rechtbank gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van:

3 1.00 STK Tas Kl: zwart

-

4970655 (computertas)

4 1.00 STK Bril Kl: oranje

-

4994493

32 17.00 STK Papier

-

Diverse kopieën identiteitsbewijzen 5004940

33 1.00 STK Briefpost

-

5245730

34 1.00 STK Foto

-

5245732

Gelast de teruggave aan verdachte van:

19 1.00 STK Horloge Kl: blauw

-

4965493

Wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] , toe tot € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 23 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 23 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover door of namens verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen is voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam 2], wonende te [woonplaats] , toe tot € 2,915,21 (tweeduizendnegenhonderdvijftien euro en eenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 10 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [naam 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] , € 2,915,21 (tweeduizendnegenhonderdvijftien euro en eenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 10 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 39 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover door of namens verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 2] en [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen zijn.

Verklaart de benadeelde partijen [naam 5] , [naam 1] en [naam 6] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.L. Slaats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2017.