Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9547

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
C/13/639034 / KG ZA 17-1251
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2018:1144, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of gedaagde gehouden is om onder de huidige voorwaarden te blijven doorleveren, terwijl met eiseres ondanks langdurige en intensieve onderhandelingen geen volledige overeenstemming valt te bereiken. Voorzieningenrechter stelt vast dat doorleveren totdat in de bestaande bodemprocedure is beslist geen reële optie meer is. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter onder omstandigheden in het mislukken van de onderhandelingen een voldoende zwaarwegend belang van gedaagde zal zien als bedoeld in de raamovereenkomst. Dat betekent dat gedaagde niet tegen 1 januari 2018 maar tegen 6 april 2018 had mogen opzeggen. Tot die datum zal zij op de tot dusverre geldende voorwaarden moeten leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/639034 / KG ZA 17-1251 AB/JvS

Vonnis in kort geding van 19 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL BIKE GROUP B.V .,

gevestigd te Amsterdam ,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 24 november 2017,

verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. J.K. van Hezewijk te Amsterdam ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACCELL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Heerenveen ,

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. S.W.A.M. Visée te Amsterdam .

Partijen zullen hierna IBG en Accell worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 5 december 2017 heeft IBG gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Accell heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte akte. IBG heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.


Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van IBG : mr. Van Hezewijk, [naam 1] en [naam 2] ;

Aan de zijde van Accell : mr. Visée, mr. M.H.S. Berghuijs, [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .

2 De feiten

2.1.

Voor de eerdere feiten wordt verwezen naar het op 4 november 2015 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewezen vonnis.

2.2.

Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Ter zitting in hoger beroep op 10 februari 2016 hebben zij, ter beslechting van de op dat moment uitstaande geschilpunten en in afwijking van de raamovereenkomst, afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder Accell de levering zou voortzetten. Artikel 10. van die overeenkomst luidt als volgt:

2.3.

Partijen hebben vervolgens tot ver in 2017 dooronderhandeld over een nieuwe overeenkomst. Bij brief van 6 oktober 2017 heeft Accell de raamovereenkomst, zoals gewijzigd ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep op 10 februari 2016 per 1 januari 2018 opgezegd. Die brief luidt voor zover van belang als volgt:

(…)

(…)

2.4.

Op 7 november 2017 hebben partijen de hele dag onderhandeld. Zij zijn het niet eens geworden.

3 De vordering in conventie

3.1.

IBG vordert samengevat - het volgende:

I. Accell te bevelen om onverkort uitvoering te blijven geven aan de vaststellingsovereenkomst van 10 februari 2016, in het bijzonder na 1 januari 2018;

II. te bepalen dat Accell een dwangsom verbeurt van € 100.000,00 per dag dat zij in gebreke is ter zake van het onder I. te geven bevel;

III. Accell te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Accell voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

Accell vordert samengevat - het volgende:

I. In conventie IBG niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van IBG af te wijzen;

II. In reconventie, voor zover het gevorderde in conventie (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, IBG te veroordelen tot het stellen van zeker-heid door middel van een bankgarantie, voor het bedrag en met een tekst die volledige zekerheid verschaft aan Accell voor het bedrag van € 750.000,00;

III. IBG zowel in conventie als reconventie te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

IBG voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het vorige kort geding, het hoger beroep daarvan en de door IBG begonnen bodemprocedure gingen alle over de vraag of Accell de raamovereenkomst van 26 maart 2014 rechtsgeldig had beëindigd met haar brief van 11 september 2015. Ter zitting in hoger beroep van 10 februari 2016 is daar een nieuw element bijgekomen, namelijk dat Accell bezig was haar distributievoorwaarden te herzien. In dat verband is overeengekomen dat partijen over een nieuwe, door Accell voor te stellen, overeenkomst zouden onderhandelen. Mochten zij daar uiterlijk 30 november 2016 niet uitkomen dan was elk van hen gerechtigd de bodemprocedure voort te zetten. Totdat in die procedure in eerste aanleg zou zijn beslist golden de op 10 februari 2016 gemaakte afspraken.

5.2.

Ofschoon op 30 november 2016 nog lang geen overeenstemming bestond over een nieuwe overeenkomst, heeft geen van beide partijen het nodig gevonden om de bodemprocedure voort te zetten. Zij hebben nog bijna een jaar dooronderhandeld en geven elkaar nu de schuld van het mislukken van de onderhandelingen. Daarnaast verwijt Accell IBG schendingen van de gewijzigde raamovereenkomst gedurende de laatste anderhalf jaar, dus na de vaststellingsovereenkomst van 10 februari 2016. Daar gaat die bodemprocedure, waarin destijds ook al van antwoord werd gediend, echter niet over. In zoverre is de afspraak om de bodemprocedure nieuw leven in te blazen, mocht het niet tijdig tot een nieuwe overeenkomst komen, achterhaald door de ontwikkelingen en de opstelling van partijen na 30 november 2016.

5.3.

Uit hetgeen over en weer is gesteld over de onderhandelingen en uit de overgelegde stukken blijkt dat er in totaal twaalf gesprekken zijn gevoerd, dat partijen er beide debet aan zijn geweest dat het zo lang heeft geduurd, dat enerzijds het nieuwe ‘margegebouw’ van Accell pas in een laat stadium definitief en concreet werd en dat anderzijds IBG vragen bleef stellen en op een gegeven moment heeft geprobeerd de bestaande overeenkomst weer tot uitgangspunt te nemen. In dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten, kan niet worden vastgesteld dat het stuklopen van de onderhandelingen in overwegende mate aan de ene of de andere partij te wijten is geweest, en dus ook niet dat IBG niet te goeder trouw zou hebben onderhandeld. Dat laatste was een belangrijke grond voor Accell om de gewijzigde raamovereenkomst bij brief van 6 oktober 2017 op te zeggen tegen 1 januari 2018.

5.4.

Een tweede reden voor beëindiging van de gewijzigde raamovereenkomst zijn de beweerdelijke schendingen daarvan door IBG gedurende de afgelopen anderhalf jaar. Accell heeft daar veel werk van gemaakt, maar geeft tegelijkertijd toe dat dit allemaal niet in de weg zou hebben gestaan aan het sluiten van een nieuwe overeenkomst met IBG . Alleen om die reden al is niet aannemelijk dat de bodemrechter hierin schending van een wezenlijke verplichting zal zien als bedoeld in artikel 15.3. van de raamovereenkomst, of verzuim in de nakoming van een verbintenis uit de overeenkomst als bedoeld in artikel 15.2., nog daargelaten dat niet tijdig in gebreke is gesteld.

5.5.

Waar het werkelijk om gaat is of Accell gehouden is om onder de huidige voorwaarden te blijven doorleveren, terwijl met IBG ondanks langdurige en intensieve onderhandelingen geen overeenstemming valt te bereiken over het nieuwe ‘margegebouw’. Zoals hiervoor onder 5.2. overwogen is doorleveren totdat in de bestaande bodemprocedure is beslist geen reële optie meer, gezien de ontwikkelingen en de opstelling van partijen na 30 november 2016. Accell heeft gewezen op haar dalende omzet en teruglopend marktaandeel en op het feit dat haar andere dealers het nieuwe ‘margegebouw’ inmiddels hebben geaccepteerd. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter onder deze omstandigheden in het mislukken van de onderhandelingen een voldoende zwaarwegend belang van Accell zal zien als bedoeld in artikel 15.2. van de raamovereenkomst. Dat betekent dat Accell op 6 oktober 2017 niet tegen 1 januari 2018, maar tegen 6 april 2018 had mogen opzeggen. Tot die datum zal zij op de tot dusverre geldende voorwaarden moeten leveren en in zoverre is de vordering dan ook toewijsbaar. Nu Accell zich ook aan een eerdere veroordeling tot doorlevering heeft gehouden, heeft toegezegd dat nu weer te zullen doen en vanwege het risico van executiegeschillen zal aan de veroordeling geen dwangsom worden verbonden.

5.6.

Aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden verrekend zoals hierna is vermeld.

6 De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie

Bij een betrekkelijk korte termijn tot 6 april 2018 is voor het stellen van zekerheid geen aanleiding. De vordering wordt afgewezen, met verwijzing van Accell als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, die vanwege de samenhang met de conventie worden begroot op nihil.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

7.1.

beveelt Accell om tot 6 april 2018 uitvoering te blijven geven aan de raamovereenkomst van 26 maart 2014, zoals gewijzigd op 10 februari 2016;

7.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

verrekent de proceskosten aldus tussen partijen dat elke partij de eigen kosten draagt;

7.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

7.5.

weigert de gevraagde voorzieningen;

7.6.

verwijst Accel in de op nihil begrote proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. van Sintemaartensdijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.1

1 type: JvS coll: DP